opheffer

Je moet de vijand tot lachen dwingen

Satire is gevaarlijk geworden. Je maakt een paar cartoons over Allah en meteen kun je een fatwa over je heen krijgen, je bent je leven niet meer zeker, je land wordt verantwoordelijk gehouden, ambassades worden in de fik gestoken. Het is nu een jaar na de Deense cartoons en ik heb nadien geen cartoons over Allah meer in een krant gezien. We zijn gedwongen serieus te zijn; we worden verplicht de zaak niet te relativeren. Wie lacht loopt gevaar.

Het zijn toch eigenaardige lieden geweest die de Deense cartoons hebben meegenomen naar Arabische leiders met het verzoek kwaad te worden wegens gekwetstheid – om een grap. Dat zegt iets over de grap als wapen. Mijn stelling is deze: het effectiefste wapen tegenover fanatisme is de grap. Aan zelfmoordterroristen kun je niets doen, aan grappen ook niet.

Een fanaticus die een goede grap over Allah hoort en moet lachen, valt op dat moment door de mand als fanaticus: lachen bestaat alleen maar bij de gratie van het verbreken van het standvastige geloof. ‘Je mag alles zeggen, maar je mag geen grappen over God maken.’ Men voelt de paradox: zodra je om God zou kunnen lachen, is er twijfel.

Satire is een wapen en niet alleen vanwege de grap. De grap is het effect dat ze teweeg wil brengen. Dat effect kan alleen bereikt worden door een goede techniek. Iemand die een goede mop slecht vertelt, heeft geen invloed.

Onlangs werd er in Teheran een tentoonstelling geopend met cartoons die tot doel hadden de holocaust te relativeren. Je kunt ze op internet bekijken – zoeken op ‘Irancartoons’. Die cartoons vallen eigenlijk mee. Er was er niet één waardoor ik nu echt geschokt was. Veel van die cartoons willen niet anders zeggen dan dat joden ook fascisten kunnen zijn. Je ziet bijvoorbeeld een jood in een spiegel kijken en dan ziet hij een Duitse officier, compleet met hakenkruis, uit de Tweede Wereldoorlog. Boodschap: jood, jij bent geen haar beter dan die Duitser destijds. Het is wat eenvoudig, maar niet erg schokkend. Of je ziet een Duitser die een jood slaat met een knuppel waarop ‘holocaust’ staat geschreven, en die jood slaat met eenzelfde knuppel een Palestijn. Boodschap: jullie plegen ook genocide, net als de Duitsers dat bij jullie deden. Deze cartoons tonen dus impliciet begrip voor de joodse geschiedenis. We weten wat jullie destijds is aangedaan; wat we jullie kwalijk nemen is dat jullie dat nu ons aandoen. Ik vermoed dat het overgrote deel van de _Groene-_lezers dit standpunt deelt.

Natuurlijk zijn er ook een paar ‘suspecte cartoons’.

Stel nu eens dat de Iraniërs precies reageren zoals de tekenaars willen en heel hard lachen en zeggen: ja, die joden die overdrijven met hun holocaust, het waren geen miljoenen doden maar hoogstens een miljoen, of hoogstens tienduizend, meer niet. Of vijfhonderd. Dan kan het niet anders of die lachende Iraniërs moeten tevens begrip hebben voor het feit dat de joden een holocaust hebben meegemaakt. Hoe klein ook. Dat is winst. (Is één dode minder erg dan zes miljoen?) Ook in die Iraanse cartoons – hoe stom soms ook – zit een vorm van relativisme. Dat kan niet anders, omdat er gelachen moet worden. Ik geloof trouwens niet dat er in Iran heel erg gelachen wordt om die cartoons. Een vriend van mij heeft die tentoonstelling bezocht en hij was de enige bezoeker. Er was nog wel iemand anders in de tentoonstellingsruimte, maar dat was een van de tekenaars. Al snel raakten de twee in gesprek en de tekenaar vroeg wat mijn vriend van de tentoonstelling vond. Mijn vriend haalde zijn schouders op en zei: ‘Soms heel mooi getekend.’ Maar de boodschap, wilde de tekenaar weten. ‘Die kan me niet zoveel schelen… ja, met die en die tekening ben ik het niet eens… maar die en die tekening zouden we zo in de krant kunnen zetten…’ Vervolgens ontstond er een gesprek waaruit naar voren kwam dat het de liefste wens was van de tekenaar om te publiceren in Amerika of Europa. Toen mijn vriend wegging liet hij nog even tussen neus en lippen door weten dat hij eigenlijk joods was. Toen kreeg hij de vraag: ‘Ben je niet beledigd?’ ‘Nee…’ was het antwoord, ‘ik ben het er niet mee eens, maar beledigd, nee…’ ‘Maar de joden worden aangevallen.’ ‘Ja, daar ben ik het niet mee eens, maar ik ben niet beledigd. Het zijn toch grappen. They are jokes…’

Het zijn maar grappen….

Het moet de Iraniërs toch zijn opgevallen dat joodse jongeren niet naar de Iraanse consulaten zijn gegaan om die in de fik te steken, het moet zijn opgevallen dat dit zelfs niet in Israël is gebeurd, dat er geen vlaggen zijn verbrand, geen portretten van Khomeini of wie dan ook, dat niemand verder met de dood is bedreigd. Ik vermoed zelfs dat als je diep in hun hart kijkt, dat de Iraniërs die de tentoonstelling hebben georganiseerd de pest in hebben: wereldwijd vielen de reacties mee (of tegen zo je wilt), en ik vermoed dat de tekenaars het jammer vinden dat de reacties zo lauw waren.

Satire moet gevaarlijk zijn. Een reden waarom de satire van de Iraanse cartoons niet werkte, is dat ze geïnitieerd werd door lieden die je als cartoonist eigenlijk in de maling moet nemen. Het is alsof Balkenende Jos Collignon inhuurt om grappen over Wouter Bos te maken. Hoe leuk die grappen misschien ook zijn, je zult in de tekening altijd de afspraak tussen Balkenende en Collignon blijven zien.

Satire is gevaarlijk omdat ze juist onafhankelijk is, en omdat je je eraan ergert. Als niet Iraanse maar joodse tekenaars die cartoons in Iran hadden gemaakt, dán was het een ware rel geworden.

Satire moet. Ook al ben je als tekenaar je leven niet zeker. Dan moet het maar ondergronds, in het geheim, onder pseudoniem. Dan moeten er maar weer geheime pamfletten geschreven worden, verboden stripboeken.

Je moet de vijand tot lachen dwingen.