Essay: De Beatles van de comedy

‘Je moeder was een hamster en je vader rook naar vlierbes’

Van de papegaai die het niet meer doet tot het ministerie van Malle Loopjes – leuker kan absurd niet zijn. En absurder kan leuk niet zijn. Het geniale van Monty Python was dat ze nergens respect voor hadden.

Medium mp14507809

In 1968 maakte een groep jonge Britse komieken een tv-special genaamd How to Irritate People. Deze show, die was bedoeld voor de Amerikaanse markt, moest de Amerikanen enthousiasmeren voor een nieuwe golf Britse comedy. Die doelstelling werd niet verwezenlijkt, maar een van de sketches is van groot belang voor de archeoloog van de humor. Die sketch, geschreven door een paar afgestudeerden van de Universiteit van Cambridge, John Cleese en Graham Chapman, speelt zich af in de werkplaats van een sjofele autoverkoper. Een ontevreden klant, gespeeld door Chapman, brengt zijn nieuwe auto terug en heeft een paar klachten: de koppeling slipt en de remmen werken niet. En voordat de sketch voorbij is, zijn ook de deuren van de auto af gevallen.

Maar de gehaaide verkoper – gespeeld door de veelbelovende komiek Michael Palin – heeft overal een antwoord op. ‘Je moet nu eenmaal rekening houden met kinderziekten bij die nieuwe modellen’, zegt hij. In het echte leven had Palin zelf ooit een ondeugdelijke auto gekocht, en hij had Cleese getrakteerd op imitaties van een onverstoorbare dealer. In de resulterende sketch, die je op YouTube kunt vinden, hebben zij zich een paar komische vrijheden veroorloofd in vergelijking met de werkelijke ervaringen van Palin – een paar, maar niet genoeg. Net als een hoop beginnerswerk is de sketch nog te respectvol jegens de conventies en de letterlijke waarheid om werkelijk onderscheidend te kunnen zijn.

Ongeveer een jaar later bood de bbc Cleese een eigen serie aan. Hij was geïnteresseerd, maar wilde niet de ster van de show zijn. Hij gaf er de voorkeur aan zichzelf te omringen met een team van de slimste jonge Britse schrijvers-performers. Chapman, die samen met Cleese sketches schreef sinds hun tijd bij de Footlights Club van Cambridge, kwam als eerste aan boord. Cleese wilde ook Palin laten meedoen, maar intussen had deze een eigen team om zich heen verzameld met wie hij het kinderprogramma Do Not Adjust Your Set maakte. Cleese, die dat programma bewonderde, wilde Palin zo graag hebben dat hij er drie van zijn medewerkers bij nam. Een van hen was de enthousiaste Welshman Terry Jones, met wie Palin had samengewerkt in Oxford. De tweede was Eric Idle, een andere oudgediende van Cambridge. En de derde was de louche ogende Amerikaan Terry Gilliam, die naar Londen was gekomen om als cartoonist en illustrator te werken, en vage aspiraties had om films te gaan regisseren.

De nieuwe ploeg bestond dus uit zes mannen, verdeeld in drie schrijverseenheden – Cleese en Chapman, Palin en Jones, en Idle, die in z’n eentje werkte en zich specialiseerde in liedjes en monologen. Gilliam werd alleen gelaten om aan zijn animaties te werken. Hun show zou aanvankelijk bestaan uit dertien afleveringen van een half uur; maar hoe moest hij nou heten? Het team flirtte met een lange lijst mogelijkheden – Will Strangler’s Flying Circus, E. L. Moist’s Flying Circus – voordat ze op de naam uitkwamen die bleef hangen: Monty Python’s Flying Circus.

Terwijl ze materiaal aan het verzamelen waren voor hun nieuwe project grepen Cleese en Chapman nog maar eens terug op het idee van de autoverkoper. Daar scholen nog onbenutte mogelijkheden in, dacht Cleese. Als ze de scène nu eens naar een dierenwinkel verplaatsten? En als de ondeugdelijke auto veranderde in een dood dier? Bijvoorbeeld een hond. Of een papegaai.

De sketch met de dode papegaai beleefde zijn première in episode 8 van Monty Python’s Flying Circus, die in Groot-Brittannië werd uitgezonden op 7 december 1969. De sketch had alles in zich wat kenmerkend was voor de nieuwe show: het ongeduld met de oude formele regels, en het vermogen om van goede ideeën kleine juweeltjes te maken. De sketch met de autoverkoper was over de absurditeit van slechte dienstverlening gegaan, maar dan op een naturalistische manier: hij begon met een plausibele situatie, die gaandeweg steeds idioter werd. De papegaaiensketch zet die aanpak op z’n kop. Hij is vanaf het allereerste begin al absurd, maar die absurditeit vertegenwoordigt een compacte, droomachtige manier van het vertellen van de waarheid. Ditmaal was de rol van de gekrenkte klant voor Cleese – die hem niet speelde als een doodnormaal iemand, maar als een weirdo met een regenjas aan en brylcreem in zijn haar. In de wereld van Monty Python is zelfs iemand met een doorsnee-uiterlijk een grote gek. En de ontkenningen van wat niet kan worden ontkend door de verkoper – opnieuw gespeeld door Palin – zijn van een existentiële stoutmoedigheid: hij is bereid om te beweren, en dat te blijven doen, dat de overduidelijk morsdode papegaai alleen maar slaapt. Cleese, die het dierenlijkje verontwaardigd in de lucht houdt, is het slachtoffer van de ultieme – archetypische – oplichterij, maar hij blijft op en top een Engelsman. Hoe maf hij ook is, hij weigert zich over de toonbank heen te buigen om Palin een dreun te verkopen. Taal is het enige wapen dat hij tot zijn beschikking heeft. Dus zijn ingehouden woede verandert langzaam in een stortvloed van steeds barokkere synoniemen voor de dood, door Cleese en Chapman bijeengesprokkeld met behulp van een thesaurus.

Als deze uitbarsting van manische poëzie voorbij is, doen de Pythons geen moeite de papegaaiensketch op een ordentelijke manier te laten aflopen. Ze vinden de speurtocht naar een punchline maar saai. In plaats daarvan valt de sketch uiteen in een reeks bizarre uitweidingen, totdat het personage van Cleese zich uiteindelijk tot de camera wendt en verklaart dat de situatie domweg ‘te idioot’ is geworden. En dat is het dan: we gaan verder met het volgende onderwerp. Ik geef toe dat er mensen zijn die de papegaaiensketch helemaal niet grappig vinden. Ik ken een paar van hen persoonlijk. Zij kunnen niets met de aanblik van Cleese in zijn regenjas, die met een dode papegaai zwaait en zegt: ‘It’s bleeding demised’ (‘Hij is verdomme ter ziele!’). Ik ken ze wel, maar ik kan ze niet helpen.

In de tijd van de dvd-box lijkt het een merkwaardige onderneming om een verzameling televisiescripts van Monty Python te publiceren. Voor wie is dit boek bedoeld? Voor Python-fans zonder televisie? Net als de meeste van dit soort uitgaven is All the Bits een luxe-editie. De layout is toepasselijk kleurrijk en carnavalesk; de pagina’s wemelen van de screenshots en modieuze lettertypes. De annotaties van Luke Dempsey zijn soms nogal neerbuigend – daar kom ik zo nog op terug – maar grotendeels amusant en ter zake doend. Over het geheel genomen is het boek er op lovenswaardige wijze in geslaagd de geest van Python op het papier te krijgen.

De dwaasheid van Python was extreem, maar werd gecompenseerd door het vernuft en de intellectuele achtergrond van het team

Vermoedelijk is het bedoeld voor al diegenen onder ons die de dvd’s al hebben, maar nog steeds de hand willen leggen op nieuwe Python-producten. Python-liefhebbers zullen dat altijd willen doen, zelfs als die ‘nieuwe’ producten in deze tijd onvermijdelijk oude producten zijn, herverpakt en hoogstens uitgedost met een paar nieuwe versierselen.

De Pythons hebben als team sinds 1983, toen zij met de film The Meaning of Life kwamen, niets nieuws meer voortgebracht. Het vooruitzicht van een complete reünie was in 1989 definitief voorbij, toen Graham Chapman aan kanker overleed. Sindsdien zijn de overlevende leden van het team zo nu en dan nog bijeengekomen voor een groepsinterview. Ze hebben op weinig overtuigende wijze gezinspeeld op toekomstige samenwerkingen. Individuele Pythons hebben wel spin-off-projecten gedaan – vooral Eric Idle, die een Broadway-hit had met de musical Spamalot. Maar de vijf overlevende Pythons leven nu allemaal in andere delen van de wereld, en de kans dat zij ooit weer iets samen zullen doen is klein.

Hun enorme invloed in aanmerking genomen, kenden de Pythons een verrassend korte productieve carrière. Wat hen ánders maakte – wat hen tot de Beatles van de humor maakte – was het ongekend hoge wattage van hun gezamenlijke energie. Er staan absurd veel klassieke scènes tegenover de weinige missers. Tussen 1969 en 1973 maakte het oorspronkelijke team drie seizoenen, van dertien episodes elk. Aan het eind van het derde seizoen trok Cleese zich terug uit de show; hij vond dat ze door de goede ideeën heen waren. De anderen gingen zonder hem nog een seizoen door, dat uit slechts zes afleveringen bestond. De onsamenhangendheid van die laatste episodes onderstreepte het gelijk van Cleese. De Pythons waren op de grenzen van het medium televisie gestuit, of op hun eigen grenzen. Nadat ze de televisie voorgoed vaarwel hadden gezegd, vond er een hereniging met Cleese plaats en begonnen ze aan hun eerste filmscenario.

De Pythons waren al eerder in een film verschenen, And Now for Something Completely Different (1971), waarvoor ze een paar van hun eerste sketches opnieuw hadden opgenomen. Die film, waarover de Pythons weinig creatieve controle hadden, was bedoeld geweest voor hun doorbraak in de Verenigde Staten, maar bleek een flop. Pas in 1974, toen het eerste seizoen van het Flying Circus door pbs werd uitgezonden, begon de Amerikaanse reputatie van Monty Python serieuze vormen aan te nemen. De verkoop aan pbs was in meer dan één opzicht een uitkomst: toen de zender zijn belangstelling kenbaar maakte, stond de bbc op het punt de tapes te wissen voor hergebruik.

In 1975 kwam de eerste echte Python-film uit, het krakkemikkige maar geestige Monty Python and the Holy Grail. Daarna volgde Life of Brian (1979) – het meesterwerk, op provocerende wijze gesitueerd in het Judea uit de tijd van Christus. The Meaning of Life, de laatste film, was daarentegen een teleurstelling. Hij zag er beter uit dan de eerdere films van Python, maar de veel te lange scènes wezen erop dat de voorheen zo wonderbaarlijke creatieve krachten van Python aan het wegkwijnen waren. Zou Python zijn doorgegaan met het maken van films als Chapman niet was overleden? The Meaning of Life heeft een geforceerde, synthetische kwaliteit die je daaraan doet twijfelen.

De 45 televisie-afleveringen blijven de ruggengraat van de prestaties van Monty Python. Als je de scripts leest, begrijp je wel waarom de formule als tv-programma geen lang leven beschoren was. In het format werd al het goede materiaal er als een bezetene doorheen gedraaid. In geen enkele andere humoristische serie in de geschiedenis van de tv zijn zo veel briljante ideeën in zo korte tijd samengebald. Neem Pythons morse-versie van Wuthering Heights. De Pythons hadden niet alleen het vernuft om dit idee te bedenken, ze hadden ook het cruciale inzicht om de scène niet op te rekken tot een sketch van vier minuten. Ze namen slechts twee minuten de tijd om de rijke mogelijkheden ervan te oogsten – Heathcliff en Catherine die met vlaggen naar elkaar zwaaien aan weerszijden van een groot heideveld, met verklarende ondertitels; de echtgenoot van Catherine die haar, boos vlaggend, tot de orde roept; een huilende baby die twee vlaggetjes uit zijn wiegje steekt – en gingen weer verder. Dat konden ze zich ook veroorloven, want de andere ideeën die ze hadden waren net zo goed.

Als een sketch over stakende mijnwerkers te lang dreigt te duren, schakelen we over naar een nieuwslezer (Palin) die een paar urgente berichten voorleest. ‘En ten slotte heeft Engeland Spanje vanavond bij de Internationale Misselijkmakende Voorwerpen op Wembley verslagen met een bord gekookte pus tegen een weerzinwekkend ranzige reiger.’ Een minder geïnspireerd schrijversteam zou van dat idee een hele sketch hebben gemaakt, zo niet een hele aflevering van een half uur. Maar voor Python hoeft het idee slechts even lang te duren als Palin erover doet om het uit te spreken.

Medium mp14538116
Ze bedienden zich op zo’n levendige manier van de taal dat intellectuelen hun zinnen nog steeds citeren alsof het poëzie is

Toen Monty Python ten tonele verscheen, was de gemiddelde comedyshow op tv een toneelstukje waar een paar camera’s op waren gericht. De Pythons veroorloofden zich vrijheden met het medium die leken op de manier waarop de door hen bewonderde Goons met het medium radio waren omgegaan. Ze deden dingen die je alleen op tv kon doen. Als ze daar zin in hadden, lieten ze de titelsequentie al halverwege het programma zien. Zich voordoend als bbc-functionarissen verontschuldigden zij zich voor de inhoud van hun eigen sketches. Als hun ideeën niet goed op elkaar aansloten, maakte Gilliam een minuut of twee aan animaties om ze aan elkaar te plakken. In de nachtmerrie-achtige logica van zijn scènes – waarin tekenfilmfiguren voortdurend worden onthoofd of hun armen en benen verliezen – wordt de gewelddadige onvoorspelbaarheid van de sketches weerspiegeld.

De Pythons waren de meesters van de nevenschikking: hun kenmerkende procédé was iets zeer opvallends in een verkeerde context te plaatsen. Opzichtig verkleed als personages uit de geschiedenis of de hoge cultuur doken zij plotseling op bizarre wijze op in de druilerige, regenachtige werkelijkheid van het Engeland van de jaren zeventig. De Spaanse Inquisitie stormt met veel bombarie een paar huiskamers van de Britse middenklasse binnen. Picasso maakt al fietsend op de A29 een schilderij. In een galerie stappen de personages van alle schilderijen uit hun doeken om te gaan staken. (In het eerste deel van zijn zeer leesbare Dagboeken, verschenen in 2006, herinnert Michael Palin ons eraan dat het Groot-Brittannië uit de tijd van Monty Python een slecht functionerend land was, dat werd geplaagd door stakingen en stroomuitval.)

De Pythons haalden hetzelfde soort geintjes met nevenschikking uit door te spelen met de taal: in hun meest geciteerde zinnen is sprake van een plotseling, scherp contrast tussen hoogdravende woorden en slang. ‘It’s probably pining for the fjords’ (‘Hij snakt waarschijnlijk naar de fjorden’) zegt Palin in de papegaaiensketch, in een poging om de pijnlijk zichtbare rigor mortis van de Norwegian Blue-papegaai uit te leggen. Net als kardinaal Ximinez die in iemands huiskamer binnenspringt, dringt het exotische woord de nietsvermoedende zin binnen. ‘Hij is de Messias niet, hij is een hele stoute jongen’, zegt Brians moeder in Life of Brian. Als mensen iets ‘pythonesk’ noemen, doelen ze op dit soort effecten. De Pythons bleven verheven thema’s de context van het gewone dagelijks leven in Groot-Brittannië binnen trekken, waardoor de absurditeit van beide werd blootgelegd.

‘Slechts zij die in staat zijn tot dwaasheid’, schreef Christopher Isherwood, ‘kunnen werkelijk intelligent worden genoemd.’ Palin citeert deze uitspraak met instemming in zijn Dagboeken. De dwaasheid van Python was beslist extreem, maar werd gecompenseerd door het vernuft en de intellectuele achtergrond van het team. Ze haalden fysieke toeren uit, waar een kind dat nog niet kan praten om kan lachen, maar ze bedienden zich ook op zo’n levendige manier van de taal dat intellectuelen hun zinnen nog steeds citeren alsof het poëzie is. Toen Christopher Hitchens een paar jaar voor zijn dood een toespraak hield in het Sydney Opera House vroeg het publiek om een toegift. Hitchens voldeed aan dat verzoek door uit zijn hoofd het ‘dronken filosofenlied’ van Python op te dreunen: ‘John Stuart Mill of his own free will/ On half a pint of shandy was particularly ill…’ (‘John Stuart Mill was uit eigen vrije wil behoorlijk ziek geworden van een groot glas shandy’).

De Pythons wisten waar ze mee bezig waren: en als ze dat niet deden, lazen ze wel even bij. Toen ze onderzoek deden naar de Middeleeuwen voor Holy Grail kwamen ze erachter dat het beschimpen van de vijand een algemeen gehanteerde tactiek was bij middeleeuwse belegeringen, evenals het met een katapult afschieten van dode dieren. Dus kent de film een scène met Cleese als Franse uitjouwer, wiens vreemde kreten vanaf de kantelen (‘Je moeder was een hamster en je vader rook naar vlierbes’) wordt gevolgd door het katapulteren van een dode koe.

In het tijdperk van Monty Python deden schrijvers als Woody Allen iets vergelijkbaars in Amerika: ze schreven populaire, slapstick-achtige dingen, die ter inspiratie leentjebuur speelden bij de geschiedenis en de hoge cultuur. Wat is het sindsdien hard achteruit gegaan! De meeste hedendaagse comedy’s lijken in vergelijking hiermee doelbewust ondervoed. Het geeft tegenwoordig geen pas om méér te weten dan je publiek.

De Pythons hadden natuurlijk het geluk dat de lucht destijds nog niet was vergiftigd door de bitterheid van de cultuurstrijd. De mensen waren minder gespannen. Dat moet haast wel: want hoe had het team anders weg kunnen komen met een paar andere zaken uit hun scripts? Die puilen uit van de verwijzingen naar dagos en wops (slang voor ‘Italianen’), fairies en ponces (slang voor ‘homo’s). Vrouwen met grote borsten dragen jurken met een diep uitgesneden decolleté en worden besprongen. De naam van een van de opgevoerde typetjes is Mrs. Nigger-Baiter (‘mevrouw de negertreiteraar’). Een vrouwenclubje speelt de slag bij Pearl Harbor na, nadat de vrouwen zich eerder al hadden vergrepen aan ‘een buitengewoon populair re-enactment van Duitse oorlogsmisdaden’. Graham Chapman, die iemand speelt die denkt dat hij joods is, heeft een enorme neus van polystyreen. Diverse Pythons komen met schoensmeer op hun gezicht in beeld. Chapman speelt ‘a Chinaman’ (een spleetoog).

Gelukkig is Luke Dempsey als samensteller van dit boek bij de hand om de Pythons op de vingers te tikken voor hun falen om rekening te houden met onze huidige mores. Als Chapmans Chinaman aan de beurt is om zijn tekst uit te spreken, komt Dempsey tussenbeide met de opmerking dat ‘onze moderne of zelfs postmoderne oren dit namaak-Chinese accent moeilijk verteerbaar vinden’. En als het script erom vraagt dat een kunstcriticus, gespeeld door Palin, zijn vrouw wurgt, staat de samensteller opnieuw met zijn handen te wringen: ‘Deze terloopse, gewelddadige vrouwenhaat komt op de moderne kijker als vreselijk lomp over.’

De Pythons hadden het geluk dat de lucht destijds nog niet was vergiftigd door de bitterheid van de cultuurstrijd

Nou, het is goed om te weten dat de samensteller geen voorstander is van moord binnen het huwelijk. In zijn ijver om ons dit duidelijk te maken, dreigt Dempsey nogal humorloos over te komen; maar tegenwoordig maakt zelfs een analist van het werk van Monty Python blijkbaar liever een humorloze dan een cultureel ongevoelige indruk. Soms kinkt Dempsey als een Victoriaanse uitgever van Shakespeare, die de dichter een reprimande geeft omdat hij Hamlet zulke obscene dingen uit de tijd van Elizabeth laat zeggen. Hij gaat er spoorslags van uit dat onze waarden meer verlicht zijn dan die van de Pythons; hij is er zeker van dat we sindsdien flinke progressie hebben geboekt. Maar hoe ver is dat eigenlijk als we nu behoefte hebben aan voetnoten om elkaar te verzekeren dat we er niet mee instemmen dat mannen hun echtgenotes wurgen? Zijn we echt zo bang voor elkaar geworden?

Ongetwijfeld zijn we in bepaalde opzichten ook méér verlicht dan de Pythons. Maar we zijn ook iets kwijtgeraakt – een algemene ongedwongenheid en rust. Het is moeilijk om naar die oude Python-shows te kijken zonder nostalgisch te worden naar de tijd dat de wereld nog een beter gevoel voor humor had. Die jongens hadden geen disclaimers nodig om ons ervan te verzekeren dat als ze net deden of ze een vrouw wurgden ze alleen maar een grapje maakten. Ze vertrouwden erop dat hun publiek dit wel door had. Ja, ze waren losser in hun taalgebruik dan wij. Maar daar waren ze los in op dezelfde onschuldige jaren-zeventigmanier waarmee ze in alles ‘los’ waren: hun losbandige haardracht, hun willekeurige spot, hun bleke, niet afgetrainde naakte lichamen waarmee ze als het maar even kon voor de camera verschenen. Ze gebruikten vrijelijk woorden als poof (‘nicht’); één lid van het team, Graham Chapman, was openlijk homoseksueel. Niets van dit alles kwam op hun publiek als wereldschokkend over.

Het is jammer dat het woord ‘oneerbiedig’ zijn gewicht heeft verloren, zodat het louter een synoniem van ‘brutaal’ lijkt te zijn geworden. De Pythons waren in de diepst mogelijke betekenis van het woord ‘oneerbiedig’. Ze hadden nergens automatisch respect voor. Om alles mocht gelachen worden: religie, nationale verschillen, kannibalisme, Hitler, martelingen, dood, kruisiging. Ze schiepen een parallelle wereld waarin niets serieus was. Ze waren als jongens. Ze waren niet alleen niet bang, ze wisten niet eens dat ze bang moesten zijn.

Hedendaagse komieken kunnen niet terug naar die tijd van vóór de ‘zondeval’. Zij kunnen wél onze huidige taboes ter discussie stellen of schenden, maar niet net doen alsof ze er niet van op de hoogte waren. Er zijn na het werk van Python genoeg goede comedy’s geweest, maar het merendeel daarvan was de comedy van de ‘sociale angst’, waarin werd gebalanceerd op het slappe koord tussen wat wel en wat niet gezegd mag worden. De schrijvers van Seinfeld, de slimste tv-show van het tijdperk na Python, wisten dat ze plengoffers moesten brengen. Toen Elaine uitging met een man wiens etniciteit dubbelzinnig was – ze wist niet of hij zwart of blank was – vond ze dat probleem zo lastig dat ze George en Jerry om advies vroeg. ‘Moeten we hier wel over praten?’ vroeg George. ‘Ik denk echt dat we hier niet over moeten praten.’

De Pythons hadden geen last van dergelijke angsten: ze spraken over alles waar ze maar over wilden spreken. Er waren natuurlijk wel bepaalde woorden die ze niet mochten gebruiken. Naar onze hedendaagse normen was een aantal van de verbale restricties die aan Flying Circus werden opgelegd belachelijk draconisch. Alle drieletterwoorden, behalve de alleronschuldigste, waren verboden. Van de bbc mochten ze het woord ‘masturberen’ niet uitspreken; toen abc in 1975 een serie hoogtepunten uitzond, werd de zinsnede naughty bits (een verwijzing naar tepels en genitaliën) weggebliept.

Maar afgezien van deze beperkingen van het taalgebruik genoot Python opmerkelijk veel vrijheid om te beledigen. De begrafenissketch, het slotstuk van het tweede seizoen van Flying Circus, staat nog steeds te boek als een van de meest ongehoorde staaltjes comedy ooit. Als Cleese al na het tweede seizoen was vertrokken en niet pas na het derde, zoals hij ooit had gedreigd, was de begrafenissketch misschien wel het laatste geweest wat het hele team ooit samen had gedaan. Het zou een toepasselijk vreemd soort zwanenzang zijn geweest. Als je die sketch voor het eerst ziet, is het een merkwaardige, enigszins schaamtevolle ervaring. De lach komt ergens diep bij je binnen vandaan, geheel tegen je eigen wil.

De sketch vindt plaats in een mortuarium. Achter de balie staat een tot in de puntjes geklede uitvaartondernemer, gespeeld door Chapman. Cleese komt binnen als een plechtig kijkende jonge man, wiens moeder zojuist is overleden. Chapman barst los in een liederlijk Cockney-accent en geeft een indringende beschrijving van de voors en tegens van de diverse opties die hem ter beschikking staan – met name de tegens. (‘Als we haar begraven, wordt ze opgegeten door wormen en nare maden, wat, zoals ik al eerder zei, enigszins als een schok zal komen als ze nog niet echt dood is.’) Cleese’s personage kijkt verbijsterd, maar heeft daar niet echt het recht toe – het blijkt dat hij het lijk van zijn moeder in een juten zak heeft binnengebracht. Chapman kijkt in de zak en stelt voor dat ze het lichaam opeten. Cleese geeft toe dat hij wel een beetje ‘hongerig’ is, maar vraagt zich af of het echt een goed idee is om zijn dode moeder op te eten. En dan riposteert Chapman: ‘Kijk, ik zal je wat zeggen. We eten haar op. En als je je dan naderhand ietwat schuldig voelt, kunnen we een graf delven, zodat je daarin kunt overgeven.’ Python hield niet zo van punchlines, maar deze kan zo de geschiedenisboekjes in.

De bbc vond de begrafenissketch maar niks, maar legde Python geen strobreed in de weg – op voorwaarde dat de afkeuring van het studiopubliek kon worden gehoord en gezien. Er werd steeds vaker ‘boe’ geroepen naarmate de sketch vorderde. En toen Chapman die fantastisch ranzige punchline uitsprak, bestormde het publiek het toneel. Dit was een ongebruikelijk goed doordachte daad van censuur: de begrafenissketch was een doelbewuste aanval op een universeel taboe. Het was daarom zinvol om te laten zien dat het publiek zich beledigd voelde – als dat niet zo was geweest, zou er iets grondig mis zijn geweest. Maar een hoop mensen moest ook lachen: dat was het bewijs dat beledigd worden niet het einde van de wereld is, en zelfs gezond zou kunnen zijn.

Ze waren in alles los: hun haardracht, hun willekeurige spot, hun bleke, niet afgetrainde lichamen waarmee ze voor de camera verschenen

Toen de Pythons overstapten van tv naar film waren ze betrekkelijk vrij om zich te bezondigen aan grof taalgebruik – als ze dat hadden gewild. Maar dat gebeurde maar zelden: ze interesseerden zich meer voor de subversieve mogelijkheden van het godslasterlijke gedachtegoed. In Life of Brian zit een scène waarin Brian, gespeeld door Chapman, de toorn wekt van een joodse revolutionair, gespeeld door Cleese. In de oorspronkelijke montage van de film gaf het personage van Cleese blijk van zijn ongenoegen door ‘You cunt!’ (‘Klootzak!’) te roepen, maar in de uiteindelijke montage werd die zinsnede vervangen door ‘You klutz!’ (‘Klungel!’). Python bracht deze verandering om artistieke redenen aan, niet om de censor te plezieren. De godslastering van deze scène was gewoon te goedkoop, en de film had hardere klappen voor het geloof in petto.

Brian is Pythons meesterwerk, vanwege de zelfverzekerdheid waarmee de film goochelt met het maffe, het slimme en het heilige. Het situeren van een komedie in de tijd van Christus was zelfs in 1979 een gewaagd avontuur. Vandaag de dag zou zo’n project de eindstreep zeker niet halen. Niet dat Python erop uit was om de spot te drijven met Jezus, die in de hele film maar twee keer heel eventjes in beeld komt. In plaats daarvan werd Brian in het leven geroepen, wiens leven wel bepaalde parallellen vertoont met dat van Christus (hij wordt in dezelfde nacht geboren en aangezien voor een profeet), maar die nadrukkelijk niet als ‘redder’ wordt neergezet. De film werd niettemin als godslasterlijk beschouwd, vooral door mensen die hem niet hadden gezien.

Degenen onder ons die hem wél hebben gezien, weten dat de film een respect voor nuances heeft, dat zijn critici lijken te ontberen. Je weigert te geloven dat Brian inmiddels al dertig jaar oud is; de film voelt tijdloos aan en heeft een eeuwige boodschap. De slotscène van de film blijft een van de meest sublieme momenten uit de geschiedenis van de komische film. Hij schokt je doordat hij tegelijkertijd grappig en ontroerend is. Brian hangt aan zijn kruis, bebaard, zonder shirt, met een lendenlap, en in de steek gelaten. De iconografie is gedurfd authentiek, en het gezicht van Chapman straalt echte wanhoop uit. Voor de Pythons was het behoorlijk lastig om hier nog een komische draai aan te geven. Hoe konden ze zich hier uit praten?

Dat deden ze gewoonweg niet. Ze zongen zich eruit. Always Look on the Bright Side of Life, geschreven door Idle, was het onweerstaanbare antwoord. Als de lijken die op de grond liggen met hun tenen meebewegen op het ritme kun je ze geen ongelijk geven. Het is gewoon een ontzettend pakkend deuntje.

Maar net als je het gevoel begint te krijgen dat de ernst uit de film verdwenen is, besef je dat de Pythons eigenlijk over jou zingen: over jou, en over het feit dat ook jij zult doodgaan. ‘Always look on the bright side of death (Heb altijd oog voor de vrolijke kant van de dood)/ Just before you draw your terminal breath (Net voordat je je laatste adem uitblaast).’ Dat is stoutmoedige humor, die helemaal tot de bodem gaat van waar we ontzag voor hebben en waar we bang voor zijn. Als humor op deze manier werkt, is de winst groot. Je voelt je opgetild worden, je hebt het gevoel dat je tot een intelligente diersoort behoort.

Tijdens de slotceremonie van de Olympische Spelen van Londen in 2012 bracht Eric Idle het lied live ten gehore, geflankeerd door een bataljon exhibitionistische nonnen met slipjes in de kleuren van de Britse vlag. Het was een toepasselijke en gedurfde stap om een beetje Python toe te voegen aan een ceremonie die was bedoeld om de Britse bijdrage aan de wereldcultuur uit te dragen. Naast de taal is het Britse gevoel voor humor het beste exportproduct van het land, en Python is de apotheose van de Britse humor. ‘Life’s a piece of shit/ When you look at it’. Dat is waar, maar zo onderga je het niet als je naar Python kijkt. Het team gedroeg zich alsof niets heilig was, en alles belachelijk. Dat is een zeer subversieve houding – en tevens een zeer bevrijdende.


David Free is een Australische criticus en de auteur van de roman A Dancing Bear. Luke Dempsey, Monty Python’s Flying Circus: Complete and Annotated… All the Bits verscheen eind 2012 bij Black Dog Leventhal Publishers.

© Atlantic Monthly

Vertaling Menno Grootveld