Pieter Wittenberg voor de rechtbank op Lesbos © ANP/Vangelis Papantonis

‘Mijn vrouw en ik waren op de uitreikingsceremonie. Codes, maskers, iedereen ver uit elkaar. Om mijn vliegtuig naar Athene te kunnen halen waren m’n zoon en zijn meisje op de alfabetische afroeplijst naar voren gehaald. Ze waren de eersten. Van een afstand keken we naar elkaar, huilden, wuifden, en toen vertrok ik. M’n vrouw liep nog even mee naar de taxi. Ze zei: “Ik hou van je.” Toen ben ik zonder om te kijken ingestapt.’

Het is zaterdag 13 november, twee dagen na zijn vertrek uit Nederland. Pieter Wittenberg (73) – hij lijkt een beetje op wijlen Rudy Kousbroek toen hij zo oud was: wit haar, volle lippen, zachte ogen – zit met een dikke trui aan op m’n Atheense balkonnetje in het achterbuurtcentrum van de stad waar ik woon. Onder ons lopen schreeuwende junks en dakloze vluchtelingenfamilies met kinderwagens vol baby’s en spullen voorbij. Zijn schrikbarend kleine weekendtas ligt naast hem. Iedereen, maar dan ook echt iedereen had hem afgeraden te gaan. Omdat niemand de huidige Griekse justitie vertrouwt. Iedereen was ervan overtuigd dat hij kon rekenen op minstens tien jaar in een Griekse gevangenis.

Ja, hij heeft voor zijn vertrek het Amnesty International Report uit 2011 over het beruchte Griekse gevangeniswezen gelezen. Erger dan Roemenië. En ja, hij realiseert zich dat het sindsdien alleen maar nóg erger is geworden. En ja, hij heeft ooit kanker gehad, sindsdien structurele speciale verzorging nodig, en weet dat zoiets in Griekse detentie rampzalig, zelfs levensbedreigend is. Hij blijft echter volhouden dat hij in de Griekse justitie wíl geloven. ‘Omdat ik nu eenmaal echt helemaal niets, maar dan ook níets fout heb gedaan’, mompelt Wittenberg vermoeid. De minuscule weekendtas op de grond lijkt te schreeuwen: ‘Als je je vergist, ben ik veel te klein, zit er veel te weinig in me.’

Op 18 november moest hij samen met 23 andere vluchtelingenhulpverleners voor de rechtbank op Lesbos verschijnen. Al die mensen, Grieken en buitenlanders – leden van verschillende ngo’s op Lesbos die ook in staat van beschuldiging zijn gesteld door de Griekse overheid – hielpen in 2016 op een of andere manier met het redden van vluchtelingen van de verdrinkingsdood, en met het opvangen en aanbieden van acute noodhulp aan hen en hun kinderen op de stranden van Lesbos. Allemaal zijn ze sinds 2018 verdacht en later beschuldigd van mensensmokkel, spionage, witwassen, lidmaatschap van een criminele organisatie en contact met smokkelaars om vluchtelingen het land binnen te smokkelen. De Griekse regering had toen al besloten de pijlen te richten op mensen die hulp verleenden aan vluchtelingen die aanspoelden op Griekse eilanden dicht bij Turkije. Ook al schreeuwden internationale mensenrechten- en hulporganisaties daar toen al moord en brand over.

‘Toen’ was er de verlamde ‘radicaal-linkse’ Syriza-regering van premier Tsipras. Inmiddels is er de rechtse Nea Demokratia-regering (ND, de Griekse VVD) van Mitsotakis en is alles grimmiger, genadelozer en hopelozer geworden voor vluchtelingen zelf én voor wie zich met hen bezighoudt. Vijf van de 23 hulpverleners zijn in augustus 2018 gearresteerd en hebben 107 dagen in voorarrest gezeten. Wittenberg was, onwetend van het arrestatiebevel, nét weg uit Lesbos toen de politie ook hem wilde arresteren. Puur toeval.

Één van de arrestanten was de Syrische zwemkampioene Sara Mardini, die ooit samen met haar zusje, toen ze in een lekkende dinghy overstaken van Turkije naar Lesbos, in zee sprong, het bootje door de woelige Egeïsche Zee naar de kust trok en zo het leven van achttien mensen en hun kinderen redde. Mardini is inmiddels in Duitsland, waar ze asiel heeft gekregen. Nee, Mardini komt niet naar de rechtszaak. Indertijd zei ze in een interview met The Guardian dat het voorarrest in een Griekse gevangenis is als een ‘emotionele flipperbal’: ‘Je weet nooit wat er gaat gebeuren, er wordt je niets verteld, je hebt geen idee wanneer je ooit wel of niet vrij zal komen. Er waren dagen dat ik dacht: “Ik kan dit niet meer verdragen, ik kán het niet meer.”

Ja, Wittenberg wist van Mardini’s afschuwelijke voorarrest. Ook tegen mij herhaalde hij keer op keer hetzelfde dat hij iedereen vertelde: ‘Ik wil erbij zijn als ze het over mij hebben. Ik wil de kans hebben om de rechters recht in de ogen te kijken. Natuurlijk gaat het niet om mensensmokkel. Het is de plicht van een mens om mensen te helpen die in nood zijn. We hebben gewoon vrijwillig humanitair werk gedaan: vluchtelingen opgevangen op het strand. Mensen die koud waren, die bang waren, die het in hun broek gedaan hadden. Die een moeilijke overtocht in een rubberbootje hadden doorstaan. Die hebben we droge kleding, eten en water gegeven.’

Wittenberg vertelt over ‘gedoe met de groep’: er is geen structureel contact tussen de beschuldigden en hun advocaten. ‘Het is een hybride groep, we stemmen niet alles samen af, de advocaten zijn heel druk, hebben bijna nergens tijd voor’, verzucht hij laconiek. Hij lijkt zich geen zorgen te maken.

De organisatie Free Humanitarians had Europarlementariërs benaderd voor een ‘open brief’ aan de Commissie. Via via had Wittenbergs team het concept onder ogen gekregen. Tot hun verbijstering noemde die brief slechts drie van de 23 beschuldigden. Naast de zwemster Sara Mardini ook Sean Binder en Nassos Karaktitsos. Geen woord over Wittenberg en de anderen. Kennelijk hadden enkele advocaten besloten van de 23 ‘drie iconen’ uit te kiezen, ‘ster-beschuldigden’ noemt Wittenberg hen, en alleen die drie aan de buitenwereld te presenteren. Op het nippertje kon dat gecorrigeerd worden, zodat beter werd benadrukt dat het echt gaat om een bewuste poging van de Griekse regering hulpverleners op grote schaal te intimideren en criminaliseren. Op maandag 13 november werd de brief gepubliceerd, ondertekend door 71 Europarlementariërs, onder wie Tineke Strik van GroenLinks. Geen haan die ernaar kraaide.

Er was ook onduidelijkheid over de perscampagne. Wittenberg was opgedragen voorlopig niet met de pers te praten, terwijl Mardini en Binder wel al in Frankrijk en Duitsland op de radio te horen waren. Daarom vond Wittenberg het goed dat de Volkskrant met een groot stuk kwam, de dag van zijn vertrek. ‘Goed stuk, maar toen ik de kop las, kreeg ik bijna een hartverzakking.’ Ik zoek het op en lees: ‘Ex-bankier Pieter Wittenberg moet voor de Griekse rechter komen: “Vervolgd omdat je vluchtelingen redt".’

‘Hoezo?’ vraag ik. ‘Ach ja, dat ex-bankier, dat was in een ander leven. Dat suggereert van alles maar niet waar het hier om gaat.’

Over dat specifieke verleden van Wittenberg wist ik niets. Belegger? Joint ventures? Ergens geld investeren voor grote klanten zoals gemeenten of pensioenfondsen? Hij begint te vertellen. Off the record. Namen van bedrijven, van Nederlandse en buitenlandse ceo’s, jaartallen, schandalen vliegen voorbij. Nee, dat mag ik allemaal niet opschrijven. Want ja, al die geheimhoudingscontracten die hij heeft moeten tekenen gelden nog steeds.

Hij is er op tijd uitgestapt. Ooit moest hij voor een groot Nederlands staatsbedrijf dat geprivatiseerd werd helpen een pensioenfonds in te richten, en daar beleggingen voor doen. Iedere dag in de auto naar zijn kantoor zag hij de herkenbare gekleurde autootjes van dat bedrijf die kriskras door het land reden voor reparaties en bestellingen. ‘Altijd dacht ik aan de mensen in die auto’s, aan die werknemers die vroeg op moesten staan, die tot laat doorwerkten. Altijd dacht ik aan hún zuurverdiende centen, aan hoe ze mij vertrouwden, mij de verantwoordelijkheid hadden gegeven voor hún oude dag te zorgen. Daar ging het me om. Op den duur verloor ik die strijd. De executieve bovenlaag had slechts oog voor het aandeelhoudersbelang, waardoor ze handelden in slechte producten, waar ze nota bene weet van hadden. Werknemers en klanten deden er niet meer toe. Daarom ging ik weg. Daarom zette ik mij voortaan belangeloos in en ging ik later vluchtelingen helpen.’

Veel kranten melden dat hij ooit met zijn vrouw Liesbeth op Lesbos de succesvolle ngo ShowerPower oprichtte. Maar die heeft niets met de rechtszaak van 18 november te maken. Die gaat over de tijd daarvoor, toen hij schipper was op een reddingsboot tussen Turkije en Lesbos.

‘Heb je écht vluchtelingen uit zee van de verdrinkingsdood gered?’ vraag ik. ‘Nee, dat denkt iedereen, de werkelijkheid was heel anders’, briest Wittenberg. Hij had de verantwoordelijkheid over een boot, die hij heeft opgeknapt. De boot was slechts bedoeld voor het eventueel spotten van vluchtelingen op bootjes in nood die zo goed als het kon naar een veilig strand moesten worden begeleid. Hij vertelt over hoe hij op de stranden van Lesbos vooral vrijwilligers trainde in het spótten van dinghy’s in de donkere nacht op de zwarte zee. Geen lichtjes. Geen geluid. Geen oplichtende mobieltjes. Dat was vluchtelingen op zee allemaal verboden, te gevaarlijk voor de Griekse kustwacht die ze daardoor zou kunnen onderscheppen vóór aankomst aan wal. ‘Je ziet ze niet, je hoort ze niet, je ruikt vluchtelingen in bootjes in de nacht. Urine, ontlasting, braaksel. Daardoor kon je ze ontdekken.’

Hij hielp met anderen de doodsbange uitgeputte vluchtelingen en kinderen op stranden, met kampvuren om zich te warmen, droge kleren, voedsel. Daarna werden ze keurig aan de politie overgeheveld, die hen naar kamp Moria brachten voor registratie en de asielaanvraag. De politie was toen vriendelijk, kwam af en toe langs om te vragen of alles goed ging.

Nu zijn ze beschuldigd van mensensmokkel en spionage. Er zijn kampvuren noch hulpverleners meer op de stranden. Gewelddadige pushbacks zijn volgens Aegean Boat Report niet eens meer ‘het nieuwe normaal’, maar ‘gewoon normaal’.

Wittenberg moet weg, naar z’n advocaten in Athene, en op maandag met de boot naar Lesbos, waar hij ook weer advocaten moet spreken. Het afscheid is warm en verdrietig. We weten wat hij riskeert. Daar hebben we het niet meer over. ‘Gelukkig hebben we tot de volgende rechtszaak nu meer tijd voor grote campagnes tegen de criminalisering van hulp aan vluchtelingen.’