Je wilt terug naar de regen

TSEAD BRUINJA
OVERWOEKERD
Cossee, 80 blz., € 19,90

je gaat tegen haar aan liggen terwijl ze slaapt
als je je arm om haar heen slaat
legt ze haar hand op jouw hand
en brengt je arm tussen haar borsten

je weet dat het niet lekker ligt
en dat je je zo gaat omdraaien
dat je zo nooit in slaap zult vallen

je legt je hand net zo lang op de rug
van de gitaar tot het hout zacht wordt
en wijkt

warm water over je stramme schouders

morgen

Tsead Bruinja is een man van de wereld. Wie dat nog niet wist kan het lezen in zijn nieuwe bundel, waar zijn signalement ook vermeldt dat hij zeer behendig is, ‘bijvoorbeeld in het doodrijden van bejaarde vrouwtjes bij het straatracen in de noordelijke provincies en dat hij het liefst op dronken gevoerde beren schiet in de bossen van Rusland samen met de koning van Spanje’. Misschien stopt hij binnenkort met dichten om gitaar te gaan spelen bij bands als 'Bloody Dick Swamp, Squirrel Nut Zippers of Phungusamongus. Ongetwijfeld zal Tsead ook daarin geil en succesvol blijken.’ Dit is de conclusie: 'Niet wij maar Tsead leidt een waarlijk diep en tragisch leven.’
De aanstekelijke grofheid van deze tekst contrasteert in hoge mate met de wat brave en vooral politiek correcte toon van de rest van de bundel. Bruinja is van meet af aan een romantisch dichter geweest, rokend en drinkend op zoek naar liefde, zich verwonderend over de gekte die we dagelijks om ons heen zien, en begaan met het lot van de minder bedeelden. Maar in de grond lijkt zijn persona toch vooral een huiselijke man, die ons net als Simon Carmiggelt en Frits Abrahams deelgenoot maakt van zijn maar al te degelijke huwelijk, waarbij het er uiteraard niet toe doet hoe waarheidsgetrouw het geschetste beeld is. Waar het om gaat is dat deze dichter het kennelijk van belang vindt de poëzie dicht bij huis te houden.
In het gedicht waarmee Bruinja solliciteerde naar het dichterschap des vaderlands presenteert hij een vakantiekiekje: 'in het jaar 2008 (…) rende ik samen met mijn vrouw/ naakt over het strand van een duits waddeneiland/ doken we een aprilkoude noordzee in/ alles aan mij werd klein’. Het gedicht begint echter zo:

in het jaar 2008 was ik geen vrouw van vijfenvijftig
lag ik niet drie dagen bedolven onder de sneeuw
werd mijn eigen vrouw niet door tien mannen verkracht
en levenloos uit een rijdende legertruck geworpen
werden onze kinderen niet van ons afgepakt

Aan de oprechtheid van Bruinja’s engagement valt niet te twijfelen, het probleem is dat het er zo dik bovenop ligt. De dichter leest de krant, kijkt naar documentaires, selecteert wat pakkende fragmenten, monteert die tussen contrasterende footage uit zijn eigen leven en laat het morele oordeel over aan de lezer, die daar helaas geen seconde over hoeft na te denken. Het is te gemakkelijk.
Na een aantal strofen waarin onder meer enkele flitsen uit een oorlogsfilm te zien zijn, levert hij de moraal er zelfs pasklaar bij: 'wat durven wij te verwachten van dit leven/ waar durven we op te hopen meer dan op een goeie buurman/ een goeie vrouw haar hart als een vesting/ en een te verdragen aantal tegenslagen’. Dat zo'n dichter wordt ingehuurd door de EO, wekt geen verbazing.
Gelukkig is niet de hele bundel zo gemakzuchtig. Bruinja heeft naam gemaakt met soepel vlietende, associatief schakelende poëzie die de wereld neemt voor wat hij is, een voor de meesten van ons doorgaans leefbare chaos waarin liefde en lelijkheid, grasland en stadsrumoer vlak naast elkaar liggen. In een strofe die blijkbaar refereert aan opmerkingen van eerdere recensenten, zegt hij: 'de een zei gatenkaas tegen mijn gedichten/ de ander zei licht valt van bovenaf door zijn regels’. De beste gedichten in Overwoekerd roepen sterke beelden op die in hun waarde worden gelaten. Er is ruimte om de geest te laten dwalen. Hier bijvoorbeeld:

_ik haal je van de straat
geef je onderdak

je wilt terug naar de regen

ik draag je naar je bed
geef je een kus

je wilt terug naar de regen_

Waarom de aangesprokene terug wil, wordt open gelaten. In de slotregels gaat de spreker, en daarom ook de lezer 'met je mee/ over de drempel/ de straat op// laat de deur open/ laat de regen binnen’. Dat is af, in al zijn losheid.
Intrigerend is een surrealistisch prozafragment met de magistrale titel Ik dronk tot ik simpel genoeg was om van te houden. Centraal daarin staat een scène waarin twee geliefden 'zonder telefoon’ midden in een weiland liggen: 'aan de linkerkant van het weiland ligt een vlakte, aan de rechterkant een vrouw in een telefooncel wachtend op een gesprek. vanaf de telefooncel loopt een draad. (…) als de vrouw de telefoon opneemt vliegen de vogels weg. ze nemen de bloemen mee, schreeuwt de man. hij wacht niet op de kiestoon. hij wacht op de vogels.’ Het onvermogen van de man en de vrouw om elkaar te bereiken spiegelt de onverstoorbaarheid van de geliefden in het weiland. De ik rookt, drinkt en observeert, 'tot ik kalm genoeg was om de geliefden in het weiland te zien lachen’. Zo'n film behoeft geen voice-over.
Misschien is Bruinja inderdaad te zeer een man van de wereld geworden, 'geil en succesvol’ in de instituties van de Nederlandse literatuur, en neemt hij te weinig tijd om zijn poëzie te laten rijpen. Op een paar gedichten na is deze bundel niet geslaagd. Dat hij een belangwekkend dichter is, staat overigens buiten kijf.