Je ne suis pas Jo

Er waren deze week een paar dingen. Niks zwaarwichtigs, een boot die kapseist, een buschauffeur die zijn werk niet kan doen, een jongen die vanuit een toilet zijn moeder sms’t. Ik heb er allemaal niets mee te maken, ik kén die mensen niet.

Hij komt eraan, sms’te de jongen naar zijn moeder. Ik ga dood.

Ik vind: met de dood kun je niet voorzichtig genoeg zijn. In columns bedoel ik. Met de dood is het makkelijk scoren. Iedereen heeft een moeder die op sterven ligt, een broer die niet wilde deugen en vermist raakte, een kat die toch niet het eeuwige leven bleek te hebben. Bewijs hen de grootste eer door het zwijgen over ze te doen. Alsjeblieft.

Bel politie.

De dood is de grote kitschfactor in het leven. Ik vind dat ook romanschrijvers valsspelen als ze een dode opvoeren in hun werk. Je geeft je verhaal een instant zwaarte, waar je met gewone middelen alleen maar hijgend achteraan kunt blijven hobbelen. Kanker. O ja. Holocaust. Uhuh. Zelfmoord. Ah.

Nog steeds in toilet. Hij heeft ons.

Er is een Chinees gezegde dat luidt: grote mensen spreken over ideeën, middelgrote over gebeurtenissen, kleine over mensen. Gek, ik groeide op in een tijd dat een van de populairste leuzen was ‘ze kunnen onze huizen slopen, maar onze ideeën nooit’, maar inmiddels denk ik dat die ideeën nogal werden overschat. Want wat dachten we eigenlijk? Ik kan het me niet herinneren, en ja, die huizen zie ik nog helemaal voor me. De klotezooi die we overal van maakten, de mokers waarmee we de plafonds te lijf gingen, de gloednieuwe ovens waarvan we het beschermend cellofaan afrukten om ons gore notengehakt te kunnen bakken. Eet iemand nog wel eens zoiets?

Mama, ik hou van jou.

Ik ben altijd bang dat ik om de verkeerde dingen huil

De dood kan wat mij betreft niet sec genoeg worden behandeld. De krant, maak hem op als een rouwadvertentie. Namen, data, feiten. Geen verhalen erbij, geen adjectieven. Adjectieven maken ranzig. Verhalen zijn porno. Al die zogenaamde motieven, persoonlijke achtergronden, foto’s… Laat de onverdraaglijkheid zegevieren, de onbegrijpelijkheid. Er is geen a en b, geen dus en daarom. Herstel de witregel in ere.

Ik ben altijd bang dat ik om de verkeerde dingen huil. Een jongen alleen in een roeiboot, een corpulente Zweed die houdt van Bruce Springsteen, de geur van jasmijn op een zachte zomeravond als ik langs het Sarphatipark fiets en denk aan Jo Cox. Jo wie?

Over honderd jaar zal de wereld niet meer terug te herkennen zijn, waarschijnlijk nog minder dan de huidige herkend zal worden door mensen van honderd jaar geleden. Ik weet niet of ik dat troostend of beangstigend vind. Toen Rabin werd vermoord was ik blij dat mijn vader dat niet meer mee hoefde te maken.

Eigenlijk best vaak denk ik dat: gelukkig weet mijn vader dit niet.

Gisteren had ik nog nooit van haar gehoord, en nu weet ik hoe ze praat, wie haar man is en dat ze twee kinderen heeft. Praatte. Was. Had.

Ze zag eruit als een goed mens, een mooi mens, van mij had ze wereldleider mogen worden mocht ze daar zin in hebben gehad.

Ik hoef er niet om te huilen, ik kén haar helemaal niet.