Schrijfster Jennifer Egan over succes en bevrijding

Je moet het onmogelijk maken genegeerd te worden

A Visit from the Goon Squad van Jennifer Egan is zo'n zeldzaam boek waaraan iedereen plezier beleeft. Voor de auteur heeft schrijven met nieuwsgierigheid en empathie te maken. ‘Ik ben altijd erg begaan met mijn personages.’

BROOKLYN, NEW YORK. Een kwestie van geluk noemt ze het. Haar vierde roman, A Visit from the Goon Squad, vorig jaar in de Verenigde Staten verschenen en vanaf deze week in vertaling verkrijgbaar als Bezoek van de knokploeg, is een ongekend succes. Eerst alléén maar lovende recensies, daarna prijs op prijs, met als voorlopig hoogtepunt de Pulitzer Prize. Niet dat ze tot nog toe te klagen had over erkenning. Haar werk is verfilmd, genomineerd voor diverse belangrijke prijzen, vertaald in vele talen. Maar zo grootscheeps als nu, en zo zonder tegenstem…
‘Natuurlijk’, zegt ze. 'Ik heb er hard voor gewerkt en ik ben trots, maar in zekere zin is het toch toeval.’
Jennifer Egan (49), zacht gezicht, meisjesachtig lang haar, korte broek en teenslippers, is de eerste om haar eigen succes te relativeren, maar getuigt ook van een gezond zelfvertrouwen en professionaliteit. Het boek moet bij de mensen gebracht worden, en als ze daarvoor het land door moet met lezingen, en door jan en alleman geïnterviewd moet worden, het zij zo.
In de taverne in Fort Greene, haar domicilie, ruikt het naar kruidenthee en vers gebakken carrotcake. Ik heb net een eerdere roman van haar uit, Look at Me, uit 2001. A Visit from the Goon Squad is geweldig, geen boek heb ik in het afgelopen half jaar zo vaak cadeau gedaan, maar dit was zo mogelijk nog indrukwekkender. Rauwer.
'Misschien is dat het ook wel’, zegt ze, blij dat ik Look at Me zo goed vind, 'ik ben er niet echt van overtuigd dat A Visit from the Goon Squad nu ook mijn beste boek is.’
We hebben het over succes, en wat dat met haar doet. Dat het iets beangstigends heeft, omdat ze nu al weet dat dit niet meer te overtreffen is. En dat dát weer bevrijdend is. Stiekem denk ik ondertussen dat ik wel snap waarom ze nu een megahit aan de haak heeft, die ook nog eens op het punt staat bewerkt te worden voor een televisieserie van de Amerikaanse kwaliteitszender HBO (onder meer goed voor Sex and the City en The Sopranos).
A Visit from the Goon Squad is een van die zeldzame boeken waaraan iedereen, zowel gewone als beroepslezers, op een diep niveau plezier kan beleven. Literair vernuftig gestructureerd als een mozaïekroman met een grote afwisseling in perspectief en vertelstijl, maar tegelijkertijd een oermenselijk verhaal dat verschillende generaties bestrijkt en dat gaat over het verglijden van de tijd, en over verschuivende intimiteit tussen geliefden, vrienden, gezinsleden. Het boek ademt melancholie, maar ook humor en een bitterzoet inzicht in verhoudingen, zowel maatschappelijk als persoonlijk. In eerdere interviews had ik gelezen dat De verloren tijd-cyclus van Proust en The Sopranos op tv de grote inspiratiebronnen waren bij het schrijven hieraan. In A Visit from the Goon Squad komen het trage en het snelle, de details en de grote lijnen, inderdaad wonderwel bij elkaar.
De wisselingen in vertelperspectief, de personages met hun neiging tot ontsporing, maar vooral ook de subtiele manier waarop getoond wordt hoe mensen elkaar voor de gek houden, is genuine Egan. Ik merk dat ik als ik tegenover haar zit nog een beetje last heb van het hoofdpersonage in Look at Me, dat door iedereen heen lijkt te kunnen kijken. Als een soort heks legt ze feilloos de schaduwzijden van mensen bloot.
Die alziende blik van de belangrijkste verteller in 'Look at Me’, is dat de schrijverspositie?
'Dat ben ik niet’, zegt ze onmiddellijk, en kijkt me er trouwhartig bij aan. 'Zo kijk ik niet.’
Een moeilijk antwoord. Natuurlijk: zij is het niet, je mag de schrijver nooit verwarren met haar personages bladibla, maar ze heeft het wel bedacht, dat je zo kunt kijken. En levert daar vervolgens 450 bladzijden lang een beangstigend realistische proeve van. 'Het is te simpel om dat zo te zeggen’, zegt ze dan. 'Ze dénkt dat ze van iedereen de waarheid ziet. Maar dat is een mythe. De werkelijkheid is meer genuanceerd dan dat. Zij tast ook maar rond in onwetendheid. Ze blijkt toch ook heel veel dingen niet te weten?’

DE PEST VAN INTERNET is dat ik al eindeloos veel dingen over haar heb opgezocht. Zo stuitte ik op een website Mothers who think, waarop Jennifer Egan in 1997 een bijdrage leverde aan de discussie of het voor ouders mogelijk was om hun kinderen niet te belasten met hun eigen 'food issues’. Ze had nog geen kinderen, maar wel een nichtje dat niet mocht weten dat haar moeder, Egans stiefzusje, op dieet was. De aanblik van haar in onschuld etende nichtje deed Egan inwendig plechtig beloven dat mocht ze ooit een dochter hebben ze haar zo lang mogelijk weg zou proberen te houden van iedere vorm van voedselbewustheid. Want zelf had ze een jarenlange strijd gevoerd met anorexia, en pas tegen de tijd dat ze haar eerste roman publiceerde kon ze zichzelf bevrijden. Die roman, zo schrijft ze op Mothers who think, was haar eerste poging buiten zichzelf te treden, en meteen ook kon ze zich voorstellen hoe 'echte macht’ zou aanvoelen.
Waar begon het verlangen om te schrijven mee? Wat was de noodzaak?
'Toen ik achttien was ben ik een jaarlang door Europa gaan zwerven. In m'n eentje. Ik was zo verstoken van alles en iedereen in dat jaar. Als ik naar huis wilde bellen, moest ik eerst een telefooncel zien te vinden. En als er dan niemand thuis was, ging er weer zoveel tijd overheen voor ik het opnieuw kon proberen. Ik begon dingen op te schrijven voor mezelf. Het was een geleidelijk proces. Als kind maakte ik hele fantasiewerelden met mijn barbiepoppen. Ik vond het heerlijk om de dingen op mijn manier te doen, om mijn visie op te leggen, al was het maar aan poppen. Ik kwam erachter dat schrijven een actieve, en ook een toegestane en prettige manier zou kunnen zijn om deel te nemen aan het leven. Dat was de primaire ontdekking.’
En schrijven heeft niet bijvoorbeeld met een verlangen naar macht te maken?
'Nee, helemaal niet. Het heeft met nieuwsgierigheid te maken, en empathie. Ik laat me leiden door mijn nieuwsgierigheid. Ik ben altijd erg begaan met mijn personages.’
Wie ben ik om haar te herinneren aan iets wat ze veertien jaar eerder op een vage website heeft beweerd? Het klinkt allemaal zo humanistisch, en neutraal, voor een schrijfster die ik in haar romans ervaar als een alwetende wrakende instantie, met een weliswaar warm kloppend hart maar ook met een genadeloze laserblik.
'Ik ben in mijn werk dapperder dan in het gewone leven. Ik voel me aangetrokken tot extremen.’
Talking of which… Een van de personages in Look at Me is een terrorist-in-vermomming, die ervan droomt iets grootscheeps te bewerkstelligen. Een aanslag die New York op zijn grondvesten zal doen trillen. De roman verscheen in de week na 9/11. Egan schaamde zich dood.
'Ik zou zoiets nooit geschreven hebben ná 9/11’, zegt ze hartstochtelijk. 'Dat zou ik zo fout vinden. Maar ik wist natuurlijk van niks. Ik heb een nawoord hierover opgenomen in latere edities. Zou je dat alsjeblieft wel willen lezen?’
Ik zou juist verwachten dat deze roman werd binnengehaald als het werk van een visionair. Quod non. Werd de ontvangst van haar boeken in het verleden misschien gestuurd door valse verwachtingen? Zeker de Nederlandse edities (uitgekomen bij het inmiddels ter ziele gegane Arena) ogen als chicklit, met mooie halfblote meisjes op de cover. En als dan ook nog eens de achterflap rept van een hoofdpersonage dat fotomodel is dat zich staande moet zien te houden in de hardvochtige modewereld denk je niet onmiddellijk dat je hardcore literature in handen hebt.
Egan gromt zachtjes. 'Dat is het vreselijke. Er is altijd een probleem om mijn werk te definiëren. Daardoor vervreemd ik de lezers van me die dachten een luchtig romannetje te gaan lezen, en stoot ik andere lezers bij voorbaat af. Ik was zo bang dat dat opnieuw zou gebeuren met A Visit from the Goon Squad. Boeken die niet in een duidelijke categorie vallen, zijn moeilijker te verkopen.’

SINDS JAAR en dag maakt Egan deel uit van een creative writing-groepje, waarin ze elkaar hardop voorlezen wat ze net geschreven hebben. Er is maar één vraag die dan geldt: does it feel alive?
Is het wat dat betreft moeilijker om vanuit het perspectief van een man te schrijven?
'Eerder omgekeerd. Als ik vanuit het point of view van een man schrijf, voelt dat heel comfortabel. Zo gemakkelijk eigenlijk dat het gevaarlijk is. Ik zit dan in mijn comfort zone, omdat ik afstand creëer. Zo gauw ik het vrouwelijk perspectief oppak, voel ik weerstand. Ik schrijf liever niet over mijzelf, en misschien ligt dat dan meer op de loer.’
Officieel is ze al een paar jaar bezig research te doen voor een historische roman. Sterker nog: ze heeft de onderzoeksfase afgerond en moet beginnen met schrijven. De rust en de concentratie zijn echter vooralsnog ver te zoeken. En tussendoor blijkt ze zomaar met iets heel anders te zijn begonnen. Iets 'vrouwelijkers’. Veel wil ze er niet over kwijt, behalve dat het tegen haar gewoonte in wat dichter bij zichzelf staat. Ze ziet het als een experiment.
Bestaat er zoiets als een mannelijke of een vrouwelijke stijl?
'Ik vind dat heel moeilijk te zeggen, terwijl ik wel denk dat A Visit from the Goon Squad fifty-fifty mannelijk en vrouwelijk is, en vroeger werk meer mannelijk. Als ik aan het schrijven ben, ben ik daar echt niet mee bezig. Do a good job, daar gaat het toch om. Je moet het onmogelijk maken genegeerd te worden. Ik weet dat vrouwelijke schrijvers het soms moeilijker hebben, maar als ik eerlijk ben is er geen groter gevaar dan te snel te worden geprezen. Ik was deze zomer met m'n gezin op vakantie in Ierland en had een roman mee van Angela Davis-Gardner, Butterfly’s Child. Zo waanzinnig goed, dat ik het liefst het Ierse landschap aan me voorbij had laten gaan en gewoon binnen was blijven zitten om te lezen. En nu merk ik dat ik geen gelegenheid voorbij laat gaan om dit boek in de lucht te houden, alsof ik toch denk dat deze schrijfster wel een duwtje kan gebruiken.’
Op de website van Strand Books is Egans 'literary DNA’ na te lezen: zestig boeken die haar hebben gevormd, geïnspireerd, beïnvloed. Opvallend is haar grote liefde voor de negentiende-eeuwse romanciers. Dickens, Tolstoj, Wharton.
'Zo'n David Copperfield, mijn absoluut favoriete Dickens, laat zien dat er niets is wat een roman niet kan: opvoeden, amuseren, schokken én betoveren. Je hebt een heel ander leven geleefd als je dat boek uit hebt.’
En modernere schrijvers? Opvallende afwezige in dat literaire DNA is bijvoorbeeld Philip Roth. Of is het waar dat hij vooral in Nederland zo op handen gedragen wordt?
’(lachend) Nee nee, Roth is natuurlijk geweldig. Maar hij heeft mij niet wezenlijk persoonlijk en diep beïnvloed. Hij is ook echt een autobiografische schrijver, en die weg ben ik niet gegaan. Robert Stone, die van dezelfde generatie is als Roth, is daarentegen heel belangrijk voor mij geweest. En Don DeLillo. Verder ben ik erg onder de indruk van Martin Amis. Zijn humor, en zoals hij de boel op de spits drijft, bijvoorbeeld in The Information.’
Haar man heeft al een keer gebeld, de schoolvakantie van de kinderen is nog gaande, en hij zit kennelijk met de jongens thuis. Hij is theaterregisseur en vertrekt binnenkort voor zes weken naar Israël. Vorige week had ze in deze zelfde lunchroom afgesproken met een Poolse journaliste, maar toen had haar jongste zoontje opeens een pijnlijke oogontsteking en is ze de afspraak niet nagekomen. De journaliste zou een cd voor haar hebben achtergelaten bij de kassa. Als ze navraag doet, weet de eigenaar van niks. 'Ik voel me er zo afschuwelijk over’, zegt ze als we eenmaal buiten staan. 'Ik had geen idee dat ze speciaal voor mij helemaal uit Polen was gekomen.’

Jennifer Egan, Bezoek van de knokploeg. Vertaald uit het Engels door Ton Heuvelmans. De Arbeiderspers, 344 blz., € 19,95.
Op 18 november is de schrijfster te gast op het Crossing Border Festival in Den Haag (www.crossingborder.nl)