INTERVIEW MET HERMAN SELDERHUIS

‘Je mag best genieten’

2009 is uitgeroepen tot Calvijn-jaar. Volgens Herman Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis, Calvijn-biograaf en predikant, was de vermaarde reformator veel minder calvinistisch dan alom wordt aangenomen.

RELIGIE WERD LANGE TIJD beschouwd als iets voor mensen wier verstandelijke vermogens onvoldoende ontwikkeld waren, maar de laatste jaren kan het verschijnsel zich in een groeiende belangstelling verheugen. Omdat het op 10 juli vijfhonderd jaar geleden is dat in het Noord-Franse Noyon de roemruchte reformator Johannes Calvijn werd geboren, is 2009 uitgeroepen tot Calvijn-jaar. Niet alleen in Genève, de stad waar Calvijn lange tijd gewerkt heeft, worden activiteiten georganiseerd, ook in Nederland zijn er symposia, komt er in Dordrecht een grote Calvijn-tentoonstelling en verschijnen er tal van boeken.
Het probleem met Calvijn is natuurlijk zijn negatieve imago, en het feit dat het adjectief ‘calvinistisch’ zelden of nooit in positieve zin wordt gebruikt. Hoe is dit ontstaan en in welke mate is dit terecht? Herman Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Apeldoorn, publiceerde onlangs de biografie Calvijn, een mens en is de redacteur van het eveneens recent verschenen, omvangrijke Calvijn handboek, waarin een overzicht wordt gegeven van de laatste stand van zaken wat betreft het onderzoek naar Calvijn. En hoewel Calvijn in Selderhuis’ kringen, de christelijk gereformeerde kerken, in hoog aanzien staat, is zijn benadering alles behalve hagiografisch. In zijn biografie schrijft hij: ‘Ik heb dit boek niet uit vriendschap, noch uit vijandschap geschreven, want ik heb bij Calvijn geen van beide gevoelens. Ik heb eerlijk gezegd bij Calvijn helemaal geen gevoelens.’
Is dit voor een christelijk gereformeerd theoloog geen riskante bekentenis?
Herman Selderhuis: ‘Nou, het is gewoon de waarheid. Ik moest me beroepsmatig met Calvijn bezighouden, maar dat riep nooit echt warme gevoelens op. Ik dacht nooit: wat is dit toch een leuke vent! Maar gaandeweg raakte ik wel gefascineerd door die man, die onbewust een wereldwijde geloofsgemeenschap in het leven heeft geroepen en die ondanks een slechte gezondheid en een turbulente tijd zo’n enorm oeuvre heeft weten te schrijven. Bovendien is het boeiend om na te gaan waarom iemand zowel grote bewondering als mateloze afkeer weet op te wekken. En als je je dan met Calvijn bezighoudt, merk je al snel dat het clichébeeld van een nare, zure fanaticus die er onmenselijke ideeën op nahield gewoon niet klopt.’
Toch moet dat beeld ergens vandaan komen. Tegenstanders van Calvijn wijzen er bijvoorbeeld altijd op dat, terwijl de protestanten overal in Europa werden vervolgd, Calvijn in Genève de Spaanse arts Michael Servet liet verbranden, omdat deze de Drie-eenheid van God ontkende. ‘De zaak-Servet’, zegt Selderhuis, ‘is altijd enorm opgeblazen en wordt dikwijls gebruikt om te suggereren dat Calvijn in Genève een theocratische dictatuur had gevestigd, waar onophoudelijk de brandstapels rookten. Stefan Zweig heeft bijvoorbeeld in 1936 een roman geschreven waarin hij Calvijn zo zwart neerzette dat zelfs een analfabeet de analogie met Hitler niet kon ontgaan. In werkelijkheid is tijdens Calvijns verblijf in Genève slechts één persoon om geloofsredenen ter dood gebracht, en dat was Servet. Nu was deze in het katholieke Frankrijk reeds ter dood veroordeeld, en zou hem dat ook in een lutherse staat zijn overkomen. Kerk en staat waren indertijd nog nergens gescheiden en het ontkennen van de Drie-eenheid was overal een misdaad waar de doodstraf op stond. Het was voor Calvijn knap beroerd dat Servet, die dus overal gezocht werd en die over het vraagstuk van de Drie-eenheid al eerder ruzie met Calvijn had gehad, uitgerekend naar Genève kwam.
Wat meestal wordt vergeten, is dat Calvijn nooit deel uitmaakte van het stadsbestuur en dat hij helemaal niet in de positie was om wie dan ook ter dood te veroordelen. Op dat moment was zijn positie in Genève bovendien heel precair en bevond zijn invloed zich op een absoluut dieptepunt. Daarbij heeft Calvijn er nog voor gepleit het vonnis te verzachten en de man te laten onthoofden, wat een aanzienlijk mildere straf was. Wel is het waar dat Calvijn Servet bij de autoriteiten heeft aangegeven, nadat hij hem in een herberg had herkend, maar dat achtte hij gewoon zijn burgerplicht. Servet was volgens de wetten van die tijd een gezochte crimineel. Voor ons is dat allemaal erg cru, maar je moet het natuurlijk wel enigszins in zijn historische context zien.’
Het is vooral Calvijns predestinatieleer die door veel mensen als beklemmend wordt gezien. Al voordat een mens geboren wordt, heeft God bepaald of hij in de hemel komt of voor eeuwig verdoemd zal zijn. ‘Ook dit’, nuanceert Selderhuis, ‘moet je in zijn context zien. De katholieke kerk leerde dat je als gelovige je plaats in de hemel moest verdienen, onder meer door deugdzaam te leven en het doen van “goede werken”. Om Calvijn te begrijpen moet je beseffen dat hij de predikant was van Franse vluchtelingen, die om geloofsredenen hun toevlucht in Genève hadden gezocht. Die mensen hadden hun uiterste best gedaan om een godvruchtig, deugdzaam leven te leiden, en die waren toch alles kwijtgeraakt en leefden in grote onzekerheid en vertwijfeling. Calvijn trachtte hen te troosten en te kalmeren. Hij zei: doe nou maar rustig aan, maak je niet te veel zorgen. Je leven ligt vast, als God jou uitverkoren heeft komt het vanzelf goed, ook al ben je er op het einde nog zo beroerd aan toe. Dus waar Rome de mensen opjoeg, omdat je nooit wist of je wel genoeg had gedaan om in de hemel te komen, bood Calvijn rust.’
Je weet toch niet of je uitverkoren bent?
‘Als het goed is merk je dat op zeker moment, dan komt die rust, die zekerheid over je. Het probleem met Calvijn is dat hij de neiging heeft zaken helemaal tot het einde door te denken. Tot op een punt waarop ik zou zeggen: hou op! Wat je hem kunt verwijten is dat zijn interpretatie van de Bijbel te schematisch is. In de Bijbel wordt de waarom-vraag wel gesteld, maar niet beantwoord. Christus vraagt aan het kruis: “Heer, waarom hebt Gij mij verlaten?” Daar komt geen antwoord op, maar het is alsof Calvijn onder het kruis staat en roept: “Nou, dat wil ik U wel even uitleggen!” Hij wil te expliciet zijn.
Aan de andere kant heeft hij zijn interpretatie van de Bijbel echt niet helemaal uit zijn duim gezogen en mag je niet vergeten dat het leerstuk van de predestinatie al bij Augustinus voorkomt. Wat Calvijn doet is het passend maken van oosters denken, de Bijbel dus, op westerse mensen. Het is de vraag of dat wel helemaal mogelijk is. Als je problemen hebt met de predestinatie moet je je afvragen of je ook geen problemen met de Bijbel hebt. Je zou Calvijn dus kunnen beschouwen als de boodschapper van “slecht nieuws”, van iets wat je eigenlijk niet wilt horen.’

Uit uw biografie blijkt dat Calvijn ook door zijn volgelingen vaak verkeerd begrepen werd, en dat hij in veel opzichten veel minder rigide was dan veel mensen die tegenwoordig ‘calvinist’ worden genoemd.
‘Dat klopt. Die discrepantie tussen Calvijn en het beeld dat veel mensen van hem hebben, ook velen die zich calvinist noemen, heeft een aantal oorzaken. Om te beginnen mag je niet vergeten dat Calvijn heel lang nauwelijks gelezen werd. Begin negentiende eeuw behoorden zijn geschriften niet tot de verplichte examenstof voor theologiestudenten. Geleidelijk kwam daar verandering in, en het is vooral Abraham Kuyper geweest die van Calvijns ideeën een complete ideologie maakte. Zijn neocalvinisme heeft echter slechts ten dele iets te maken met het denken van Calvijn.
Daarbij speelt een rol dat voorzover men Calvijn las men zich beperkte tot zijn Institutie, de uiteindelijk tot drie dikke delen uitgegroeide systematische uiteenzetting van zijn theologie. En vaak las men daar slechts een soort samenvatting van. Het idee dat alles wat Calvijn te zeggen had in de Institutie te vinden was, heeft negatief uitgepakt. Wie niet ook zijn preken en vooral zijn brieven bestudeert, krijgt een vertekend portret van Calvijn. Vooral uit zijn brieven komt hij naar voren als iemand die heel menselijk is, die mededogen heeft, mensen wil troosten, die ook vrij pragmatisch kan zijn. Van de meedogenloze dogmaticus die spijkerhard stelt dat alles wat er gebeurt de wil van God is en daarom dus goed is, vind je in zijn brieven niet veel terug.
Ik heb zelf bij een begrafenis meegemaakt dat een vader zijn kleine kinderen verbood te huilen omdat hun moeder was overleden, omdat dit immers de wil van God was. Een dergelijke harteloosheid zul je bij Calvijn niet aantreffen. Ook in alledaagse zaken is hij vaak helemaal niet zo benepen. Van de overdreven ascese die je bij sommige katholieken vond moest hij niets hebben, en het idee dat seksualiteit uitsluitend dient ter voortplanting vond hij zelfs een uitvinding van de duivel. In een van zijn brieven schrijft hij dat hij op straat een vrouw zag die hij heel aantrekkelijk vond, en dat wanneer zijn vrouw zou zijn overleden, zij die plaats best zou mogen innemen. Nou, ik weet niet hoe het bij u is, maar ik hoef daar vanavond niet mee thuis te komen.
Het idee dat genieten zondig is, dat bij veel orthodoxe protestanten leeft, is niet van Calvijn afkomstig. Dat komt veeleer van de Engelse puriteinen uit de zeventiende eeuw, die hier veel invloed hebben gehad. Van Calvijn mocht je best genieten, al was het natuurlijk met mate, het leven draait niet om genot. Ook reisde hij op zondag, iets wat in onze kringen nog steeds behoorlijk taboe is. En als predikant mag ik dan op zondag wel door het hele land jakkeren om te preken, ik moet het niet in mijn hoofd halen op zondag te tanken, zelfs niet bij een onbemand pompstation. Dan verdienen mensen aan je, en dat hoort niet op de dag des Heren. Als ik me even soepel en ontspannen zou opstellen als Calvijn, dan kon ik mijn baan wel eens snel kwijt zijn.’
Er valt in eigen kring dus nog zendingswerk te verrichten?
‘Ach, men weet gewoon niets van Calvijn. Laatst werd ik door iemand aangesproken, en die zei: “Professor, wat u over Calvijn zegt zal vast waar zijn, maar ik had het liever niet geweten.” Die houding is in onze kringen vrij sterk. Eerlijk gezegd zou ik wel wat meer openheid en souplesse wensen, dat er wat minder krampachtig met allerlei regels werd omgegaan. Maar aan de andere kant, moet je het helemaal loslaten? Is het zo geweldig om op zondag onder de voet te worden gelopen op de meubelboulevard? Kun je je gedurende één dag in de week niet met iets anders bezighouden dan met materiële zaken?’