Michel Tabachnik over de taal van muziek

‘Je moet het transcendentale kunnen zien’

Maestro Michel Tabachnik zweept in Groningen het provincieorkest op tot grote hoogten. De dirigent, die wegens een bizarre rechtszaak twaalf jaar van zijn carrière verloren zag gaan, heeft een scherp oor voor het spirituele in muziek. ‘Als je een orkest dirigeert, ga je over universele zaken, niet over persoonlijke.’

IN DE GRONINGSE Oosterpoort repeteert een dirigent op leeftijd met beheerste veteranenautoriteit Mahlers Derde symfonie. Gesproken wordt er weinig; in de dialogen met concertmeesters of haperende kopergroepen valt geen onvertogen woord.
Het dreigt wat te worden. De startproblemen daargelaten duidt niets in deze Derde, Mahlers langste, op provinciale grootheidswaan. Wie het Noord Nederlands Orkest alleen van horen zeggen kent, wie met grootsteedse vooringenomenheid alleen het KCO of de Berliner Philharmoniker geschikt acht voor de taak, krijgt in De Oosterpoort zijn trekken thuis. De orkestklank mag geen wonder van verfijning zijn, een handvol koperblazers kan met prepensioen, die betraande posthoornsolo in het scherzando schiet ondanks of dankzij de muzikaliteit van de solist droefgeestig overweldigd uit de groef – Mahlers zesdelige monstersymfonie wordt recht gedaan.
Dat de muziek jankt, stamelt, bokt en bijt als in een echte Mahler-metropool is de verdienste van de man op de bok, 66 jaar oud. Een maestro van het type dat je overal verwacht, behalve in Groningen. Als protégé van Pierre Boulez, Igor Markevitsj en Herbert von Karajan al jong gewogen en geschikt bevonden door een driemanschap van het kaliber vader, zoon en heilige geest. Zelf componist, maar vooral bekend als gezaghebbend vertolker van andere contemporaine componisten; van de Griekse componist Iannis Xenakis, held en vriend, hield hij twintig werken ten doop. Voor het inmiddels wereldberoemde Franse Ensemble InterContemporain werd hij door oprichter Boulez als eerste chef benaderd. In andere tijden was hij regelmatig te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest, waar hij zes jaar geleden nog met succes insprong voor de door rugklachten gevelde Christian Thielemann. De recensies waren lovend.
Dat hij er staat is geen vanzelfsprekendheid. Twaalf jaar lang kon de Franstalige Zwitser Michel Tabachnik, in 2005 voor een periode van zes jaar benoemd tot chef-dirigent in Groningen, niet of nauwelijks dirigeren. In de jaren negentig van de vorige eeuw raakte Tabachnik op bizarre wijze in opspraak toen hij werd beschuldigd van betrokkenheid bij de collectieve zelfmoord van en moord op een groot aantal leden van de Orde van de Zonnetempel, een griezelig mystiek gezelschap waarmee hij volgens zijn aanklagers nauwe banden zou hebben onderhouden.
Tabachnik ontkende elke betrokkenheid. Zeker, hij had in Zonnetempel-kringen lezingen gegeven over muziek en filosofie, maar voor hem was de Orde nooit meer geweest dan een spirituele haven waar hij zich prettig voelde, zoals een ander het dol heeft bij de vrijmetselarij. Zijn internationale muzieknetwerk trok niettemin bezorgd de handen van hem af. Hij kon hoog en laag springen, de zaak-Tabachnik – die zich tot zijn definitieve vrijspraak in december 2006 van beroep naar beroep sleepte – ruïneerde een meer dan respectabele dirigentencarrière. Tabachnik bleef dan wel lesgeven in Kopenhagen en Toronto, van de warme contacten met de Berliner Philharmoniker, het Orchestre de Paris en een reeks van minder prominente korpsen restten na jaren procederen niets dan schone herinneringen. Alleen intieme vrienden als Xenakis en Boulez – die het voorwoord schreef bij zijn in 1997 verschenen apologie Bouc Emissaire – bleven loyaal aan hem.
Dat hij kon terugkomen, is mede te danken aan het Noord Nederlands Orkest. In 2005, ruim voor zijn ontslag van rechtsvervolging een feit was, nam de directie van het Groningse orkest het moedige besluit met hem in zee te gaan. Met ingang van dit seizoen is Tabachnik daarnaast chef-dirigent van het Brussels Filharmonisch Orkest, het voormalige radio-orkest van de Vlaamse omroep. Hij voert weer een agenda. Hij kan weer dromen. Opera, wie weet.
Voor Groningen, zeggen directeur Jan Geert Vierkant en programmeur Marcel Mandos, is zijn komst een zegen geweest. Dat geluk een rol speelde beseffen ze terdege; was Tabachnik geen aangeschoten wild geweest, dan had het Noord Nederlands Orkest waarschijnlijk nooit een dirigent van dit niveau kunnen engageren. ‘I need a job’, dat hoorden ze hem zeggen na zijn eerste beurt. Maar nimmer, zegt Mandos, heeft hij de chef op bitterheid over zijn lot kunnen betrappen – zijn moreel en eergevoel zijn onverwoestbaar. ‘Michel dirigeert in Emmen of Drachten met evenveel inzet als overal.’
In Groningen is hij opgebloeid en, als de vooroordelen over provincies mochten kloppen, het orkest met hem. Tabachnik voert er Mahler, Bruckner, Brahms en Beethoven maar op gezette tijden ook Strawinsky en Xenakis uit, dresseert het grootste provincieorkest van Nederland tot meer dan gedegen orkestspel en dirigeert er de premières van zijn eigen werken, waaronder een Pianoconcert dat de Nederlandse pianist Ralph van Raat in 2007 succesvol ten doop hield. ‘Een meesterwerk’, zegt Marcel Mandos. In datzelfde jaar trad het Noord Nederlands Orkest onder Tabachnik in Parijs op – triomf voor het orkest, kroon op de rehabilitatie van de chef.
Beelden van de Parijs-excursie zijn te zien in de aan Tabachnik gewijde NPS/VPRO-documentaire die april 2008 werd uitgezonden. De kijker is de gefascineerde getuige van een musicus die bij al zijn enthousiasmerende energie voel- en zichtbaar een geschiedenis met zich meedraagt. Getraumatiseerd is niet het juiste woord. De in Groningen opgenomen repetitiefragmenten tonen een klassiek dominante maestro met ongebroken gezag, die zijn orkestleden in scherpe bewoordingen de mantel uitveegt over hun gebrek aan studiediscipline. Maar je ziet ook de man die, back on the track, op de bank van zijn Parijse kleedkamer Mandos en Vierkant bijna jubelend van dankbaarheid omarmt, zoals een kind zich vastklampt aan twee grote broers: ‘mes complices!’ Het is een raar gezicht. Dankbaarheid past niet bij een dirigent. Een dirigent wordt bedankt, niet omgekeerd. Al is Tabachnik nog wel degelijk de baas, er lijkt iets geforceerds in hem gevaren, iets beschadigds. Je ziet iemand die zich, met wat doet denken aan een lichte paranoia, permanent bewust lijkt van een rest van achterdocht. Hij doet te veel zijn best, dat is het.

BEHALVE DOOR ZIJN levensverhaal is Tabachnik ook als dirigent een vreemd geval. De ongenaakbaar modernistische componist blijkt op de bok een in vooroorlogse vertolkingstradities gewortelde romanticus, type go with the flow, het genre dat de authentieke uitvoeringspraktijk met kracht van tafel veegde. Dirigeerde hij eerder dit jaar in Groningen Bruckners Vierde symfonie met de postromantische ongeremdheid van een Wilhelm Furtwängler; aan de andere kant van de streep is hij de verklaarde bewonderaar van de kristallen Boulez en de rotsige Xenakis, daarbij de componist van een oeuvre dat trouw bleef aan een modernistische taal die evenzeer tot de geschiedenis behoort als de stemmingsgevoelige tempofluctuaties van zijn Bruckner.
De kloof tussen die werelden is bij Tabachnik overigens kleiner dan hij lijkt. In zijn vorig jaar verschenen boek De la musique avant toute chose, een theatraal gestileerde kruisbestuiving van autobiografie en muziekessayistiek, blijken Xenakis en Strauss twee zijden van dezelfde transcendentale medaille. Ze vormen de hoekstenen voor zijn ‘ideale concert’ met twintigste-eeuwse sleutelwerken, die hij in De la musique… met uitbundig filosofisch tromgeroffel aan de lezer voorlegt. Naast Strauss’ Vier letzte Lieder en Xenakis’ Terretektorh zijn de voor Tabachnik essentiële stukken Strawinsky’s Les Noces en Le Sacre du Printemps, Bartóks Muziek voor snaren, slagwerk en celesta en Le Marteau sans maître van zijn ‘spirituele vader’ Pierre Boulez.
Opvallend aan Tabachniks meeslepende beschouwingen, waarin een ongewone eruditie niet gratuit blijkt, is dat hij in dit caleidoscopische geheel meer overeenkomsten dan verschillen blijkt te zien. Alle grote muziek, stelt Tabachnik, is ongeacht de stijl de verklanking van het bovenzinnelijke, van wat gelovigen het goddelijke noemen – bij Xenakis zo goed als in Strauss’ Letzte Lieder. ‘De même’, citeert hij Jung, ‘que “l’idée de Dieu fait partie de la substance première et inexpugnable de l’âme humaine”, l’idée de transcendance fait partie de la substance première et inexpugnable de la musique.’
Wat die ‘substance première’ is laat zich, zoals dat gaat met hoogste ervaringen, niet in woorden uitdrukken, alleen omschrijven als hetgeen er vóór de noten was, en wat de componist alleen tot uitdrukking kan brengen omdát het er al was. Het is een spirituele kern die het materiële van de compositorische orde verbindt met de metafysica van het uitgedrukte, en die Bruckner en Xenakis, bien étonnés, tegen de stroom van hun taalkundige incongruentie in tot zielsverwanten maakt. Ze zeggen hetzelfde, concludeert Tabachnik, alleen in een andere taal.

ALS WE TUSSEN twee repetities door voor een gesprek neerstrijken in het Schimmelpenninckhuys, Tabachniks vaste hangout in het Groningse, hangt het transcendente als een zwaard van Damocles tussen ons in, omdat het ons dwingt te spreken over het onzegbare. Met onuitsprekelijke gretigheid hapt hij toe, als ik hem confronteer met zijn opmerking over recente cd-opnamen van Boulez, die ‘transcrivent cette évanescence de l’instant qui precede l’écrit, quand la pensée offerte à l’imaginaire met en mouvement la plume du créateur’.
‘Precies’, zegt hij. ‘Als Boulez muziek dirigeert, is hij de componist op het moment dat hij schrijft. Je hoort het moment waarop ook het genie zelf niet weet wat het doet.’ Want het geeft iets door waarvoor het niet meer dan een medium kan zijn. ‘Als een postbode, die een brief bezorgt zonder te weten wat erin staat.’ Tevreden herinnert hij zich de in De la musique avant toute chose geboekstaafde ontmoeting met de weduwe Furtwängler. ‘Ik vroeg haar naar haar favoriete Wagner-opnamen. Ze zei: die van Boulez. Ik vroeg waarom. Ze zei: hij is de enige die de essentie doorgeeft. De rest komt niet verder dan het existentiële.’
Denkt een dirigent, als hij dirigeert?
‘Ik ben enerzijds misschien een intellectueel, anderzijds volstrekt instinctief. Bij Bruckner is reflectie zinloos. Als ik in het langzame deel van de Vierde dat ritme hoor, dan laat ik het komen, dan voel ik het gaan. Ik kan nog zo precies analyseren in mijn boek, op het rostrum denk ik niet zo veel, dan voel ik, dan zoek ik een tempo zoals ik het voel. Goed of niet goed? Geen idee. Maar het doet er niet toe, misschien is morgen alles anders. Er moet een intellectuele basis zijn, maar als die er is, dan vlieg ik, dat is mijn idee van dirigeren.
Ik heb Karajan goed gekend – heb je die film met Vorspiel und Liebestod uit Wagners Tristan gezien? Ik schrijf erover in mijn boek.’ Als een droom. ‘Zo probeer ik het ook. Maar de Derde van Mahler is al moeilijker dan Bruckner. Je hebt de tempoverhoudingen, de enorme hoeveelheid boodschappen die hij afgeeft – op elke bladzijde een nieuwe. Het ene moment gaat het over het noodlot, de condition humaine, een paar maten later hoor je een simpele natuurbeschrijving – eine Welt, exact. Bij Bruckner hoor je simpelweg: God is er. Wat dat is… Gevoelens. Niet wat buiten is maar binnenin.’
Moet je gelovig zijn om dat te kunnen laten horen?
‘Het gaat er niet om of God wel of niet bestaat. Hij bestond in de harten van de mensen. Nu niet meer. Ik onderschrijf Jungs standpunt dat God in de menselijke psyche zit. Uit die goddelijke inspiratie is muziek geboren.’
Uw vriend Boulez hoort dat anders.
‘Ik sprak met hem over Mahler. Daar heeft hij een totaal andere kijk op dan ik. Ik ga naar de roots: marsen, menuetten, dansen, natuur, gevoelens. Voor Boulez is dat niet belangrijk. Hij ziet de muziek als een autonoom fenomeen, zonder zich druk te maken over wat zij betekent. Voor Karajan was het essentieel om in de Graal te geloven als hij Parsifal dirigeerde. Boulez gelooft daar niet in, en ik heb de indruk dat steeds meer musici muziek zo zien als hij. Maar Beethoven vertaalde iets in muziek waarvoor de symfonie niet meer dan een doorgeefluik was. Daar hoef je niet voor te geloven – je moet wel het transcendentale kunnen zien. Als je een orkest dirigeert, ga je over universele zaken, niet over persoonlijke.
Mahlers Derde is zoiets als Beethovens Vijfde: het noodlot, maar dan groter. Mahler zegt hetzelfde, in een andere taal. Dat we lijden op aarde. Kunst is nooit vreugdevol. Inderdaad, Milhaud haat ik.
Die mars van het eerste deel zegt: je hebt geen keus. Als ik Mahler dirigeer, maak ik hem los van de muziekgeschiedenis, anders vernauw ik hem – en ik heb hem niet gekend, dat ook. Ik denk niet aan wat hij aan titels boven de delen heeft gezet, voor hij ze doorstreepte. Ik hoor geen zomerochtenddroom of zomermiddagdroom in het eerste deel. Ik hoor een mars, en in die mars dat we geen keus hebben.’
U had ook pianist kunnen worden.
‘Je hebt nooit de keus. Niet de keus om geboren te worden, niet de keus om te doen wat je wilt. Je kiest niet je lijf, niet je bestemming, niet je vrouw – het valt je toe. Je hebt sterren als Claudio Abbado en koordirigenten in Leeuwarden – hadden zij iets te kiezen? Het was hun lot te worden wat ze waren.’
Over zijn eigen lot is hij even pragmatisch: ‘Natuurlijk, in mijn cv gaapt een gat van twaalf jaar. Qua loopbaan had ik verder kunnen zijn dan ik nu ben, maar als mens was ik minder waard geweest. Als je zo’n drama meemaakt kom je er anders uit dan je erin ging. Je komt dichter bij de menselijke essentie. Daarvoor was ik minder menselijk.’

TWEE DAGEN later dirigeert Michel Tabachnik per aspera ad astra Mahlers Derde in Schouwburg De Lawei in Drachten. Men luistert in het roerende, door het zinloze gesteggel over multiculturaliteit bijna vergeten besef dat het Nederlandse cultuurbeleid een orkest uit Groningen in staat stelt Mahler Drie te spelen in een Friese provinciestad, en dat de uitvoering ondanks bij tijd en wijle roestig koper goed genoeg is om een mensenleven te veranderen. In de zaal zit misschien één knaap van twaalf die dankzij dit concert leert dat hij dirigent moet worden. Die weet dus nu wat hem te doen staat. Voor zulke luisteraars maakt een orkest muziek.