Je past je aan

Ik mag graag spreken over ‘de kwaliteit van ons bestaan’.

Die kwaliteit vind ik belangrijk, maar heeft consequenties. Als ik de kwaliteit niet meer in mijn leven kan vinden, moet ik er vrijwillig uit kunnen stappen. Dat kan niet.

En wil ik dat wel?

Op een totaal ander niveau – hoewel? – moet ik ook over de kwaliteit van het leven nadenken.

Het betreft mijn poes Veertje.

Zij heeft kanker.

De vraag dringt zich op: wanneer moet ik de beslissing nemen om haar te laten inslapen?

Anders gezegd: wat is de kwaliteit van haar bestaan?

Ze ligt in de tuin te slapen in de zon – zoals ze dat al vanaf het begin doet. Als er een vogel in haar buurt komt, wordt ze onrustig en stil. Gisteren nog kreeg ze wederom een muis te pakken. Tot een jaar of vijf geleden at ze die helemaal op. Nu maar voor de helft. Maar toch… Als de hond tegen haar blaft, verheft ze even haar pootje. Ze eet goed. Misschien iets meer dan normaal. ’s Nachts ligt ze tegen me aan.

Er is geen verschil in kwaliteit met tien jaar geleden, voorzover ik het kan opmerken.

Maar ze heeft kanker.

Heeft ze pijn?

Dat weet ik niet, dat weet de dokter ook niet. Dus laat ik haar weer opereren.

Door Veertje moet ik voortdurend aan dat begrip ‘kwaliteit’ denken.

Welke van mijn gedragingen heeft kwaliteit van node?

Als je ouder wordt, is het leven niet opeens slecht van kwaliteit. Je groeit in die verslechtering. En je past je daarop aan.

Ik slik veel medicijnen. Maar juist door die medicijnen kan ik nog een leven met kwaliteit leiden, terwijl die medicijnen duidelijk maken dat ik achteruit ga.

Hart, maag, bloeddruk – ze hebben continu aandacht nodig.

Welke van mijn gedragingen heeft kwaliteit van node? Ik wil nog blijven werken. Interviews maken, columns en boeken schrijven. Maar als ik over een paar jaar met pensioen moet, wat heb ik dan aan kwaliteit? Wat kan ik dan doen met de kwaliteit van leven?

Soms nemen de serieuze gesprekken die ik hierover voer in mijn hoofd de gedaante aan van een spelletje. Is er nog kwaliteit als ik helemaal doof ben? (Je krijgt binnenkort een oortelefoontje, wees niet bang.) Kan ik nog kwaliteit leveren als ik nog meer namen vergeet? (Dat is heel normaal boven de vijftig.) Mijn knieën doen steeds meer pijn, net als mijn heup, ik vind wandelen belangrijk, wat als ik dat straks niet meer kan doen? (Dan blijft er meer tijd over om te lezen.) En als mijn ogen nu nog weer slechter worden? Ik heb namelijk al min twaalf. (Dan neem je gewoon een sterkere bril.) En wat als je hart slechter wordt? (Dan hoef je niet meer zo te hollen.)

Wanneer zeg je: er is geen kwaliteit meer?

Ik ben niet de eerste die het beweert, maar ouderdom is een ongeneeslijke ziekte. Een van de symptomen is dat je je wentelt in tegenstrijdigheden. Naarmate je minder kunt, richt je je op de zaken die nog wel de moeite waard zijn, en redeneer je je kwalen weg. Maar blijft de vraag: wat is die kwaliteit uiteindelijk?

Liefde, zegt de een. Ja, maar als je denkt dat die niet bestaat? De mogelijkheid om te werken, zegt de ander. Maar is het heel zuur als je niet meer kunt werken?

Je past je filosofie aan op de omstandigheden.

Je onderhandelt met de waarde van je kwaliteit. Je schept je eigen sprookjeswereld, waarin je jezelf wijsmaakt dat het kijken naar een zonsondergang heel mooi is.

Of het lachen van je kleinkind. Of waardering van de jeugd.

Je zegt tegen jezelf dat je moet hopen dat het tempo van afnemende kwaliteit geen gelijke tred houdt met de aftakeling van je lichaam en geest.

Maar wat dan nog?