De schaamte van Marlies Heuer

«Je moet jezelf lelijk durven laten zien»

In tijden waarin schaamteloosheid troef lijkt — of het nu gaat om het etaleren van genot, het exploiteren van leed of het uitleven van de zucht naar bevrediging — brengt De Groene een serie interviews over schaamte. In deze vierde aflevering is actrice Marlies Heuer aan het woord.

Marlies Heuer speelt op het moment in een productie van Toneelgroep Amsterdam. Een gesprek over verlegenheid en ongemak op de bühne. Acteren blijft een vak, maar: «Grote emoties zijn vaak toch moeilijke dingen. Ik probeer ze altijd maar weer een beetje te relativeren.»

«Ik geloof niet dat ik eerder zo’n depressieve heks heb gespeeld», zegt Marlies Heuer over haar rol in Ibsens John Gabriel Borkman. In deze productie van Toneelgroep Amsterdam, onder regie van Mirjam Koen, speelt zij de vrouw van de titelheld, Gunhild Borkman. Bij binnenkomst van de zaal kan het publiek haar al zien zitten op het toneel. Wachtend, broedend, af en toe een blik werpend in de richting van de mensen die hun plaatsen innemen. Een blik die niet veel goeds belooft, een lichaam dat tot het uiterste gespannen is.

Marlies Heuer: «Het is het ergste moment van de hele voorstelling. Ik zei ook eerst dat ik het niet zou doen. Later vond ik dat kinder achtig van mezelf. Borkman zelf zit daar ook (gespeeld door Fred Goessens — mp), zij het verder weg en met zijn rug naar het publiek. Het klopt ook wel dat ik daar zit. Ik ben de vrouw die de hele dag thuis zit, die zit te wachten op haar zoon. Niet dat ik me op dat moment zit in te leven. Het enige waar ik mee bezig ben is luisteren naar de voetstappen en het geroezemoes van de mensen die binnenkomen. Dat maakt me altijd zenuwachtig. Zeker in Amsterdam. Ik kijk één seconde op en dan zie ik net weer iemand die ik ken. O die, denk ik, en die. En: o jeetje, die is er ook.»

Maar je hebt geen last van extreme zenuwen? Dat je moet overgeven vlak voor aanvang bijvoorbeeld?

«Dat heb ik wel gehad, maar dat speelt zich meer af rond de première. Wat niet betekent dat ik ook nu niet opeens heel zenuwachtig kan zijn. Eigenlijk denk ik altijd wel vlak van tevoren: mag er iets gebeuren waardoor de voorstelling niet doorgaat. Die gedachte is er altijd even. Als je dan eenmaal de rol instapt, is het over.»

Heuer excelleert in terughoudendheid in haar toneelspel. Zij is de spreekwoordelijke tijdbom die tikt en tikt en ieder moment dreigt af te gaan. Bij Theatergroep Carrousel, waaraan ze acht jaar lang verbonden was als artistiek leider, regisseur en acteur, bracht ze de onderdrukte woede en nervositeit tot leven van onder meer de gefnuikte Ibsen- en Strindberg-vrouwen. Als Hedda Gabler fladderde ze over het toneel alsof ze opgesloten zat in een kooi, gekleed in een knalrode baljurk die met de handen omhoog gehouden moest worden omdat de lange rits op de rug een stukje open hing. De vertolking leverde haar de Theo d’Or op, in 1998, de hoogste onderscheiding die een Nederlandse actrice ten deel kan vallen. In Borkman zijn de handen van Gunhild druk doende bladeren af te ritsen van droogbloemen waarmee ze tafelstukjes maakt. Heuer, wriemelend met een klein helblauw glazen poppetje in haar handen, vertelt dat de regieaanwijzingen van Ibsen een vrouw met een grijs knotje vermelden, die in een fauteuil zit te handwerken bij de open haard. «Dat wilden we niet.»

Speel jij nu vaak een bepaald vrouwtype, of trek jij een rol zo naar je toe dat het «jouw» type wordt?

«Daar is allebei wat van waar. (Páng, zegt opeens het poppetje in haar handen. Beentje eraf. «O.») Ik probeer wel iedere keer wat anders te doen.»

Ze legt uit dat ze altijd vanuit een «fysiek» werkt.

«Een van Gunhilds eerste zinnen is: ‹Ik heb het altijd koud.› Dat zet mij op een spoor. Van de decorontwerper kreeg ik die bloementafel. Mirjam (Koen, de regisseur — mp) had een wintersprookje voor ogen. Het sprookje, de winter, de kou, zo verzamel ik mijn ingrediënten. En dan de situatie. Al dertien jaar zitten mokken, zonder iets uit te voeren, haar man hatend die zich op de verdieping erboven heeft teruggetrokken. Zeker bij dit stuk dacht ik: het moet niet gewoon zijn. Ik vind het leuk om zo’n personage te creëren met een kapsel en kleding. Ik dacht: die vrouw is nooit meer naar de kapper geweest.»

Marlies Heuers haar is in werkelijkheid inderdaad een stuk korter dan op het toneel, terwijl je zou zweren dat ze daar met haar eigen haar staat. Deze verwarring is kenmerkend voor de dubbelzinnigheid die aan de hele voorstelling kleeft: de naturalistische ernst wordt uitvergroot door de archaïsche taal en het abstracte decor, wat zowel een komisch als een emotioneel verhevigend effect heeft. Zoals Ibsen zelf een van zijn personages in dit stuk laat opmerken: «Het lijkt wel een tragedie.» Waarop de ander zegt: «Het heeft ook wel iets van een komedie.»

Marlies Heuer: «Dat maakt het ook spannend om te spelen. Als je het net even overtrokken doet, wordt het melodrama. Dat ligt voortdurend op de loer.»

Lever je je uit in je spel?

«Het is in dit geval wel echt een rol die ik speel. Ik ben niet die vrouw. Dat word ik pas als ik mijn jurk aantrek en mijn kapsel heb. En dan nog transformeer ik nooit helemaal in een ander. Ik neem mezelf mee in een rol. Je kunt niet buiten jezelf om. Je doet het met je eigen humor, je eigen fysiek. Als ik op het toneel sta, sta ik met één been op het toneel en met één been daarbuiten. Ik lever me dus niet helemaal uit. Op het moment dat het afgelopen is, is het ook afgelopen. Dan kun je het met mij ook meteen ergens anders over hebben.»

Je voelt je niet naakt als je op het toneel staat?

«Nou, je zit altijd op een grens. Je staat iets te doen (lacht) en je laat allemaal mensen naar je kijken. Als je het dan over schaamte hebt… Het is de spannende balans waarop toneelspelen is gebaseerd. Het moment dat je opgaat en denkt: ik wil eraf hollen. Omdat je eigenlijk niet wilt, of niet durft. De grootste angst is dat iemand in de zaal gaat roepen. Dat mensen zeggen: ga nou maar eens weg. Kun je niet wat anders gaan doen? Je staat er zo kwetsbaar. Je staat je fratsen uit te halen en laat honderd of tweehonderd mensen in het donker naar je kijken. De nachtmerrie is dat iemand je komt aanvallen. Soms gebeurt er wel eens iets, iemand wordt niet goed, en dan is die doorbreking ook echt verschrikkelijk. Dan zit je opeens het publiek aan te kijken.»

Je bent niet bang dat je zelf neerstort?

«Die angst is er ook, maar daar moet je niet te lang over nadenken. Dan kríjg je ook een black-out. Ik vind het wonderlijk dat het niet vaker gebeurt dat een acteur ophoudt en zegt: ik wil niet meer. We houden ons allemaal maar aan die afspraken. We nemen die sprong in het diepe, om half negen. Ik vind het natuurlijk ontzettend leuk, maar het is ook een heel gênant iets.»

Ze vertelt dat bij de voorstelling van de avond ervoor haar zus Cécile, eveneens actrice, in het publiek zat. «Het is raar om voor je ouders, je allernaasten, je eigen vriend, toneel te spelen. Dat is een beetje beschamend. Ik bedoel het allemaal niet zo ernstig, hoor, denk ik dan steeds. Ik vind het zelf ook moeilijk naar mijn naasten te kijken. Als je elkaar goed kent, is het moeilijk om de illusie in stand te houden dat het allemaal maar spel is.»

Marlies Heuer komt uit een milieu waarin het artistieke met het pedagogische werd verenigd. Haar vader werkte bij de radio als hoorspelacteur, gaf les in dramatische expressie, regisseerde en schreef voor amateurtoneel. Haar moeder was pianiste bij het Scapino-ballet. Vanaf haar zesde was het vanzelfsprekend dat ze meeging, dansen, pianospelen. «Er werd bij ons veel tussen de schuifdeuren opgetreden.» Toch was ze naar eigen zeggen niet zo’n «uitbundig» type. Toneelspelen deed ze wel, ook op de middelbare school bijvoorbeeld, maar vooral omdat ze het leuk vond om «iets te maken», even «te ontsnappen aan de werkelijkheid». Aanvankelijk was ze vooral in dansen geïnteresseerd. Ze legde zich toe op moderne dans en bewegingstechnieken en volgde uiteindelijk de mimeopleiding, een vak waarin ze nu nog steeds lesgeeft. «De mimeopleiding is een theaterschool op zich. Je maakt daar je eigen voorstellingen. Dat is het aardige van die achtergrond: ik heb nooit een afhankelijke positie gehad. Ik heb altijd zelf dingen gemaakt of geïnitieerd, en daarnaast kon ik spelen in andermans producties.»

Heuers bewegingsgeschiedenis is zichtbaar in haar fysieke wijze van acteren. Haar vingertoppen kunnen iemands schouder naderen alsof ze diegene gaat elektrocuteren. Ze staat iets te doen op haar laarzen waarvoor «stampvoeten» een al te grove aanduiding is; het heeft meer met hevige, korte spasmen van doen. Ze moet dan ook geregeld naar de fysiotherapeut. «Gunhild zit zo vol wrok, en nijd en haat, dat ze af en toe helemaal in een kramp blijft zitten.»

Als ze vertelt over een Carrousel-productie van vorig jaar, Abigail’s Party van Mike Leigh, een in de jaren zeventig gesitueerde komedie waarin een hoop gin-tonics en nog meer sigaretten worden weggewerkt, maakt ze even de uitdeelbeweging om de sfeer te kenschetsen. «Sigaretje? Sigaretje?» Het komische talent van Heuer, altijd onder het oppervlak voelbaar, welke ijskoningin ze ook speelt, werd door Theo van Gogh aangesproken in het toneelstuk Voetbalvrouwen, waarin zij een driftig regelende Danny Cruyff neerzette.

Is toneelspelen een vorm van exhibitionisme?

«Dat vind ik een heel groot woord. Misschien is het wel zo, maar ik vind mezelf niet erg exhibitionistisch. Je laat je zien en je verschuilt je. Je hebt natuurlijk wel acteurs die het heerlijk vinden zich helemaal te buiten te gaan. Misschien dat hun schaamtegrens wat verder ligt dan de mijne. Ik wil wel van alles laten zien en allerlei rollen spelen, en dat ook nog uitbreiden. Maar ik zie het toch eerder als een vak dan als een vorm van exhibitionisme.»

Zou je je op toneel uitkleden als een stuk dat verlangt?

«Dat zou ik niet gauw doen. Ik zou zeggen: als het per se moet, neem dan maar een ander. Ik heb het trouwens nog nooit meegemaakt. Ik heb weinig met regisseurs gewerkt die dat in hun pakket hadden. Toevallig heb ik veel met vrouwen gewerkt en die (lacht) vragen dat sowieso niet.»

De bloottrend irriteert haar een beetje. «Ik zou altijd een andere manier kiezen om nu juist die clichés te laten zien. Daarin ben ik geïnteresseerd. Het is natuurlijk toch afleidend, dat blote.»

Haar leidraad bij het zich eigen maken van een rol is steevast: hoe weinig kan ik tonen om hetzelfde effect te bereiken. «De eerste schreden op de repetitievloer zijn altijd lastig. Dan vind ik het vaak erg overdreven wat ik doe. Je moet jezelf weer zien te overwinnen. Steeds kom je een stapje verder. Grote emoties zijn vaak toch moeilijke dingen. Ik probeer ze altijd maar weer een beetje te relativeren. En dat moet ik ook weer niet te veel doen. Om het geloofwaardig te maken, dat is het moeilijkst. Dat kun je niet in één keer doen. In twee maanden repeteren bouw je een rol op met behulp van details. Die grote emoties kan ik niet meteen spelen. Nog steeds niet. Je groeit er naartoe en thuis ga je zitten denken: wat gebeurt er met die mensen? Ik ben altijd bezig met reduceren.»

Kristien Hemmerechts, eerder geïnterviewd voor deze serie, trok een parallel tussen acteren en schrijven: als je dat wilt, moet je de «deftigheid» die juist vrouwen wordt bijgebracht, loslaten.

«Je moet jezelf lelijk durven laten zien. Dat is soms inderdaad een overwinning. Ik wil altijd alles wel in de hand hebben en moet dan over de streep worden getrokken. Het leukste is het om slechte personages te spelen. Het allerleukste is het natuurlijk om deftig te zijn en je dan te laten gaan.»

Krijg je door te spelen ook meer inzicht in je eigen verborgen kanten?

«Dat zit er wel in, maar nogmaals: het is vooral een vak waarmee ik bezig ben. Ik ben soms wel verbaasd dat ik, terwijl ik er al zo lang in zit, nog steeds hetzelfde voel. Ik blijf wie ik ben. Ik was vroeger nogal verlegen. Dat is een rare tegenstelling, omdat we thuis al zoveel optraden, maar het maakte die verlegenheid er niet minder op. Toch heb ik dit vak al dertig jaar kunnen volhouden.»

Is het nu weg dan, die verlegenheid?

«Ja, waarschijnlijk wel. Nou nee, ik voel het eigenlijk nog wel. Maar goed. Mijn moeder en mijn zus zijn allebei nogal extravert, als kind hobbelde ik wat achter hen aan. Vandaar denk ik dat ik met die bewegingskant ben begonnen. Ik stond me vroeger heel mooi dramatisch te bewegen.» Ter demonstratie vouwt ze de handen boven haar hoofd: even is er een glimp van iets dat het midden houdt tussen een stervende zwaan en een Balinese danseres.

Toneelgroep Amsterdam speelt John Gabriel Borkman tot het einde van het jaar overal in den lande (informatie: 020- 5237800).