Gisèle d'Ailly- 11 september 1912 – 27 mei 2013

‘Je kunt niet veranderen’

Eddy du Perron stierf in haar armen. Ze groeide op in het ‘wilde westen’ maar trouwde uiteindelijk de Amsterdamse burgemeester Arnold d'Ailly. Voor haar verzetswerk kreeg ze hoge onderscheidingen, maar haar schilderijen zijn in Nederland nauwelijks te zien. De eeuw van kunstenaar Gisèle d'Ailly-van Waterschoot van der Gracht.

‘KOM!’ WENKT ZE en ze spurt weg, het atelier uit, twee trappen op, langs de tuin van D'Ailly. Een dakterras met het ongeëvenaarde uitzicht op de luchtbogen van de neogotische jezuïetenkerk aan het Singel. Op de schoorstenen heeft ze gezichtjes geschilderd. 'Kom!’ dringt ze aan. Ze snelt door de onderduikzolder met de luiken, langs een hemelbed, beklimt een ladder en gooit het allerhoogste dakluik open. Vroeger sleepte ze kussens naar het hoogste dak. Zat er ’s zomers urenlang met vrienden en met haar man, de vroegere burgemeester Arnold d'Ailly. Met de Herengracht aan de voeten en alle torens van Amsterdam aan de horizon. 'Kijk!’ roept Gisèle. Ze is zevenentachtig en ze staat gevaarlijk dicht bij de dakrand te balanceren. 'Kijk dan toch, de zon! Wat is het toch mooi!’
Ze is net terug van de Frankfurter Buchmesse. Ze was er met 'de vrienden’, de joodse jongens die in de oorlog bij haar onderdoken en met wie ze tot de dag van vandaag is blijven samenwonen. De vrienden hebben in Frankfurt het eigen blad gepromoot, Castrum Perigrini, de burcht van de pelgrim, genoemd naar de nimmer veroverde kruisvaardersburcht bij Haifa. Met het uitgeven van gedichten, foto’s en brieven proberen de vrienden en Gisèle d'Ailly 'het kostbare dat in het verleden bestaat door te geven’. Maar bovenal schildert ze. Dagelijks. 'Niemand kan mij méér vertellen dan een schilderij in wording.’

De grote atelierramen kijken uit over de Herengracht. Het is haar plek; van meet af aan heeft ze geweten dat ze híer terecht zou komen. Ze moet negen jaar oud zijn geweest. Gisèle van Waterschoot van der Gracht groeide op in het 'wilde westen’. Haar vader was als geoloog en oliezoeker in dienst van de Koninklijke Nederlandse Olie Maatschappij, haar moeder was een Oostenrijkse barones Von Hammer Purgstall. 'Thuis was Engels de voertaal, maar moeder sprak met vader altijd Nederlands. Ik verstond geen woord Nederlands, maar er was een woordje dat altijd terugkwam, en dat woord was “Herengracht”. “Daddy, what ís that, Herengracht?” vroeg ik. “Nu ja kind”, zei vader, “dat is in Amsterdam, in Holland, daar hebben je moeder en ik elkaar ontmoet.” Toen ben ik - ik vergeet het nooit - op een stoel gaan staan en ik heb gezegd: “One day, I will live on the Herengracht!” Heel gek. Ik wist niets van Nederland.’

Overal in het atelier liggen veren, steentjes, schelpen. Als klein kind was ze hele dagen op pad met de ponca-indianen van Oklahoma. 'Veren zoeken en zo. Ik was een gepassioneerd verzamelaarster. En nu nog: ik heb bakken met zand waarin ik veren stop. Wij woonden in een huis, maar de indianen uit mijn vroegste herinneringen hadden bescheiden hutten van aarde. Vrouwen droegen kinderen op de rug in leren kokers. Niet lang daarna werd de eerste department store geopend en mijn moeder nam mij mee. Toen kwam er een grote limousine aanrijden met chauffeur. Er stapte een indiaan uit, met veren versierd en al. Men had in het reservaat net olie gevonden en ze waren overnacht miljonair geworden. Gisteren hadden ze alleen paarden of ezels en plotseling kregen ze Cadillacs, maar ze konden niet chaufferen. Het was een gek gezicht.’

DE BESCHAVING SLAAT ook voor Gisèle toe. Internaat bij de nonnen van het Sacre Coeur aan de East Coast. Ze leert tennis spelen en wordt heel gelovig. 'Ik heb het zonder enige moeite overgenomen.’ Nog steeds bezoekt ze elke morgen de mis.
Haar drie oudere broers studeren aan Princeton wanneer Gisèle’s ouders besluiten dat het tijd is haar mee te nemen op een reis naar Oostenrijk. De Dubbelmonarchie is vier jaar eerder roemloos ten onder gegaan wanneer Gisèle in 1922 voet zet in het voorvaderlijke slot Hainfeld in Stiermarken. 'Het allerergste waren de handkussen. We legden een bezoek af bij een vriendin van mijn moeder die op een buurkasteel woonde. “You’ve got to kiss her hand”, zei mijn moeder. “Kiss her hand?” riep ik. Ik vond dat zoiets geks! Mama is er verder niet op ingegaan en heeft, eenmaal aangekomen, de hand van de moeder van haar vriendin gekust. Ik was zeer onder de indruk.’

Het oude protocol van de Kaiserliche und Königliche Donaumonarchie. Op Hainfeld dienen in steirische klederdracht gestoken lakeien met witte handschoenen het eten op. Ooms en tantes zitten mee aan tafel, douairières wonen in op het slot. Gisèle is meteen weg van de brede grachten die het kasteel omringen. 'Om de tweede dag aten we Sauerkraut, ik vond het furchtbar. Van moeder moest ik het eten, maar ik kon het niet wegkrijgen.’ Een oom lost het op: 'Hij liet telkens zijn servet vallen, daar kon ik het op spugen. Na tafel nam hij zijn servet en mikte mijn Sauerkraut in de slotgracht.’ Ze grinnikt.
'Oostenrijk na de Eerste Wereldoorlog was heel armoedig. In Amerika had ik als klein meisje zakgeld verdiend met het wieden van onkruid in onze tuin. Met al mijn dollars kwam ik naar Wenen; moeder zorgde voor het wisselen in schillingen, zodat ik aan die arme mensen wat geven kon. Een tante, de Gräfin Koreth, die ooit met haar man op een groot kasteel had geleefd, bezat helemaal geen centen meer. Toen ik bij haar op bezoek ging voor mijn tiende verjaardag kwam ze opgetogen op me af. “I’ve got something very special for you, Gisèle”, zei ze. Ze kwam aan met een zilveren schaal met daarop een mooi porseleinen bord. Er lag een snee brood op. Gewoon brood, onbesmeerd, zonder beleg. Ik keek naar moeder en ik dacht: is die tante niet helemaal goed? Maar mammie zei dat ik haar moest bedanken en dat het erg bijzonder was. Naderhand vertelde ze me dat tante Heleen al heel lang geen stukje witbrood had gezien.’

Ze keert terug naar Amerika, maar in 1929 besluiten haar ouders voorgoed naar Europa terug te gaan. Opnieuw Hainfeld. Gisèle’s vader schrijft boeken over geologie en restaureert de schilderijen van het kasteel, Gisèle brengt dagen door in de slotbibliotheek. Ze leest de tientallen originele brieven van Sir Walter Scott, een protégé van een vroegere gravin Purgstall (overigens de heldin uit Scotts beroemde roman The Lady of the Lake).
Ze vertelt haar vader dat ze kunstenaar wil worden. Ze heeft Picasso gezien in New York, Les demoiselles d'Avignon. 'Ik was gefascineerd door de compositie. Hij kon goed tekenen, hè?’
Haar vader glimlacht. 'Die glimlach vergeet ik nooit. Ik dacht nog: waarom glimlacht hij alleen? Vindt hij het zo gek dat ik schilder wil worden? Pas jaren later zou een tante mij vertellen dat vader zelf schilder had willen worden, maar grootvader verbood dat. Hijzelf heeft me dat verhaal nooit verteld; ik zou maar een afkeer hebben gekregen van mijn grootvader.’ Ze glimlacht nu zelf. ’(“Ik zal proberen het mogelijk te maken”, zei vader. “Je moet maar een keer naar Barcelona gaan, daar is veel jeugdwerk van Picasso en daar kun je zien hoe die jongen met veertien, vijftien jaar tekenen kon. Voor je een penseel aanraakt, moet je goed leren tekenen.” Het is zo grappig dat hij dat zei. Hij wilde me naar Wenen sturen, maar ik zei nee. Ik wilde liever naar Parijs.’

OP DE ACADÉMIE de la Grande Chaumière krijgt ze les van Bernard Naudin, tekent ze en elders leert ze etsen. In de ateliers staan jongens en meisjes naakt model. 'Toen mijn moeder me in Parijs kwam opzoeken was mij dat al heel vertrouwd. Het was doodgewoon dat zo'n jongen of meisje in de pauze achter je aan liep om te kijken wat je had getekend. Moeder vond het heel vreemd.’ In het Cirque Medrano schetst ze koorddansers en acrobaten en op de Salon van 1931 wordt ze onderscheiden, section de gravure. Maar de economische crisis en de opkomst van Hitler betekenen het einde van een tijdperk. Er is geen geld meer om de studie te betalen en Gisèle’s vader - 'Ik wil hier niet meer wonen’ - verlaat Oostenrijk voorgoed. De brieven van Sir Walter Scott zal ze nooit meer terugzien. 'Ze zijn in de laatste oorlog allemaal vernietigd. Het kasteel was de hoofdzetel van de Russen en mijn familie is in de oorlog van Hainfeld gevlucht. De Russen schilderden ons af als de rijke, feodale mensen aan wie ze hun ellende hadden te danken. Ze hebben alles kapotgemaakt; geen tafel die nog poten had, geen stoel nog met een leuning. Moeder is er nooit meer teruggegaan.’
Van vrienden in de Buitenlandse Dienst huren ze kasteel Wijlre in Zuid-Limburg en Gisèle brengt, noodgedwongen, de dagen door met tennis. 'En ik was erg ongelukkig, want er was geen kunstenaar aan de horizon.’ Op een tentoonstelling in Brussel ziet ze werk van de Roermondse kunstenaar en glazenier Joep Nicolas. 'Ik dacht: ha! Roermond is niet ver van Wijlre. Ik wil een kunstenaar kennen.’ Ze kan komen logeren. Nicolas heeft net een grote opdracht ontvangen voor kerkramen. 'Er waren in die dagen geen copyshops, en alles werd met de hand vergroot. Joep vroeg me om het eens te proberen. Overdag, als hij in zijn atelier was, durfde ik dat niet. ’s Nachts om half twaalf hoorde ik dat iedereen naar bed was. Het was doodstil in huis. Op pantoffels ben ik naar het atelier gegaan en heb daar die kleine tekening tot tweeënhalve meter uitvergroot. Ik heb de hele nacht getekend.’ De volgende ochtend krijgt ze een baan als assistent. 'Ik greep het dankbaar aan. Ik wilde zelfstandig zijn.’

HET IS HET begin van een nieuw leven in Nederland.
Nicolas, een gevierd kunstenaar in zijn tijd, maakt overal kerkramen. De dichters Adriaan Roland Holst, Jacques Bloem en Jan Engelman komen regelmatig langs. Op vakantie op Nicolas’ boerderij in het Noord-Hollandse Groet raakt Gisèle bevriend met kunstenaars van de Bergense School, Charley Toorop en Edgar Fernhout.
'Jani’ Roland Holst vertaalt zijn gedichten voor haar in het Engels. 'Jani is degene die voor mij de brug heeft geslagen naar het Nederlands. Jani heeft mij de missing link gegeven. Hij was een paar jaar in Engeland op school geweest. “What a shame, you ought to write in English too!” zei ik bij het horen van zijn vertalingen. “No, I’m a Dutchman. I have to write in Dutch”, zei Roland Holst toen stellig.’
De telefoon gaat over. Gesprek in het Duits. 'Ik denk in de taal van degene met wie ik het laatst gesproken heb. Dit was professor Claus Bock, een jongen die in de oorlog bij mij was ondergedoken. De Nederlandse taal is absoluut niet de mijne; ik kan het nog steeds niet behoorlijk schrijven’, zegt ze.
Met Jani loopt ze in 1938 de Herengracht af, overtuigd een huis te zullen vinden. Bij een kantoorpand tegenover de bruggen over de Leidsegracht ziet ze een bordje hangen, 'drie hoog te huur’. Binnen is het donker en schamel, maar het uitzicht is magistraal. 'Maar hier kun je niet koken!’ roept Roland Holst nog. 'Ik kán ook helemaal niet koken’, antwoordt Gisèle.
Ze had haar eerste eigen opdracht gekregen, zeven grote gebrandschilderde ramen voor de kerk van Oostrum bij Venray. 'In mijn derde decennium namen christelijke en profane iconen mij geheel in beslag en verrijkten mijn leven’, schrijft ze. 'Engelen vlogen het atelier in en uit. Toen kwam de oorlog en heeft ze verjaagd.’
'De ophaalbrug was ondermijnd en zesentwintig soldaten waren ingekwartierd. Wijlre was een soort fort geworden; Roland Holst vond dat mijn ouders achter de Waterlinie moesten komen. Met Jani vond ik voor hen een huis in Bergen, Jachtduin, aan de Eeuwige Laan.’ In de dagen van de Duitse inval wordt het militaire vliegveld bij Bergen hevig gebombardeerd. Parachutisten dalen neer. Roland Holst en de schrijver Edgar du Perron moeten hun huizen ontruimen en vinden onderkomen op Jachtduin. 'Op de dag van het eerste bombardement mochten Jani en Eddy niet meer naar hun huizen terug. Ze hadden niets bij zich, niet eens een broek. De daaropvolgende dagen mochten ze per dag twee uur naar de Nesdijk gaan, waar Jani woonde, om wat spullen en manuscripten op te halen.’

Op 14 mei volgt de capitulatie. Eddy’s boezemvriend, de schrijver Menno ter Braak, maakt een einde aan zijn leven. 'Dat hoorden we pas later; er gebeurde zo krankzinnig veel, die eerste oorlogsdagen.’ De jobstijding van de capitulatie dringt door als Jani Roland Holst en Bep du Perron per fiets naar de Nesdijk gaan om spullen te halen. 'Eddy voelde zich die dag niet goed en bleef in bed. “Gisèle, wil jij bij Eddy blijven?” vroeg Bep. Ik ging naar boven, naar de twee zolderkamers waar ze bivakkeerden. Ik ben op Eddy’s bed gaan zitten en hij zei: “Gisèle, onder het bed is een schoenendoos. Zou jij die eruit kunnen halen?” Ik pakte de doos en gaf die hem; hij zat vol foto’s. Eddy vertelde zijn levensgeschiedenis, haalde foto na foto tevoorschijn. Indonesië, Parijs, weet ik waar. En toen, ineens, viel hij opzij en ik ving hem op. Een kramp, ik weet niet wat. En Goddank, tegelijkertijd, toen ik hem vasthield in mijn armen, hoorde ik Jani’s stem op de trap, teruggekomen van de Nesdijk. Ik brulde: “Jani, kom!” Hij hoorde de paniek in mijn stem en kwam naar boven met drie treden tegelijk, Bep achter hem aan. In de deur staand zag hij Eddy in mijn armen en rende meteen weer naar beneden. Twintig minuten later was hij terug met de dokter en Eddy was dood.’

ZE KEERT TERUG naar Amsterdam. 'Daarna hielden de handelingen van het noodlot ons bezig’, schrijft ze. 'Ik schilderde de Moira, de Schikgodinnen.’ De Duitse dichter Wolfgang Frommel - zelf niet-joods en bewonderaar van de romantische dichter Stefan George - brengt haar 'de vrienden’, joodse jongens, talentvol en intellectueel. Ze laat de zolderverdieping zien, waar, avond aan avond, Frommel de vrienden gedichten voorleest en onderwijst in Griekse cultuur en neoplatoonse wijsbegeerte. Gisèle heeft er nu haar hemelbed en haar Toscaanse badkamer met eigengemaakte mozaïeken, maar de luiken die, bij gevaar, de zeven onderduikers in een permanente schemer hielden, zijn er nog.
'Ze mochten nooit de gang op, ze mochten nooit bij het raam staan, zodat misschien iemand aan de overkant van de Herengracht ze zag. De vrienden hebben meestal ’s nachts geleefd en overdag geslapen. Ik moest zorgen voor eten en zorgen voor schilderopdrachten. Als ik een opdrachtje had was ik heel blij, of als ik wist waar ik ergens eten kon halen. Wolfgang Frommel was een vader, een vriend en een fantastische professor voor die jongens. Hij heeft ze geestelijk helemaal beziggehouden.’ Van de boekenplanken naast haar bed pakt ze manuscripten, huisgemaakte, prachtig ingebonden gedichtenbundels. 'Het zijn de mooiste cadeaus die ik ooit in mijn leven kreeg.’
Wolfgang Frommel heeft haar leven gered, vindt ze. 'We hebben een aantal keren een razzia gehad. We zaten op een avond in de keuken. We waren, zoals gewoonlijk, aan het lezen. De vrienden hadden de tijd niet om te verdwijnen. Een vriend dook de piano in. Vijf man Grüne Polizei zijn door de kamers gegaan. We moesten allemaal onze papieren laten zien. De commandant heeft toen Claus Bock, die destijds vijftien, zestien jaar was, bij de schouder gepakt. “Er muss mitkommen!” Wolfgang sloot snel de deur van de keuken, de commandant isolerend van zijn troep, zodat we alleen waren met die Gestapo-man. Hij keek hem scherp in de ogen. “Das können Sie nicht tun!” We stonden allemaal ademloos stil. Het was een kwestie van leven en dood. De Duitser heeft zijn hand van de schouder van Claus Bock afgenomen.’
Gisèle’s huis fungeert als doorgangshuis voor joden en niet-joden die aan de Duitsers proberen te ontkomen. Gisèle onderhoudt nauw contact met het verzet. Vorig jaar kreeg ze van de staat Israel de Yat Vashem-onderscheiding. Nu is ze Rechtvaardige onder de Volkeren. 'Een eeuwige naam die niet uitgeroeid zal worden’ (Jesaja 56:5).
'Nu ja, mijn God’, zegt ze, behoorlijk verlegen, 'misschien hebben de vrienden er iets mee te maken gehad. Dat de vrienden het gered hebben, dat we er allemaal levend uitgekomen zijn, was een geweldige bevrijding. Dat was echt een feest, dat je het gehaald hebt, die mensen hebt kunnen redden. De oorlog was voor mij koorddansen. Oppassen bij iedere stap die je zette en bij ieder woord dat je zei. Buiten je vier muren stond je leven ieder ogenblik op het spel, en dat van anderen. Ik liep op een touwtje in de lucht; evenwicht houden, je geestelijk evenwicht bewaren. Op je qui-vive zijn. Iets ongewoons, een ongewoner geluid; het leven was een continu alert-zijn.’ Na de oorlog blijft ze samenwonen met haar onderduikers. 'Je kunt niet veranderen. Die jaren waren zo intensief.’ Twee vrienden, onder wie Claus Bock, wonen er nu nog.

GISÈLE HEEFT 'geen courant, geen televisie en wel een radio die ik nooit afspeel’. Op een receptie op de British Council, begin jaren vijftig, ontmoet ze Arnold d'Ailly, de naoorlogse burgemeester van Amsterdam, die haar vraagt of hij haar naar huis kan rijden. 'Aangekomen bij de dienstauto met vlaggetje en chauffeur vroeg ik: “Hoe kom je aan zo'n auto?” “Die hoort nu eenmaal bij mijn functie van burgemeester”, antwoordde D'Ailly.’
Gisèle schildert slechts. De Ensi, de Nederlandse encyclopedie van 1952, besteedt uitvoerig aandacht aan haar gebrandschilderde ramen in de Mirakelkapel op het Begijnhof. De beschrijving omvat het dubbele 9 aantal woorden dat aan burgemeester D'Ailly is gewijd.
'Ik heb nooit aan trouwen gedacht. Nooit. Want ik herinnerde me dat mijn vader me als meisje gezegd had: “Je moet niet meteen verliefd worden als je kunst gaat studeren in Parijs, want dan kun je je penselen weggooien.” Ik wilde me aan niemand binden.’
D'Ailly nodigt haar uit een glas-in-lood-tentoonstelling in Rotterdam te gaan bezichtigen. Een arbeider duwt met grote inspanning een handkar een brug op. D'Ailly stapt uit en zet zijn schouders eronder. Doet dat de volgende brug weer. 'Het was een fantastisch iemand.’ Bewondering in haar ogen.
'Ik heb toen hij mij hier de eerste keer opzocht, mijn moeder uit Limburg uitgenodigd om met hem te spreken, want ik dacht: wat moet een burgemeester van Amsterdam hier? Hij en mijn moeder kennen vast allemaal Nederlandse families die ik niet ken. Ik leefde volkomen ondergedoken, eigenlijk.’
Ze vond hem 'een bijzonder aardig iemand’. 'Maar ik wil verder niet dat het in de courant komt. D'Ailly en ik hadden begrip voor elkaar. Hij was in de oorlog steeds bezig met gevaarlijke dingen en ook ik had heel moeilijke jaren achter de rug.’
D'Ailly scheidt van zijn vrouw, treedt voortijdig af als burgemeester van Amsterdam en trouwt in 1959 met Gisèle. Ze geeft opening van zaken. 'Het is bekend dat hij gescheiden is. Maar verder hoe of wat, dat gaat geen sterveling aan.’
Zijn studeerkamer is zoveel jaren na zijn dood onaangeroerd. Op het bureau staat nog steeds een kistje 'Burgemeester D'Ailly Sigaren’.
'Hij had nog twee jaar burgemeester moeten zijn’, herneemt ze. 'Zijn gezondheid was ook niet zo sterk. Hij wou een paar jaar nog even wat rustiger leven. Geen burgemeester meer zijn. Als hij ging scheiden, kon hij sowieso niet aanblijven. En ik, ik was nooit met een burgemeester getrouwd, want ik houd niet van gedoe. Maar hij is niet wegens mij opgehouden. Hij had er genoeg van.’

ZE VERTREKKEN naar Griekenland. Vinden op het eiland Paros een kloosterruïne 'te mooi voor de geiten’. Ze mogen de bouwval opknappen en bewonen 'tot het einde van jullie dagen’. Er volgen gelukkige jaren, getuige de vele foto’s van D'Ailly, steevast in shorts en op sandalen. Na acht jaar sterft hij. Gisèle brengt de laatste nachten aan zijn zijde in het ziekenhuis door. 'Het gaat het publiek niet aan. Intieme koek.’
Ze hoopte tot haar dood op Paros te blijven. 'Dat is niet uitgekomen, want er is altijd een slang in het paradijs. Toen ik zeventig werd dacht de man van het eilandbestuur: die Hollandse vrouw moeten we kwijtraken, met dat klooster is iets te doen. Ze wilden er geld mee maken. Er is achter het klooster nu een grote discotheek gebouwd.’
De vrienden, bij Gisèle op bezoek, nemen een steen mee van het eiland. 'Géén marmer. Gewoon een stuk natuursteen, zoals er tienduizenden liggen op Paros’, zegt ze. Een spion registreert het. Gisèle wordt gearresteerd. 'Ik was met een boerin de bedden aan het luchten in het gastenhuis toen de politie me meenam op de boot naar Syros, naar de gevangenis.’ Ze wordt in een cel geworpen - 'steenkoud, met niet eens een courant om op te zitten’ - en de volgende dag voor de rechter geleid. Inmiddels is de auto van de vrienden gevonden en de mythe van Gisèle’s antieksmokkel ontzenuwd. ’(“Mevrouw, alles is in orde”, zei de rechter. Maar niks was in orde. Het serpent had inmiddels jeugd gestuurd om het klooster te bezetten. Ik heb een maand in een hotel gezeten. Toen besloot ik: ik wil niet meer. Ik wilde alleen maar inpakken en weg. Achteraf denk ik dat Johannes de Doper, de patroonheilige van het klooster, mij heeft gered. Het was misschien tijd om weg te gaan. Het toerisme begon net. Het is een allergekst verhaal.’

D'AILLY HAD VAAK naar het belendende pand op de Herengracht gekeken. ’ “Dat is zo'n prachtige ruimte, al die ramen. Het zou een geweldig atelier voor je zijn, Gisèle.” Nu ja, het was net alsof ik de zolder van het Paleis op de Dam als atelier zou ambiëren’, lacht ze. Maar terug uit Griekenland kan ze het ineens kopen. Ze verft alles wit, een stukje Paros in Amsterdam. Grote aantallen schilderijen staan in de rekken, maar een tentoonstelling in het Stedelijk laat op zich wachten. 'Painting is a kind of business racket’, zegt ze schamper. 'Rudi Fuchs heeft gezegd dat hij het boek met mijn schilderijen al ik weet niet hoe lang op zijn tafel heeft liggen. Ik zei: “Dan moet u eens komen kijken.”
Ik vind dat voor ik doodga en alles verspreid wordt, de Amsterdammers iets van mijn werk moeten kunnen zien. Erkenning zoek ik niet; ik leef toch volkomen in de onderduik. Maar veel enthousiastelingen, buitenlanders vaak, zeggen: “Gisèle, dat moet tentoongesteld worden.” De Amsterdammers weten niks van mij.’