INTERVIEW MET BETHANY DE FOREST

‘Je weet nooit hoe de foto eruit zal zien’

Bethany de Forest fotografeert met de pinhole-camera – de oudste vorm van fotografie. Alles draait om ‘het perfecte gaatje’. Vijfde deel in een serie over toonaangevende Nederlandse fotografen.

‘DE FELGEKLEURDE FOTO’S van Bethany de Forest doen denken aan Alice in Wonderland: kikkers hebben het formaat van beren, libelles zijn zo groot als adelaars. Hemels zijn niet blauw maar paars, frambozen hangen in het luchtledige, kathedralen zijn opgetrokken uit sappig glimmend vlees. Het is het soort werk dat steevast wordt aangeduid als ‘sprookjesachtig’ en ‘surrealistisch’. Het is ook het soort werk dat vragen oproept als: is dit echt, is het een maquette, is het gemaakt op een computer? Om de vraag maar direct te beantwoorden: Bethany de Forest fotografeert maquettes. In haar atelier in een benedenwoning in Amsterdam-Oud-Zuid bouwt ze tafelgrote opstellingen die ze zorgvuldig uitlicht en fotografeert met een pinhole-camera. Ze maakt die maquettes van suikerklontjes, mottenballen, kaarsvet, en wat ze nog maar meer tegenkomt in de supermarkt of bij het vuilnis. De fascinatie voor ma-quettes, vertelt de kunstenares – frêle, kittig, innemend – is een erfenis van haar academietijd. Bethany de Forest: ‘Voor de schilderijen die ik maakte op de kunstacademie van Utrecht maakte ik in mijn kamer altijd hele opstellingen. Op de markt kocht ik krabben, ik schilderde appels goud en schmink-te mezelf goud en portretteerde mijzelf in een sprookjeachtige wereld. Ik ben altijd een bouwer geweest, ben gefascineerd door glas, kan uitstekend glas snijden. Ooit maakte ik een glaspaleis van glasreepjes van drie millimeter breed.’ Ze gebruikt geen schetsen of een ander plan: ‘Het enige dat ik weet wanneer ik aan een nieuw werk be-gin, is wat voor genre het gaat worden: een natuurlandschap, een onderwaterlandschap, een gebouw.’ Voor de rest verloopt het werkproces intuïtief. Ze loopt naar de half voltooide maquette van een ijspaleis in de hoek van het atelier: ‘Bij deze begon het met de gewelven van de zuilen, die zijn gemaakt van het afgietsel van een rubberen riemgesp. Ik vond dat een mooie vorm, en besloot er een mal van te maken. Die bleek heel geschikt te zijn als gewelf.’ Inspiratie voor haar maquettes doet ze op in het museum – ‘vooral van slechte kunst krijg ik altijd veel zin om te werken’ – en op de groenteafdeling en vleesafdeling van de supermarkt: ‘Paksoi doet het uitstekend als boom, rode pepers fungeren als brug, de top van een ananas als palm, broccoli zijn struiken.’ Achter in het atelier heeft De Forest een kast met een imposante verzameling opgeprikte insecten. Ze toont mieren, boktorren, snuitkevers, vlinders, bladkevers. ‘Het moeilijkste is om die beesten zo in de maquette te zetten dat het er natuurlijk uitziet, daarom heb ik ze bij de winkel gevraagd of ze die beestjes wat minder plat willen opzetten. Echte insecten werken voor mij het best. Andere beestjes, zoals vogeltjes en muisjes, zijn te groot. Ooit gebruikte ik een nephondje. Dat zag er niet uit; het leek nep.’ Een vriendin die op de Rietveld Academie zat raadde haar de pinhole-camera aan: een geïmproviseer-de camera waarbij de lens is vervangen door een minuscuul gaatje in de voorkant. Pinhole is een van de simpelste en oudste vormen van fotografie. Volgens de overlevering werd het al door de Chinezen en in het oude Griekenland gebruikt. Aristoteles en Roger Bacon schijnen zich ermee bezig te hebben ge-houden. In de afgelopen decennia ontspon zich rond het fenomeen een gezonde subcultuur. Er bestaan pinhole-websites, pinhole-tijdschriften en zelfs een internationale pinhole-jubileumdag. De Forest haalt twee pinhole-camera’s te voorschijn: één gemaakt van hout door een Duitse collega, en één die ze zelf vervaardigde uit een oude balgcamera. De apparaatjes blinken uit in gebruiksvriendelijk-heid: er hoeft niet te worden scherpgesteld of geklooid met lenzen. Het enige wat de pinhole-fotograaf doet is het schuifje voor de pinhole-camera weghalen en wachten. De belichtingstijd van een pinhole-foto is ongeveer tien minuten. Het voordeel van de camera is volgens De Forest de flexibiliteit ervan: je kunt zelf bepalen hoe groot de camera wordt en hoe die eruit komt te zien. ‘Ik wil de kijker een gevoel van ruimtelijkheid geven. Daarom is het belangrijk dat ik de camera in de maquette kan zetten. Omdat ik veel gebruikmaak van spiegels is het belangrijk dat ik de camera verdekt kan opstellen. Ik heb pinhole-camera’s gemaakt van luciferdoosjes, van koekblikken, van suikerbussen, en zelfs één gedoopt in was.’ Om een scherp beeld te krijgen is een perfecte pinhole onontbeerlijk. Bethany de Forest: ‘Pinhole-fotografen onderling hebben het altijd over “het perfecte gaatje”. (lacht hard) Van een vriendin leerde ik een handige techniek. Je steekt een zo dun mogelijke naald door een gum. Aan de andere kant draai je er aan, waardoor het een boortje wordt. Daarmee boor je in heel dun messingfolie. Een beetje bijschu-ren aan beide kanten, en dan hopen dat-ie rond is. Onder de microscoop kijk ik of er geen bramen op zitten.’ Omdat de pinhole-camera geen kijkvenster heeft, speelt toeval een grote rol: ‘Je weet van tevo-ren nooit hoe die foto eruit komt te zien. Het komt regelmatig voor dat ik heel wat filmpjes verder ben voordat ik het juiste beeld heb.’ Want een goede maquette leidt niet automatisch tot een goede foto: ‘Ik heb maquettes gebouwd die er prachtig uitzagen, waarvan het me toch niet lukte om ze op een interes-sante manier te fotograferen. Dat heeft vooral te maken met de sfeer op een foto: van tevoren kun je nooit raden hoe die eruit komt te zien.’ Nu en dan neemt De Forest de pinhole-camera mee naar buiten. Ze fotografeerde fier oprijzende zwammen en knalrode tulpenvelden. Ook heeft ze een zwak voor toeristenclichés: de Arc de Triomphe, de Eiffeltoren, Hollandse windmolens: ‘Je zou denken dat het niet opvalt, zo’n klein houten kistje op straat, maar dat valt tegen: het trekt juist enorm de aandacht. Altijd wanneer ik buiten fotografeer, gaan er mensen voor staan kijken – echt heel lomp.’ Tot vijf jaar terug lukte het De Forest moeilijk om haar foto’s te verkopen. Dit kwam door een louche ma-nager die haar ‘ripte’ en haar werk zelfs zonder te overleggen kopieerde en doorverkocht als behang – ‘ik heb onlangs nog een rechtszaak tegen hem aangespannen, puur uit principe’ – maar ook door de ge-ringe status van het soort frivole foto’s dat zij maakt. De Forest: ‘De Nederlandse kunstfotografie is lang gedomineerd door intellectualistische foto’s: hyperrealistische en haarscherpe portretten, zonder een sprankje fantasie of frivoliteit. Heel Hollands, eigenlijk.’ Zelf vindt De Forest dat het concept achter de foto vaak wordt overschat: ‘Mijn werk wordt vaak vergeleken dat van Saskia Olde Wolbers. Die maakt prachtige foto’s en filmpjes, alleen laat ze die vergezeld gaan van een voice-over waarop ze stemmige gedichten voordraagt. Ik vind dat pretentieus en bedacht. Toch is het waarschijnlijk de reden dat haar werk wél in het Stedelijk Museum hangt, en dat van mij niet.’ Inmiddels gaat het goed. Daarmee is ook de werkdruk toegenomen. Ze doet alles zelf. Personeel inhu-ren is geen optie: ‘Ik kan geen dingen maken wanneer er andere mensen bij zijn en ben slecht in het geven van opdrachten. Daarbij: wat zou ik tegen dat personeel moeten zeggen? Maak maar een suiker-paleis? Het zou ook niet goed voelen wanneer ik grote stukken van mijn kunstwerken door anderen zou laten maken. Het is dan niet meer van mij. Bovendien merk ik dat ik sinds het beter gaat met mijn werk ik niet milder maar juist preciezer en kritischer ben geworden. Vroeger was ik al tevreden als een ma-quette er een beetje recht en scherp op stond, tegenwoordig denk ik: mooi, hij staat erop, en dan gaan we nu eens kijken wat er allemaal nog meer mogelijk is.’ Bethany de Forest. Galerie Utrecht te Utrecht, t/m 25 mei