FILM

Je leeft of je sterft

The Taking of Pelham 123

Joseph Sargents jaren-zeventigklassieker The Taking of Pelham One Two Three noch Tony Scotts leuke nieuwe remake komt qua stijl, karakterontwikkeling en thematische uitwerking ook maar in de buurt van het bronverhaal: een schitterende thriller uit 1973 van John Godey, schrijversnaam van de in Brooklyn geboren en getogen Morton Freedgood (1913-2006). Godey’s wortels liggen in de hard boiled-stijl, uitgevonden en vervolmaakt door schrijvers als Dashiell Hammett en Raymond Chandler. En James M. Cain, die voelbaar aanwezig is in Godey’s The Taking of Pelham One Two Three, en dan vooral in de wijze waarop de auteur erin slaagt diep in het hoofd te kruipen van hoofdpersonages die met herkenbare problemen worstelen. Juist op dit punt blijven beide filmversies in de schaduw van de roman.
Pelham vertelt een spannend verhaal over een gijzelingsdrama dat zich bijna in real time afspeelt in de claustrofobische omgeving van de New Yorkse metro. De schurk, die samen met een groepje min of meer getrainde mannen een metrotrein kaapt en vervolgens losgeld eist, heeft een anonieme, mythologische naam: Ryder. De rijder. Van de metro. En hij kan dus iedereen zijn. Een Everyman. Schijn bedriegt – hij is dat allerminst. Ryder is een huursoldaat, een kille moordenaar die, in Godey’s roman, een gewelddadig leven in Congo achter de rug heeft. Hij heeft maar één motivatie: geld. In de roman zitten we hem dicht op de huid. Zijn gedachten zijn angstwekkend eenvoudig: ‘No excruciating exploration of possibilities, just the stark profundity of yes or no: you lived or you died.’ Deze cynische, ogenschijnlijk argeloze houding doet denken aan James M. Cain, die ooit zei dat zijn personages slechts geld of seks als beweegredenen hebben. Maar er is altijd een extra laag in dit soort verhalen, ook in Pelham. De roman verscheen een jaar voor het einde van de Vietnam-oorlog. En Ryder, kind van zijn tijd, kampt met desillusie en symbolische demasculinisatie. Vandaar dat Godey, en dus ook de lezer, zich zo goed met hem kan vereenzelvigen. Je hebt met hem te doen, je wil dat hij slaagt, bijna.
In Joseph Sargents filmversie wordt Ryder gespeeld door de magistrale Robert Shaw, die vaak antihelden speelde, bijvoorbeeld de sympathieke, harde zeeman in Steven Spielbergs Jaws (1975). In Tony Scotts versie heeft Ryder ook iets herkenbaars, nu in de gedaante van John Travolta, met ringbaardje. Misschien gaat het te ver om nog iets te verklappen over de motivatie van deze Ryder, behalve dan dat die ook wel effectief aansluit bij de tijdgeest, net als de oude Ryder.
Opvallend is verder dat er in de roman geen sterke, traditionele held is. In de films wel. Tegenover Ryder staat luitenant Garber van de transportpolitie, bij Sargent gespeeld door Walter Matthau, bij Scott vertolkt door Denzel Washington. Een interessante vergelijking: Walter Matthau is een van mijn favoriete acteurs aller tijden, maar in deze rol slaagt hij er werkelijk geen moment in echt diepte aan Garber te geven. De reden hiervoor is dat Matthau simpelweg Matthau speelt. Denzel Washington daarentegen creëert in de nieuwe film juist een schitterende Garber, een Jan Alleman met een vrouw die hem op zijn werk belt en vraagt om toch een fles melk naar huis te brengen. Zo draagt zijn personage bij aan het sterke hoofdthema: in de chaos van de grote stad, met corruptie en geweld op iedere straathoek, toch maar weer aan het einde van de dag levend en eervol uit de strijd treden. En het kan, zo weet Ryder, de originele Ryder, zomaar anders lopen. Je leeft of je sterft. Gek veel andere mogelijkheden zijn er niet.

Te zien vanaf 20 augustus