Menno Hurenkamp

Je roept eens wat

De Duitse criticus Marcel Reich-Ranicki maakt een lange reis met een beroemde violist. De man praat voortdurend over zichzelf. Als ze na uren uit het vliegtuig stappen, zegt de musicus: «Nu heb ik genoeg over mezelf gepraat. Vertel jij eens wat over mij.» In dit fragment uit Reich-Ranicki’s autobiografie klinkt wat zelfspot door. Ook híj hoort zichzelf graag praten. Dat is nauwelijks een halsmisdrijf, maar dat een schrijver terugslaat, zoals Martin Walser in een roman over de Pools-Duits-joodse Reich-Ranicki heeft gedaan, is niet verrassend. De vraag is of de manier geoorloofd is. Als je de voorbeelden uit het boek leest die in de kranten opduiken, rijst een onprettig beeld op. Daarin roept Walser meer en minder verhuld een aantal klassieke vooroordelen tegen joden op — zoals dat van de rijke profiteur.

Ik liep de afgelopen dagen rond in Ieper, een Belgisch stadje waar de zwaarste gevechten uit de Eerste Wereldoorlog woedden. De Engelse soldaten liggen met honderdduizenden tegelijk begraven in het open veld. De Duitsers liggen verscholen op kerkhoven achter muren, tussen de bomen. Zij waren tenslotte begonnen. Duitsers mogen minder kwetsen, van henzelf en van anderen. Dat verhoogde nationaal bewustzijn vindt daar op de Belgische slagvelden al een deel van zijn oorsprong. Het ziet ernaar uit dat Walser opzettelijk ruzie heeft gezocht. Hij wil niet meer tussen de bomen liggen. Hij vraagt zich af hoeveel minder híj mag beschadigen nu de Duitse terreur van jaren meer dan een halve eeuw achter hem ligt. Walser schrijft en wordt door de halve natie scherp in de gaten gehouden en bestreden.

Zo. Beter dan met het drama en de onvermijdelijke retoriek van de Eerste én Tweede Wereldoorlog in de rug kan de leegte van de sprong naar het nieuwe Nederlandse nationalisme niet worden ervaren. Er zou een verharding van toon in de Nederlandse politiek zijn opgetreden. Want inmiddels kun je als serieuze gesprekspartner, bezig met het vormen van een nieuwe regering, zeggen dat de islam een achterlijke cultuur is. Dat is een nogal vergaande uitspraak, die een spiegelbeeld lijkt van de politiek vóór 2002. Waar eerst zogenaamd niets kritisch over de islam mocht worden gezegd, is het nu onmogelijk de kritiek te bestrijden.

Maar wat bedoelt Mat Herben met «de islamitische cultuur» als hij deze tot achterlijk verklaart? Turken en moslims zijn niet dezelfde categorie. Het is niet belangrijk. De vraag welk probleem de islam in Nederland veroorzaakt, hoeft al helemaal niet te worden beantwoord. Het voortkabbelen is verhevigd. Hier mag alles.

Van een te verwachten vergrote waakzaamheid na de gewelddadige dood van Fortuyn is geen sprake. Je wordt, anders dan door de professionele tegenstrevers, nog altijd niet scherp in de gaten gehouden. Als politicus geldt het adagium: Je roept eens wat. Vroeger was dat: «Multiculti is lachen want roti is lekker». Nu het tij keert is het: «Moslims zijn minder». Dat zal leiden tot een harder bejegenen van migranten, maar de teneur onder de bevolking is dat het daar misschien ook wel tijd voor was. Niet méér en niet minder specifiek dan dat. Die voortgezette Nederlandse achteloosheid zal vermoedelijk een effectieve strategie blijken te zijn voor het opvangen van nieuwe nationalistische tendensen.