Interview met Howard Zinn

‘Je kunt niet neutraal zijn in een rijdende trein’

Howard Zinn is een icoon van links in de Verenigde Staten. In zijn onlangs in het Nederlands verschenen klassieker haalt de academicus-activist de vergeten geschiedenis op van dat andere, progressieve Amerika.

Zijn eerste boek vond hij op straat. De eerste ervaringen in de sociale strijd deed hij op als arbeider van een scheepswerf. Howard Zinn (85) stamt uit een arm gezin in Brooklyn. In de Tweede Wereldoorlog vloog hij bombardementsmissies boven Europa. Het zou zijn visie op de oorlog grondig veranderen. Dankzij de GI-Bill – studiebeurzen voor veteranen – kon Zinn na de oorlog geschiedenis studeren. Hij werd professor aan het Spelman College in Atlanta, Georgia, een universiteit voor jonge zwarte vrouwen. Daar werd hij actief in de burgerrechtenbeweging. Later, ten tijde van de Vietnamoorlog, speelde hij een vooraanstaande rol in de vredesbeweging.

Ook nu is de 85-jarige Zinn te zien op betogingen tegen de oorlog in Irak. Een echte academicus-activist. ‘Je kunt niet neutraal zijn in een rijdende trein’, is zijn motto en de titel van een autobiografische documentaire. Zijn bekendste werk, A People’s History of the United States, is verplichte lectuur voor iedereen die geïnteresseerd is in het andere Amerika: dat van de zwarte slaven, de arme blanken, vrouwen en indianen. Zij zijn de hoofdpersonages in Zinns geschiedenis van de Verenigde Staten, die nu ook in het Nederlands is vertaald.

Ik ontmoet hem aan de universiteit van Boston, waar hij doceert: een breekbare oude man, maar met het vuur en de overtuigingskracht van een jonge rebel. Als hij later de collegezaal toespreekt, brengt hij zijn publiek regelmatig aan het lachen. Links en toch gevoel voor humor.

U bent academicus en activist. Wordt u au serieux genomen in de academische wereld?

Howard Zinn: ‘Het klopt dat de activist zich op het randje van de academische wereld beweegt. Hij wordt vaak met enig wantrouwen bekeken. Alsof hij geen echte academicus, geen echte wetenschapper zou zijn. Het meeste wantrouwen leeft overigens niet bij de collega’s maar bij het bestuur van de universiteiten. Zij willen niet dat hun faculteit actief is in politieke aangelegenheden. Maar sommige collega’s hebben sympathie voor wat je doet, al zijn ze zelf niet actief. Anderen vinden dat je wetenschappelijk werk niet helemaal op niveau is omdat het van een activist komt. Dat is vooral zo in het vakgebied geschiedenis. Daar zeggen ze vaak: je kunt niet objectief en neutraal zijn als je zelf geëngageerd bent en politieke overtuigingen hebt.’

En u zegt: je kunt niet neutraal zijn in een rijdende trein.

‘Neutraal zijn is onmogelijk. Je kunt denken dat je neutraal bent, maar dat is nooit zo. Als je je afzijdig houdt van de problemen van de dag, ben je voor de status-quo. Dan ga je akkoord met wat er in de wereld gebeurt.’

Uw ‘Geschiedenis van het Amerikaanse volk’ is geschreven vanuit het standpunt van de underdog, de mensen die in andere geschiedenisboeken vaak worden vergeten. Het werk is voor het eerst in 1980 verschenen. Vindt u het niet vreemd dat het zo lang heeft geduurd voor er zo’n geschiedenis kwam?

(lachend) ‘Ja, het is opmerkelijk. Er zijn wel progressieve historici geweest, historici van de arbeidersbeweging. In de jaren dertig werden werken over de geschiedenis van de Verenigde Staten geschreven vanuit een linkse invalshoek. Maar niemand heeft ooit vóór mij de Amerikaanse geschiedenis in haar geheel, van Christoffel Columbus tot het heden, door een radicale bril bekeken. Een van de redenen waarom ik dit heb geschreven, was dat ik naar zo’n boek op zoek was en het niet kon vinden. Dus dacht ik, dan doe ik het zelf maar.’

Opvallend in uw boek is de nadruk die u legt op het talent van de Amerikaanse elite om andere groepen in de maatschappij tegen elkaar uit te spelen. Op die manier neutraliseerde zij de dreiging van haar natuurlijke vijanden, de zwarten, indianen en arme blanken. Het patriottisme kwam daarbij goed van pas.

‘Het was niet zo moeilijk om ze tegen elkaar op te zetten. De elite speelde in op de tegenstrijdige belangen van die groepen. Tegen de arme blanken konden ze zeggen: trek westwaarts en je zult gratis of goedkope grond krijgen. Maar de indianen zaten hun in de weg. Ze zeiden natuurlijk niet tegen die arme blanken wat er zou gebeuren als de indianen verdreven waren, namelijk dat het land zou worden opgeslokt door de spoorwegmaatschappijen en dat de grond onbetaalbaar zou worden. Het was dus niet zo moeilijk om ze tegen de inheemse bevolking op te zetten. En je kon de blanke armen ervan overtuigen dat de oorzaak van hun armoede bij de zwarten lag. Het resultaat was geweld van arme blanken tegen zwarten. Werksituaties zijn natuurlijk altijd gespannen. Als je vandaag de dag tegen blanken zegt dat immigranten hun baan afpakken, heb je ook meteen een conflict. Dus je krijgt strijd en bitterheid van blank tegen zwart, immigrant tegen autochtoon, in plaats van dat ze samen strijden tegen de gemeenschappelijke vijand.’

Een van de opvallende vergeten feiten uit de geschiedenis van de Verenigde Staten is het verzet van de zwarte slaven. Het lijkt wel of ze grotendeels passief hun verschrikkelijke lot ondergingen. In werkelijkheid waren er tal van opstanden.

Howard Zinn: ‘En slavenoorlogen, ja. Dat gaat terug tot de achttiende eeuw. De geschiedenis is ze vergeten. Slechts enkele van de grotere opstanden hebben een plaats gekregen in de geschiedenisboeken: Denmark Vesey in South Carolina, Nat Turners opstand in 1830 in Virginia. Maar er waren veel meer opstanden dan de meeste mensen beseffen.’

Ook weinig bekend is de rijkdom van de linkse beweging aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Er waren de Wobblies, de anarchisten, de socialisten. Later, in de jaren twintig en dertig, was Kansas een bolwerk van radicalisme en hervormers. Dat lijkt nu allemaal heel ver weg.

‘Dat waren de hoogtijdagen van het radicalisme in de Verenigde Staten. Eind negentiende eeuw had je de bitterste sociale conflicten. De Socialistische Partij beleefde haar hoogtepunt, met afdelingen in heel het land. Er waren meer dan een miljoen lezers van socialistische dagbladen, socialistische leden van de volksvertegenwoordiging in de staten en burgemeesters en Congresleden. Dat is daarna nooit meer gebeurd. En de vakbond iww, Industrial Workers of the World, organiseerde acties zoals de succesvolle stakingen in Massachusetts tegen de bazen van de textielfabrieken.

Het is interessant – u sprak daarnet over patriottisme als instrument tegen de progressieven – dat de Eerste Wereldoorlog het middel bij uitstek bleek om die progressieve beweging te vernietigen. Het eerste wat ze deden was de leiders van de iww voor de rechter slepen omdat ze zich verzetten tegen de oorlog. De hele top van de iww werd in de cel gegooid. Ook leden van de Socialistische Partij werden gevangen gezet, in totaal bijna duizend, omdat ze tegen deelname aan de oorlog waren.’

Heeft de beweging zich daar ooit van hersteld?

‘De progressieve beweging is in de jaren dertig herrezen, maar in een andere gedaante. Toen de Depressie en de economische crisis eraan kwamen werd de Communistische Partij de leidende linkse kracht. Er was oproer in heel het land, met werklozen- en huurdersraden. Het was deze radicaal linkse agitatie die de aanzet gaf tot de New Deal. Veel Amerikanen denken dat al die hervormingen, zoals sociale zekerheid en werkloosheidssteun, er gekomen zijn dankzij het grote hart van Franklin D. Roosevelt. Maar Roosevelt voelde zich bedreigd door de radicale bewegingen, door de stakingen en de onlusten. Het was heel wijs van hem om de boel te kalmeren door de mensen werk te verschaffen, door jongeren aan een baan te helpen, door met huursubsidies en sociale zekerheid te komen. Ja, de jaren dertig waren een van de drie hoogtepunten van Amerikaans radicalisme in de voorbije honderd jaar: de eerste jaren van de twintigste eeuw, de jaren dertig en de jaren zestig.’

De jaren zestig met de antioorlogsbeweging, de burgerrechtenbeweging, de vrouwenbeweging. U was actief in de eerste twee bewegingen. U bent zelfs naar Hanoi gegaan om te onderhandelen over Amerikaanse krijgsgevangenen. Hoe komt het dat de vredesbeweging nu zo veel zwakker lijkt?

‘De vredesbeweging is op dit moment inderdaad minder sterk vergeleken met het hoogtepunt van de protesten tegen de Vietnamoorlog. Niet als je het vergelijkt met het begin van de beweging toen. Het hangt er dus van af naar welk stadium in de beweging je kijkt. Maar vandaag is het moeilijker om een nationale beweging tegen de oorlog van de grond te krijgen, om verschillende redenen. Eén ervan is het feit dat de huidige regering veel meedogenlozer is. Ze is vastberadener om deze oorlog voort te zetten dan welke regering ook in de Vietnam-periode. En de controle over de media maakt het moeilijker om de bevolking te mobiliseren. Maar ondanks dat alles moet je ook opmerken dat de antioorlogsbeweging tegenwoordig vaak onderschat wordt. Kijk naar de opiniepeilingen. De publieke mening in de Verenigde Staten is van tachtig procent vóór de oorlog gedraaid naar zeventig procent tegen. Dat is een enorme verandering.’

Heeft u hoop dat er na de volgende presidentsverkiezingen iets zal veranderen? Heeft u enig vertrouwen in de huidige Democratische kandidaten, Barack Obama, John Edwards of Hillary Clinton?

‘Zeker niet in Hillary Clinton. Barack Obama is erg vaag. Hij zou natuurlijk een verbetering zijn – iedereen zou een verbetering zijn in vergelijking met George Bush. Maar Obama… dat is het probleem van de Democratische Partij: ze zijn niet moedig, ze vertrouwen het Amerikaanse volk niet. Ze zijn bang dat ze steun verliezen als ze moedig uitkomen voor hun standpunten. Ze zouden juist steun krijgen als ze dat wél deden, maar Barack Obama is voorzichtig. En kijk naar het schandelijke gedrag van de Democratische leiders in het Congres. Ze zeggen dat ze tegen de oorlog zijn, maar blijven hem financieren. Ze zijn bang voor de kiezer, hoewel dus meer dan zeventig procent van de bevolking tegen de oorlog is. De geschiedenis van de Democratische Partij is over het algemeen geen geschiedenis van moed.’

Howard Zinn, Geschiedenis van het Amerikaanse volk. Uit het Engels vertaald door Jan Reyniers, Epo, 896 blz., € 44,95