Interview: Marte Röling

«Je moet juist heel veel van elkaar houden»

Na 36 jaar samen overleed vorig jaar Henk Jurriaans, de partner van kunstenares Marte Röling. Het koppel was onafscheidelijk. «Ik ben al die jaren gelukkig geweest, maar het kost me nu de grootste moeite daar dankbaar voor te zijn.»

In de tuin van haar boerderij rookt Marte Röling (1939) Van Nelle-zware shag. Ze is tijdelijk gestopt met het roken van sigaren. Het bekende beeld dat in de jaren zeventig van de kunstenares is ontstaan, is dat van een knappe vrouw met heftige make-up en onafscheidelijke sigaar. De make-up is er nog steeds – zwarte oogschaduw en knalroze lippenstift. Het jarenlang sigaren roken heeft haar stem een aangename kwaliteit gegeven.

«Toen ik negen of acht was had ik een moment waarop ik me realiseerde wie ik was. Nadat ik de hele dag druk had gespeeld met mijn ouders en mijn broertje en met vriendjes, stond ik ’s avonds in mijn eentje buiten. Ik stond tussen de eikenbomen, sneeuw dwarrelde naar beneden – het was heel mooi – en opeens kreeg ik een gevoel van ‹zelf›, een gevoel dat ik zelf iemand was. Dat ik niet alleen deel uitmaakte van een familie, maar dat ik zelf ook een individu was. Het woord « individu» kende ik nog niet, maar zo voelde ik het. Dat gevoel, dat ik wist wie was, heb ik altijd gehouden. Dat voel ik nog steeds. Of dat geluk is weet ik niet, maar het was een heel belangrijk moment in mijn leven. Ik ben 36 jaar gelukkig geweest. Tot op de dag dat Henk doodging.»

Röling spreekt nadrukkelijk over «doodgaan». «Overlijden» vindt ze te verzachtend. «Soms ben je wel eens kwaad of verdrietig, natuurlijk, maar over het algemeen was ik altijd intens gelukkig. 36 jaar is een lange tijd voor geluk, langer dan de meeste mensen hebben. Ik moet dus eigenlijk dankbaar zijn, maar dat kost me nog de grootste moeite.»

In het huis is er geen ontkomen aan Henk Jurriaans. Na zijn overlijden is Röling met een serie portretten van hem begonnen. Op grote doeken, bijna twee bij twee meter, is zijn gezicht geschilderd in felle kleuren. Rood, oranje, geel, roze. Erg popart. Op alle schilderijen ziet Jurriaans eruit als een popster. Met lang haar, kaal, met dikke bakkebaarden, met bril, in kostuum, in bontjas. Inmiddels heeft ze 27 stuks gemaakt – waar de teller zal ophouden is onbekend. Nu al hangen de muren van haar atelier er vol mee. Haar atelier is de enorme verbouwde schuur van de boerderij. Ooit was het een graanboerderij, nu huist er een wonderlijke verzameling van de meest uiteenlopende kunstwerken. Twee enorme gouden duiven – van de Floriade van 2002 – staan voor een ets van een bijna ondeugend glimlachende Beatrix.

In een hoek hangt een aantal doeken van haar vader, Gerard Röling, professor aan de kunstacademie. Naast een schilderij van haring met een Hollands vlaggetje erin geprikt, hangt een prijskaartje met een flink bedrag erop. «Ze zijn wat onrealistisch geprijsd. Eigenlijk wil ik deze doeken niet kwijt, dus als iemand interesse heeft, moet hij ook flink over de brug komen.» Het grootste doek is een portret van Marte, een jaar of zes oud. Ze draagt een net jurkje en heeft haar armen streng over elkaar.

Marte Röling: «Mijn vader gaf les aan de Rijksacademie der Kunsten te Amsterdam, zoals dat heette. Mijn moeder maakte beelden en schilderijen. Nog voordat ik kon praten, kon ik al tekenen. En later, als iemand aan me vroeg wat ik wilde doen als ik groot was, antwoordde ik altijd: ‹Ik ga tekenen› of ‹Ik ga naar de academie›. We woonden in Laren, in ’t Gooi. In die tijd was het nog niet zoals nu. Toen zaten de boeren aan het eind van de dag nog op het trottoir, in hun klompen, een sigaartje te paffen. Het hele hockeymilieu was er toen ook wel, maar mijn ouders wilden daar niets van weten. Toen ik een jaar of veertien was, werd ik verliefd op een jongen die op hockey zat. Dus toen moest en zou ik ook hockeyen. Mijn ouders hadden best door dat het allemaal om die jongen te doen was en zagen het niet zitten. Bovendien waren ze bang dat ik door een stick op mijn tanden mijn looks zou verliezen. Met die jongen is het nooit wat geworden. Ach, voor jonge meisjes zijn er jongens te over om verliefd op te worden. Ik was altijd, al op de lagere school, wel verliefd op iemand.

Ik ging op mijn zestiende naar de academie, eind jaren vijftig. Mijn ouders vonden het prima, maar ze dachten dat ik uiteindelijk kinderen zou krijgen met een man die begreep dat ik af en toe wilde tekenen. Al vroeg wist ik dat ik juist geen kinderen wilde, en ook niet wilde trouwen. Ik wilde mijn eigen geld verdienen, zelfstandig zijn. ‹Zelf, zelf› was een kreet van mij als kind. Alles wilde ik zelf doen.»

Was u op de academie «de dochter van de professor»?

Marte Röling: «Hij trok me nooit voor. Geregeld kwamen er mensen naar de academie, op zoek naar een student die een affiche of een boekomslag kon maken. Nooit gaf hij die opdrachten aan mij. Daar staat tegenover dat ik, terwijl ik op de academie zat, al exposeerde. Eigenlijk mocht dat niet, maar gezien mijn vader werd dat wel toegestaan.»

Waaruit putte u inspiratie?

«Uit van alles. Er was een medestudent, Roger Chailloux, die prachtig werk maakte. Ook ontdekte ik Picasso. Bij mijn ouders lagen altijd wel boeken van hem, maar toen pas zag ik hoe mooi zijn schilderijen eigenlijk waren. De meeste studenten waren toentertijd bezig in de voetsporen van Karel Appel. Ik niet. Ik tekende poppetjes, als het ware. Figuratieve, geabstraheerde tekeningen. Bij een tentoonstelling van jonge, aankomende kunstenaars, in Museum Fodor in Amsterdam, een onderdeel van het Stedelijk Museum, keek iedereen mij raar aan. Halverwege die tentoonstelling kwam er een poparttentoonstelling naar Nederland; mijn etsen en litho’s sloten daar perfect bij aan. Opeens was ik de hit van de groep.»

Was u verbaasd over dat succes?

«Nee. Helemaal niet. Jaren later, bij een verhuizing ben ik krantenknipsels uit die tijd tegengekomen. Ik heb ze toen nooit gelezen en dat is maar goed ook; ik was zeker naast mijn schoenen gaan lopen, zo enthousiast waren die kritieken. In die tijd las ik ze nooit; ik vond het doodnormaal dat je als kunstenaar met een foto van je werk in de krant kwam. Mijn vader stond altijd met zijn werk in de krant.

Toen ik van de academie af kwam, ging ik over de hele wereld exposeren met grafiek dat ik op de academie gemaakt had. Bij mijn succes stond ik nooit zo stil. Dat was in de jaren zestig, een geweldige tijd in Amsterdam, een heel levendige tijd. Ik kon nooit binnen zitten, wilde altijd naar buiten – dansen, naar de film. Minstens twee keer per week ging ik naar het Stedelijk Museum. Dat heb ik jarenlang volgehouden; ik kon eindeloos naar die doeken kijken. Heerlijk.»

En nog steeds was u altijd wel verliefd op iemand.

«Dingen werden serieuzer. In die tijd leerde ik Hans Koetsier kennen. Hij was toen nog geen beeldend kunstenaar, maar hij trok al snel bij mij in en ik had overal doeken en kwasten liggen. Op een dag begon hij te schilderen. Ik vond het geweldig wat hij maakte en heb hem altijd aangemoedigd door te gaan.»

En toen kwam Henk Jurriaans.

«Ik heb Henk ontmoet in 1970. Mijn nichtje was getrouwd met Johan Barendregt. Johan was hoogleraar psychologie en op een dag nodigde hij Hans en mij uit om mee te gaan naar een feestje van zijn studenten. Hans zag het niet zo zitten. Hans had een manier van doen waardoor ik me altijd schuldig voelde als ik wegging, alsof ik hem in de steek liet. De boef; zelf was hij ook altijd de deur uit en had stiekem verhoudingen. Iets wat ik helemaal niet erg vond, trouwens. Ik ben toch naar dat feestje gegaan en toen we aankwamen stond Henk in de deuropening. Ik zag hem en dacht: dat is nou precies wat ik bedoel.

In eerste instantie wilde ik er geen werk van maken; er hingen de hele avond al vrouwen om hem heen. Hij had een roze overhemd aan met opgerolde mouwen; hij had zulke prachtige armen, heerlijk mooie, gespierde armen. Op een gegeven moment stond ik naast hem en vroeg ik, heel droog: ‹Mag ik even aan je arm komen?› Dat vond Henk heel bijzonder, dat ik het zo netjes vroeg. Voor hem was dat ook het moment waarop hij merkte dat ik een ander soort mens was dan hij dacht. ‹Maar pas op, als je dat doet kom je nooit meer van me af›, antwoordde hij. Dat was waar.

Ondertussen was ik natuurlijk nog wel met Hans, die ik niet zomaar kon achterlaten. Het was een enorm drama. Uiteindelijk zei Henk dat hij mij voor zichzelf wilde hebben. Dat vond ik geweldig – ik was zo ontzettend verliefd, maar ik voelde me ook echt verscheurd tussen Hans en hem. Ik weet nog dat ik een keer dacht: ik hang me aan de hoogste boom op, dan zullen ze weten hoeveel ik lijd. Ik hoorde het mezelf denken.

Hans had inmiddels een huis gekocht aan de PC Hooftstraat. Op een middag zat ik daar in de tuin, toen er een jong poesje van de schutting sprong. Het beestje kroop bij mij op schoot, ging op zijn gemak op zijn rug liggen en rekte zich uit. Jij kleine sodemieter! dacht ik. Jij weet er meer van dan ik. Dat wilde ik ook. Na een tijd heb ik een onderbroek, een liniaal, papier en een paar pennetjes in mijn rode laktas gegooid en ben ik naar Henk gegaan. Ik heb in Henks armen liggen huilen om Hans. Maar ik kon niet anders – ik leek Luther wel – ik kon niet niet bij Henk zijn.»

Jurriaans was gespecialiseerd in alles. Tenminste, dat stond op zijn visitekaartje. Van huis uit was hij psycholoog, die zijn patiënten voorschreef vooral te doen wat ze leuk vonden. Zijn adagium ‹Ik ben oké, jij bent een lul› werd algemeen bekend – in werkelijkheid was het een reactie op het boek Ik ben oké, jij bent oké van een andere psycholoog, waarop Jurriaans opmerkte dat dat niet gold als je tegenover Hitler zat – en bleef hem altijd aankleven. Als planoloog schreef hij een aanbeveling het Amsterdamse Centraal Station naar de andere kant van het IJ te verplaatsen. In 1975 werd hij wereldberoemd toen hij «zijn dagelijkse gedrag» aan de gemeente Amsterdam verkocht. 25 dagen lang stelde hij zichzelf één uur per dag tentoon in het Stedelijk Museum.

Het duo Röling en Jurriaans was een dankbaar object voor de media. Marte Röling als vamp, met heftige make-up en een sigaar, en Henk Jurriaans als charismatische alleskunner met een voorliefde voor het tegen heilige huisjes trappen. Ze spraken expliciet over seks en over monogamie – of het gebrek eraan, in hun geval. Het leverde Jurriaans een nominatie op voor de verkiezing van de HP/De Tijd Ergste Nederlander Aller Tijden. «We namen nooit een blad voor de mond. We waren altijd eerlijk en open en het interesseerde ons niet wat anderen ervan vonden. Al zullen mijn ouders af en toe bedenkelijk naar ons hebben gekeken.»

Naarmate de jaren verstreken kwamen er meer vrouwen in hun relatie. Eerst Alissa en Adriënne Morriën, dochters van schrijver Adriaan Morriën, en daarna kunstenares Wanda Werner. «Henk wilde een hele serie verlovingen en huwelijken. Hij had zelfs een formulier waarop je kon aangeven wat voor relatie je met hem wilde. Voor mij was dat geen probleem; ik heb nooit de behoefte gehad Henk voor mezelf te hebben. Henk was niet te bezitten. Ik ben nooit jaloers geweest. Dat heb ik mezelf heel jong aangeleerd.»

In de jaren tachtig kreeg Röling nog meer naamsbekendheid toen ze gevraagd werd staatsieportretten te maken van koningin Beatrix en prins Claus. Jurriaans trok zich terug uit de schijnwerpers en werd Rölings «adviseur met gouden handen». Hij realiseerde wat zij bedacht. Op zoek naar ruimte verhuisde het vijftal naar Weesp. Na tien jaar besloten ze zelf iets te kopen; het werd de boerderij in Uithuizen. Elf jaar werkte het vijftal – op haar visitekaartje staat Röling & Partners – aan haar ontwerpen, totdat Jurriaans eind 2005 onverwacht overleed. «Hij werd ziek en na drie weken vertelde de arts ons dat de dood naderde als een aanstormende trein.»

«Ik heb altijd gedacht dat ik eerder dood zou gaan. In Henks armen. Toen hij doodging had ik het idee dat je nooit, nooit, zo erg van iemand moet houden, want dan krijg je «m toch voor je lazer! Maar zo gaat het niet. Je moet juist heel veel van elkaar houden. Ik vond het onbegrijpelijk dat ik gewoon doorleefde – dat ik at, en sliep. Ik zei altijd: ik geniet niet van dag tot dag, maar van seconde tot seconde. Nu geldt het tegenovergestelde: ik lijd van seconde tot seconde. Ik mis hem zo erg dat het lijfelijk pijn doet. Ik heb heel erg de neiging moeten onderdrukken er zelf geen einde aan te maken. ‹We zijn 36 jaar samen geweest, het was een geweldige tijd en nu is het genoeg geweest.› Zoiets. Zonder de drie anderen had ik dat ook zeker gedaan.

We hebben afgesproken met z’n vieren bij elkaar te blijven. De telefoon staat roodgloeiend met opdrachten, daarnaast werk ik nu aan zijn portretten. Ik verzamel alle foto’s van hem die ik kan vinden. Zo kan ik me lekker op hem concentreren.»