Profiel Esther Duflo

Je moet het veld in

Volgens de gelauwerde Franse econome Esther Duflo verdwijnen miljarden euro in ontwikkelingsprojecten zonder dat we weten of het helpt. Maar het effect kan wel onderzocht worden.

Medium 585 duflo

WERELDWIJD zijn er anderhalf miljard mensen die moeten rondkomen van minder dan 1,25 dollar per dag. In 2010 gaven rijke landen ruim honderdtwintig miljard dollar uit aan ontwikkelingshulp om die armoede te bestrijden. Je zou verwachten dat zo'n miljardenindustrie, die al zo'n vijftig jaar gestaag voortploetert, inmiddels weet hoe het meeste resultaat uit iedere cent ontwikkelingshulp kan worden geperst. De waarheid is anders. ‘Baat het niet, dan schaadt het niet’, is het overheersende motto in de ontwikkelingsindustrie. En dus verdwijnen er miljarden in ambitieuze projecten, vaak zonder dat de vraag wordt gesteld of het ook helpt.
Dat is, samengevat, de overtuiging van Esther Duflo, een jonge Franse econome over wie wordt gefluisterd dat ze een Nobelprijswinnares in waiting is. 'Ontwikkelingssamenwerking is nogal modegevoelig. Opeens zijn microleningen in, vervolgens loopt iedereen weg met onderwijs’, stelt Duflo, in haar Parijse appartement vlak achter het Quartier Latin. De kamer ziet eruit als die van een reiziger. Veel koffers en exotische snuisterijen. 'Wat geldt als “in” is meestal gebaseerd op vooronderstellingen, en niet op empirisch onderzoek.’
Duflo (1972) is het boegbeeld van wat ook wel de randomistas wordt genoemd: een groep vooruitstrevende economen die verantwoordelijk is voor een stille revolutie in de ontwikkelingseconomie, de tak van de dismal science die zich bezighoudt met armoedebestrijding. Hun onderzoeksprogramma draait om een simpele vraag: wat werkt? Duflo en de haren ontlenen hun bijnaam aan de onderzoeksmethode die ze van de geneeskunde hebben geleend, randomised evaluation. Kort gezegd komt het hierop neer: dien een groep willekeurig gekozen patiënten een nieuw medicijn toe en de andere (vergelijkbare) groep niet. Genezen de behandelde patiënten en blijft de controlegroep ziek, dan heeft het medicijn gewerkt.
Samen met haar mentor, de Indiase econoom Abhijit Banerjee, richtte Duflo in 2003 het Abdul Latif Jameel Poverty Action Lab (J-Pal) op, een onderzoeksinstituut dat deel uitmaakt van het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Een schenking van een rijke MIT-alumnus vormde het startkapitaal. Het doel: door middel van wetenschappelijke experimenten ontdekken onder welke omstandigheden ontwikkelingshulp écht zin heeft. Het was een trendbreuk. In plaats van hulp - denk aan leningen, muskietennetten of landbouwsubsidies - zo wijd mogelijk te verspreiden, delen de J-Pal-onderzoekers hulp uit aan een willekeurig gekozen helft van de behoeftigen. De andere vijftig procent krijgt niets. Na verloop van tijd worden de groepen met elkaar vergeleken. 'Dit soort robuust empirisch onderzoek is de meest betrouwbare manier om het nut van ontwikkelingshulp te testen’, aldus Duflo.

De experimenteerdrift van Duflo en haar team levert vaak verrassende resultaten op. Een onderzoek in China liet zien dat een toelage om rijst te kopen er niet voor zorgde dat ondervoede Chinezen meer aten - een uitkomst die dwars tegen de economische logica ingaat. Wat bleek? Chinezen mét subsidie voelden zich rijk. En dus kochten ze liever voedsel dat status gaf, zoals vlees en zoete producten. Uiteindelijk kregen ze daardoor minder calorieën binnen. In Kenia leerde veldonderzoek dat muskietennetten het beste gratis konden worden weggeven om het gebruik ervan te bevorderen. Een weerlegging van de geijkte opvatting dat, in de ogen van de ontvangers van hulp, gratis gelijk staat aan waardeloos.
Over eventuele morele bezwaren tegen de sociale experimenten van J-Pal is Duflo kort: 'Alles gaat langs een ethische commissie.’ En de bewuste keuze om slechts de helft van een populatie te helpen? 'Zou je een nieuw medicijn meteen op de markt brengen? Natuurlijk niet. Je gaat het eerst testen. Waarom zou dat bij ontwikkelingshulp anders moeten zijn?’
Esther Duflo geldt als tegendraads. Onlangs schreef ze een stuk in Foreign Policy waarmee ze, naar eigen zeggen, een aantal clichés over armoede wilde doorprikken. Neem bijvoorbeeld de claim van de Wereldgezondheidsorganisatie dat meer dan een miljard mensen honger lijden omdat ze te weinig geld hebben om eten te kopen. Een te simpele voorstelling van zaken, volgens Duflo. In haar onderzoeken kwam ze ondervoede Marokkanen tegen die hun geld liever aan een televisie dan aan eten uitgaven. Voor veel Indiërs bleek een kop hete, zoete thee op een dag belangrijker dan een extra maaltijd. Het verhaal van armoede en honger is geen optelsom van statistieken. Het gaat om miljoenen individuen met hun eigen voorkeuren, ambities en afwijkingen.
Tijdens lezingen toont ze graag een afbeelding van een bloedzuiger. 'Economie is net als aderlaten’, is een van Duflo’s stellingen. 'We denken te weten hoe de wereld werkt, maar hebben in feite geen idee’, zegt ze. 'Economen hebben lang gedacht dat er een magische formule is die economische groei kan verklaren, maar we komen er steeds meer achter dat we eigenlijk helemaal niets weten.’
Duflo - klein, gekleed in een blouse met Indiase motieven - spreekt zacht en laat soms lange stiltes vallen, waarin ze lijkt te broeden op haar formuleringen. 'Economen spreken over het “residu”, dat deel van groei dat onverklaard is. Een verkeerde term. Het residu is veel groter dan wat we wel weten.’ Duflo’s pragmatisch realisme overtuigt niet iedereen. Toen ze enkele jaren terug in de Franse krant Libération betoogde dat hulporganisaties beter vaccins voor mazelen konden uitdelen dan aidsremmers (lange tijd een troetelkind van de ontwikkelingsindustrie), omdat daarmee meer levens gered werden, ontving ze felle kritiek. Enkele collega-economen waren sceptisch over haar onderzoeksmethode. Het succes van een randomised control trial is afhankelijk van een zeer strak geregisseerd experiment. Dat is misschien mogelijk in een laboratorium, maar niet altijd op het platteland van Kenia of in de sloppen van New Delhi. Menselijk gedrag laat zich niet zonder meer sturen, menen de critici. Anderen zetten vraagtekens bij de noodzaak van vergelijkend onderzoek. Arthur Deaton, hoogleraar economie op Princeton, maakte ooit een cartoon van Duflo en Banerjee die samen uit een vliegtuig springen, de een met parachute, de ander zonder. Zijn punt: we hoeven niet alles te testen.
De kritiek lijkt weinig effect te hebben. Duflo is enorm populair bij geldschieters. In 2010 gaf de MacArthur Foundation haar een zogeheten genius grant om randomised evaluation verder te ontwikkelen. Bill Gates bood zich aan als financier van Duflo’s onderzoek naar het gebruik van openbare toiletten in India. En waar geld voor onderzoek is melden wetenschappers zich al gauw. Inmiddels hebben 55 economen - voornamelijk afkomstig van Amerikaanse topuniversiteiten - zich bij J-Pal aangesloten. Samen runnen ze 150 experimenten in ruim veertig ontwikkelingslanden en hebben ze ruim achthonderd jonge randomistas getraind.
'Het lijkt voor de hand te liggen om te onderzoeken hoe mensen reageren op hulp’, geeft Duflo toe, 'maar macroeconomische modellen die beschrijven hoe de wereld in elkaar zit, hebben lange tijd de economie gedomineerd. Evalueren of aannames ook kloppen past daar niet bij. Op die manier kon het gebeuren dat economen volledig werden verrast door de crisis. Die paste simpelweg niet in de modellen. Maar je moet het veld in om te begrijpen wat het probleem is, een oplossing verzinnen en dan testen of het werkt. Een belachelijk simpel idee, maar ver van de werkelijke gang van zaken.’
DUFLO STUDEERDE aan de École Normale Supérieure, de meest vooraanstaande van de Franse Grandes Écoles, waar de scherpste jonge geesten van Frankrijk worden klaargestoomd voor maatschappelijk succes. Tegenwoordig is Duflo nog maar zelden in haar geboorteland te vinden. Ze pendelt heen en weer tussen de VS en de landen waar J-Pal experimenten heeft lopen. Op de dag van ons gesprek is ze in Parijs om de jaarlijkse flagship conference van de Wereldbank bij te wonen. 'Een verplicht nummer’, zegt Duflo. 'Bij zulke gelegenheden ben ik een soort tekenfilmfiguur. Ik doe precies wat er van me verwacht wordt. Ik schuif aan en vertel wat over het belang van goede experimenten. Hopelijk steekt iemand er wat van op.’
Dat laatste lijkt wel goed te zitten. Samen met onder andere de Bill Clinton Foundation, India en overheden van ontwikkelingslanden in Afrika startte Duflo het programma Deworming the World. J-Pal-onderzoek had uitgewezen dat het geven van een wormenkuurtje, à raison van gemiddeld vijftig dollarcent per kind, een effectieve manier is om het leven van armen te verbeteren. Wormvrije kinderen doen het beter op school, zijn gezonder en worden gemiddeld vijf centimeter langer. In 2010 werden zo dertien miljoen schoolkinderen wormvrij gemaakt.

Het ontwormingsprogramma is een van Duflo’s vele successen. In 1999 - ze was 25 - rondde ze haar proefschrift op het MIT af. Op haar 29ste kreeg ze daar haar leerstoel aangeboden, waarmee de universiteit de stelregel brak om geen eigen kweek in dienst te nemen. Inmiddels heeft Duflo, nog geen veertig, nagenoeg alle prijzen binnengehaald die een econoom van haar leeftijd kan verdienen. In 2010 won ze de John Bates Clark-medaille, de onderscheiding voor de meest invloedrijke jonge econoom. Eerder werd ze als jongste vrouw ooit lid van het Collège de France, het hoogste wetenschappelijk college van Frankrijk. Time Magazine nam haar op in de lijst van meest invloedrijke personen ter wereld.
Tegen wil en dank wordt ze geframed als het nieuwe gezicht van het Franse intellectualisme. 'Step Aside Sartre, Here Comes the New Face of French Intellectualism’, kopte de Britse krant The Daily Telegraph boven een artikel over Duflo. Ze moet lachen om die vergelijking. 'De Britten zetten Franse denkers graag neer als onbegrijpelijke, abstracte intellectuelen. Ik ben het tegenovergestelde van dat stereotype. Ik doe concreet onderzoek en werk in de Verenigde Staten. Dan val je al snel op.’
Toch is de krantenkop meer dan een gratuit geintje. Duflo staat wel degelijk symbool voor een bepaald nieuw type publieke intellectueel. Waar types als Sartre dachten dat de wereld veranderd kon worden vanuit de cafés aan de Boulevard Saint-Germain weten denkers van Duflo’s generatie dat wie echt wat wil veranderen achter de schrijftafel vandaan moet komen. Hun aanpak is eerder wetenschappelijk dan filosofisch. Harde data wegen zwaarder dan fraaie zinnen.
En ze heeft ook de tijd mee. Momenteel staat de economische wetenschap niet bepaald in een gunstig daglicht. Te abstract, te losgezongen van de werkelijkheid, was de veelgehoorde kritiek in de nasleep van de financiële crisis die in 2007 begon. Duflo wordt omarmd precies vanwege de toepasbaarheid van haar onderzoek. Het weekblad Foreign Policy noemde Duflo als een van de honderd meest belangrijke global thinkers omdat ze laat zien dat economisch onderzoek wel degelijk iets met 'de echte wereld’ te maken heeft.

VLAK voor de zomer verscheen Duflo’s eerste publieksboek, Poor Economics: A Radical Rethinking of the Way to Fight Global Poverty. Ze schreef het samen met Abhijit Banerjee. Het boek is een tour d'horizon langs het onderzoek dat J-Pal de afgelopen jaren heeft uitgevoerd. Uit veel experimenten blijkt dat als vrouwen meer zeggenschap over hun eigen leven krijgen armoede en honger sneller afnemen. Momenteel loopt er in Bangladesh een onderzoek naar prikkels die het uithuwelijken van jonge meisjes tegen moeten gaan. J-Pal geeft gezinnen zestien liter zonnebloemolie per jaar voor iedere ongetrouwde dochter onder de achttien. Duflo is in afwachting van de resultaten.
Dit soort gendervraagstukken zijn een terugkerend thema in het werk van Duflo. In Zuid-Afrika ontdekten ze dat pensioenen beter aan vrouwen dan aan mannen kunnen worden uitbetaald. Gezinnen waarin oma in plaats van opa geld kreeg, hadden gemiddeld veel gezondere kinderen. Mannen bleken geld uit te geven aan drank en sigaretten, vrouwen aan eten en medicijnen. Op de suggestie dat mannen wellicht de wortel van alle armoedeproblematiek zijn, reageert ze geamuseerd: 'Ach, vrouwen lijken misschien verstandiger, maar dat komt ook omdat ze in een verzorgende rol worden geduwd. Misschien willen zij uiteindelijk ook wel liever drinken en roken.’ Dan, weer serieus: 'Maar concreet bewijs hebben we daar niet voor.’
Poor Economics is tevens een strijdverklaring aan het adres van mensen als Jeffrey Sachs en William Easterly, de mannen die het ontwikkelingsdebat domineren. Sachs, VN-adviseur en hoogleraar aan Columbia University in New York, gaat uit van de zogeheten armoedeval: een negatieve vicieuze cirkel door gebrek aan kapitaalinvesteringen die armoede kunnen doorbreken. Volgens hem ligt de oplossing in ruime financiële steun aan ontwikkelingslanden. William Easterly, hoogleraar aan New York University en auteur van The White Man’s Burden, stelt juist dat hulp meer kwaad dan goed doet. Net als Dambisa Moyo, de jonge Zimbabwaanse econome die het boek Dead Aid schreef, is Easterly van mening dat hulp vooral dient om de ontwikkelingsindustrie draaiende te houden en dat het corruptie in stand houdt. Hun oplossing: meer ruimte voor de vrije markt.
Duflo neemt nadrukkelijk afstand van beide kampen. 'Sachs, Easterly, Moyo, allen hanteren ze een model waarmee ze de hele wereld verklaren. Maar uiteindelijk zijn hun ideeën vooral gebaseerd op anekdotisch bewijs. Zo voert Easterly het feit dat de landen die veel hulp hebben gekregen niet harder zijn gegroeid dan de rest aan als bewijs dat hulp zinloos is. Maar het kan net zo goed andersom zijn. Misschien waren die landen zonder hulp nog wel veel slechter af. Uiteindelijk is dat pure speculatie. Ieder armoedeprobleem heeft zijn eigen ingewikkelde structuur. Die moet op microniveau systematisch onderzocht worden. Het ontwikkelingsvraagstuk kan niet in abstracto worden opgelost.’
Duflo gaat ook het debat aan met Peter Singer. In 2009 deed de Australische filosoof stof opwaaien met zijn boek The Life You Can Save waarin hij betoogde dat iedere welvarende westerling de morele plicht heeft alleen voor zichzelf te houden wat hij echt nodig geeft. De rest van het inkomen moet naar armen gaan. Duflo staat sympathiek tegenover die boodschap, maar heeft een groot bezwaar: 'Het betoog van Singer veronderstelt dat we weten hoe we armen kunnen helpen. Het is makkelijk om een moreel appèl te doen of om geld over te maken. Maar zonder uit te zoeken welke hulp effectief is, heeft het weinig zin.’ Ze reageert daarom ook terughoudend op de vele enthousiaste vrijwilligers die 'iets aan ontwikkelingshulp doen’: 'Privé-initiatief is mooi, maar beperk het tot dingen waarvan we weten dat het ergens toe leidt. Mensen doen het liefst iets wat fysiek resultaat oplevert, zoals een school bouwen. Prima, maar weinig zinvol. Lesgeven kan ook in een schuur, of desnoods in de openlucht. Leraren en lesmateriaal zijn veel belangrijker.’
Het kost weinig moeite om Duflo’s liefde voor harde, meetbare resultaten te zien als een product van haar opvoeding. Haar vader was wiskundeprofessor, haar moeder was een kinderarts die veel in oorlogsgebieden werkte. Toch koos Duflo aanvankelijk voor een studie geschiedenis. 'Ik haatte economie, ik vond het een debiele wetenschap’, vertelde ze vorig jaar tegen een journalist van The New Yorker. Pas na haar scriptieonderzoek in Moskou, kort na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, stapte ze over naar de economie. De reden: historisch onderzoek vond ze te weinig concreet.
Dat Duflo weinig geduld heeft voor theoretisch gespeculeer blijkt andermaal tegen het einde van het gesprek. Een vraag over hoe ontwikkelingshulp zich verhoudt tot de geschiedenis van het kolonialisme kapt ze resoluut af. 'De angst onder ontwikkelingswerkers om als “paternalistisch” te worden weggezet, is enorm’, zegt ze. 'Het hele discours van de ontwikkelingssamenwerking draait om armen die zelf “verantwoordelijkheid” moeten nemen. Rechts zegt: je moet armen niet willen babysitten. Links zegt: wij kunnen onze waarden niet aan anderen opleggen. Uiteindelijk komen beide beweringen op hetzelfde neer: hulp is alleen goed als het ervoor zorgt dat mensen uit eigen beweging wat doen. Wat mij betreft is het een schadelijke misvatting.’
Om duidelijk te maken wat ze bedoelt, dist Duflo opnieuw een van haar experimenten op. Ditmaal gaat het om een inentingsprogramma in India. 'We gaven iedere ouder die een kind naar de inentingskliniek bracht een zak linzen. Een simpele prikkel om te kijken of de opkomst kon worden vergroot. Het effect was gigantisch. Toch kwam er veel commentaar. Het zou verkeerd zijn om mensen op deze manier om te kopen. Stupide kritiek. In Europese landen is inenten verplicht. We zijn compleet paternalistisch als het om onszelf gaat, maar armen moeten zogenaamd zelfredzaam zijn.’
Pragmatisch, empirisch en gespeend van zware normatieve claims; is het werk van Duflo een vorm van ideology-free politics?'Ik probeer bewust voorbij het ideologische debat te gaan, maar dat is niet hetzelfde als waardenvrij onderzoek willen doen’, benadrukt ze. 'Achter randomised evaluation gaat wel degelijk een opvatting schuil over wat een betere wereld is. Uiteindelijk is het onverkwikkelijk dat iemand een lage levensverwachting heeft en meer kans heeft op armoede, enkel omdat hij op een bepaalde plek geboren is. Onderzoek moet uitwijzen hoe die ongelijkheid bestreden kan worden. Dat is geen ideologie. Ideologie staat voor mij gelijk aan oogkleppen. Vaste aannames maken blind voor wat harde data ons kunnen leren.’

Deze maand verschijnt bij Nieuw Amsterdam de vertaling van Poor Economics (Arm en kansrijk).