Zomerlezen: De mannenleeslijst (1)

Je wordt niet als man geboren

Nu mannelijkheid even hard verdedigd als bestreden wordt, wordt het lezen van uitsluitend mannelijke klassiekers weer een daad van nieuwsgierigheid.

Man-zijn is zo langzamerhand voldoende om buitengesloten te worden, verdacht te worden gemaakt, de mond te worden gesnoerd. Eindelijk! Het zal hem leren © Rex by Shutterstock / HH

Het mag langzaam maar zeker gezegd worden zonder dat je meteen wordt weggezet als haatbaard, deugdoos, feminist. Onderhuids zoemen zwol aan tot openlijk morren in de slipstream van de #MeToo-revolutie, in het najaar van 2017. Inmiddels is het in brede kring geaccepteerd om het uit te spreken dan wel te schreeuwen als er weer ergens een man benoemd wordt in plaats van een vrouw, als rond een debattafel alleen maar mannen zitten, als voor een prijs voornamelijk mannen zijn genomineerd.

Terwijl ‘vrouwen’ steeds minder een probleemloze categorie wordt (al blijft het een hardnekkig verschijnsel dat krantenkoppen volstaan met ‘vrouw benoemd tot juryvoorzitter’, ‘vrouw ontvangt Nobelprijs’), is man-zijn zo langzamerhand voldoende om buitengesloten te worden, verdacht te worden gemaakt, de mond te worden gesnoerd. Eindelijk! Het zal hem leren. Maar niet heus natuurlijk. Allereerst is het didactische effect van in de hoek zetten nog niet helemaal uitgekristalliseerd, daarnaast is de vrouw/man-dichotomie op z’n einde aan het lopen: er is meer tussen hemel en aarde. Tot het echt zo ver is, aan de man nog even de eer uit te groeien tot de problematische sekse, misschien zelfs de beklagenswaardige.

Toen Virginia Woolf werd gevraagd een lezing te geven over ‘de vrouw en de roman’, bijna honderd jaar geleden, stuitte ze in de catalogus van The British Museum uitsluitend op studies over vrouwen, geschreven door mannen. ‘Bent u zich ervan bewust dat u misschien de meest omstreden diersoort bent uit het heelal?’ Weliswaar is anno 2019 in de gemiddelde bibliotheek en boekhandel de kast ‘vrouwenstudies’ of ‘feminisme’ vervangen door het sekseneutrale ‘gender’, nog steeds domineren de titels met ‘vrouw’, zij het nu door vrouwen geschreven. Wat onverminderd te denken geeft over de wereld buiten het reservaat van deze schappen, waarin het mannelijk perspectief doorgaat voor een neutrale kijk op de werkelijkheid en literatuur een kunst lijkt die vooral door mannen wordt beheerst.

Over dit laatste kan niet genuanceerd genoeg worden gedacht. Virginia Woolf gaat ons hierin voor als ze in A Room of One’s Own verklaart dat het fataal is voor eenieder die schrijft om aan zijn sekse te denken, al verbindt ze hieraan alleen voor vrouwen een uitdrukkelijk advies. Vrouwelijke schrijvers zouden de huiskamer moeten ontvluchten om mensen niet altijd in hun verhouding tot elkaar, maar in hun verhouding tot de werkelijkheid te bezien, ‘en de hemel en de bomen en wat het ook moge zijn in zichzelf’. Ze vergeet mannelijke schrijvers op hun beurt aan te moedigen de omgekeerde beweging te maken, die huiskamer eens in te gaan en de personen die hij daar aantreft in hun onderlinge betrekkingen te beschouwen. Misschien vond ze dat mannen al afdoende deden, of ze had niet zoveel op met huiskamers als literair domein. Waar het haar vooral om ging was dat een schrijversgemoed shakespeareaans ‘wit-gloeiend’ moest zijn, zonder belemmeringen, frustratie, woede, opdat de inkt vrijuit kon stromen.

Iets van haar redenering is terug te vinden bij de Amerikaanse schrijver en essayist Vivian Gornick die elf jaar geleden haar geloofsbrieven presenteerde in The Men in My Life. In de jaren zeventig, aangeraakt door de tweede feministische golf, begon het Gornick te dagen dat literatuur wordt geboren uit de poging innerlijke vrijheid te bevechten op maatschappelijke ongelijkheid en culturele stereotypen. Grote literatuur, zo schrijft ze in haar inleiding, is een recapitulatie van die poging, niet van het resultaat. ‘Met dit inzicht als leidraad, begon ik de levensloop na te gaan van vrouwen en mannen die hun leven hadden gewijd aan de literatuur. Vooral in de levens van de mannen kon je zien wat het betekende om te worstelen met de demonen. Daar waren ze – getalenteerd, vaak briljant, met oneindig meer mogelijkheden om te doen en te zijn dan vrouwen ooit gekend hadden – en zij werden eindeloos heen en weer gesleept door conflicten die ze uit de weg konden gaan noch onder controle konden krijgen. Ik kon alleen maar geraakt worden – door hun grootsheid en nederigheid tegelijkertijd – en zowel medelijden als bewondering krijgen voor diegenen die keer op keer lieten zien dat “zijn en doen” niet vanzelfsprekend zijn.’

Schrijvers als Bellow, Roth, Naipaul, Baldwin en Carver ziet Gornick het gevecht op leven en dood leveren, in hun literaire werk ziet ze de neerslag van zowel hun persoonlijke neuroses als de invloed van de tijdgeest, de effecten van de geschiedenis, de werking van politiek. Ze zegt het niet met zoveel woorden, maar door nog eens het werk van grote mannelijke schrijvers in een schitterend licht bijeen te brengen, lijkt het of ze impliceert dat vrouwelijke schrijvers nog niet echt aan zijn en doen zijn toegekomen. Het werk van een man is dat van de mens.

Moeilijk. Wat een ander woord is voor: discutabel.

Waarom is een roman zonder vrouwen, zoals Moby Dick, een boek over ‘de mens’, en een roman met een vrouw aan het roer een vrouwenboek, zo vraagt Rebecca Solnit zich af in The Mother of All Questions (2017).

Geconfronteerd met een leeslijst opgesteld door het blad Esquire, ‘80 boeken die iedere man zou moeten lezen’ (met daarop één vrouw, klassieke lieveling Flannery O’Connor), schrijft Solnit weer eens te beseffen dat het weliswaar moeilijk is vrouw te zijn, maar dat het in veel opzichten moeilijker moet zijn om man te zijn. Want wat zijn het voor boeken op die lijst? Solnit karakteriseert ze als ‘de meest mannelijke boeken ter wereld’, dat wil zeggen: veel oorlogsromans en slechts één boek van een man die openlijk homo is. Mannen vormen de sekse die zich volgens Solnit voortdurend moet verdedigen en bewijzen door middel van mannelijk handelen. Geen wonder dat er zoveel massamoorden plaatsvinden, denkt ze als ze de titels beschouwt. Het zijn de meest extreme uitdrukkingen van het man-zijn. Vrouwen in die boeken zijn leeg of slecht, of ze bestaan niet, hoogstens als versiering. Het zijn handleidingen voor een vorm van mannelijkheid die onvriendelijkheid en ongevoeligheid prediken, zowel thuis, in oorlog als in economisch handelen. Schrijvers die Gornick hoog houdt, zoals Bellow en Roth, komen bij Solnit terecht op haar niet-te-lezen-lijst vanwege hun ‘vrouwenhaat’, Hemingway omdat dieren omleggen nooit gelijk zou mogen staan aan mannelijkheid.

Moeilijk. Wat soms ook een ander woord is voor: simplistisch.

De keurige burgemeestersvrouw is tot crazy pussy gereduceerd

Om groeiende weerzin tegen mannelijke hegemonie zich te laten uitstrekken tot het culturele verleden, om preciezer te zijn de literaire canon, is net te makkelijk: dit is ook de literatuur waarmee we zijn opgegroeid, die ons heeft bepaald, waartoe we ons telkens opnieuw kunnen verhouden. De Esquire-lijst bevat nogal wat titels die wij op deze plek juist opnieuw willen lezen. Zo snel kan het blijkbaar gaan: nu mannelijkheid even hard verdedigd als bestreden wordt, wordt het lezen van uitsluitend mannelijke klassiekers weer een daad van nieuwsgierigheid, om niet te zeggen subversiviteit.

Le rouge et le noir van Stendhal staat er weliswaar niet bij, maar wij dachten wel meteen aan deze roman uit 1830 als de archetypische mannelijke bildungsroman en in die zin de perfecte opmaat voor de mannenlijst. Julien Sorel is de boerenzoon die tegen de klippen op, en dankzij de flair waarmee hij de vrouwen op zijn pad voor zijn karretje weet te spannen, de wereld verovert. Het is een grootse roman, erudiet, sardonisch, romantisch, door Stendhal geschreven op zijn 47ste. Hij baseerde delen van het verhaal op een scandaleuze ware geschiedenis, maar vervlocht ook zijn autobiografie erin.

Typerend voor de held van het verhaal is de manier waarop hij voor het eerst in beeld komt: lezend. Terwijl zijn oudere broers braaf hun werk doen in vaders houtzagerij, heeft hij zich teruggetrokken in de nok van de loods met een van zijn lievelingsboeken, Gedenkboek van St. Helena. Dat zijn jongste zoon een tengere gestalte heeft, niet bepaald geschikt voor zwaar werk, zou zijn vader hem misschien nog hebben kunnen vergeven, schrijft Stendhal. Maar zijn leesmanie is hem een gruwel, aangezien hij zelf niet kan lezen. Al vanaf zijn geboorte wantrouwt hij dit kind ten diepste, met zijn bleke gezicht en peinzende uitdrukking, en hij slaat hem dan ook verrot. De burgemeester van het kleine provinciestadje heeft daarentegen genoeg fiducie in hem om hem weg te kopen van zijn vader, en hem te benoemen tot huisleraar van zijn kinderen.

Dit is vanaf de eerste pagina’s de toon: Julien Sorel, uitzonderlijk in uiterlijk en gemoed – ‘Onder de talloze variëteiten van het menselijk gelaat is er waarschijnlijk geen enkele die zich door een aangrijpender bijzonderheid onderscheidt’ –, vol haat jegens zijn vader, zijn broers, zijn afkomst, gewantrouwd als ‘slappeling’, maar van jongs af aan geliefd bij de meisjes, zal zich niet laten knechten en fortuin vergaren in de wereld. Le rouge et le noir bestaat uit 65 korte hoofdstukken, allemaal voorzien van een kort motto waarin de schrijver het klaarspeelt de dubbelzinnigheid van zijn held voortdurend te onderstrepen. Natuurlijk wordt de burgemeestersvrouw verliefd op Julien, en die verliefdheid is wederzijds, maar toch is er altijd ook berekening in het spel bij Julien. Of laten we het zo zeggen: hij houdt zijn hoofd koel, waar de vrouw het verstand volledig verliest. Neem hoofdstuk twintig, getiteld ‘Anonieme brieven’, voorafgegaan door drie regels uit Shakespeare’s The Tempest:

… Laat aan het minnekozen

De vrije teugel niet te zeer; de duurste eden zijn maar stro

Voor ’t vuur in ’t bloed.

Julien en Madame de Rênal hebben al een tijdje de gewoonte elkaar ’s nachts te ontmoeten, dankzij de touwladder die de burgemeestersvrouw uit haar slaapkamerraam werpt. Die ladder groeit uit tot een metafoor voor haar trotse onvoorzichtigheid, haar uitdagende moed. Als Julien de groeiende argwaan van zijn broodheer begint te vrezen, stelt hij zijn minnares voor maar eens een nachtje over te slaan. Het doet de gekte in haar ontbranden. Als ze op zijn dichte deur stuit, laat ze een brief achter, ‘badend in tranen en zonder de minste zorg voor de spelling’. In vlammende zinnen vraagt ze zich af of hij soms genoeg van haar heeft. ‘Heb je mij vannacht niet willen ontvangen? Er zijn ogenblikken waarop ik meen nooit tot op de grond van je hart te hebben gelezen. Je ogen maken me angstig. Ik ben bang voor jou. Grote God! Zou je nooit van me hebben gehouden? Laat in dat geval mijn man onze verhouding maar ontdekken en me voorgoed ergens buiten, ver van mijn kinderen, opsluiten. Misschien wil God het zo. Ik zal dan spoedig sterven. Maar jij zult een monster zijn.’

De keurige burgemeestersvrouw, moeder van twee kinderen, is tot crazy pussy gereduceerd. Gevaarlijk, zoals nog zal blijken, en zoals ook Julien voorvoelt. De plot van zijn roman baseerde Stendhal op een crime passionel die zich een aantal jaren eerder had afgespeeld in een naburig dorpje. Als je zijn biografen mag geloven, kon hij zijn grote hoogachting voor en tegelijkertijd diepe medelijden met het vrouwelijk geslacht kwijt in zijn werk. Geheel zijn tijd vooruit was hij ervan overtuigd dat de verschillen tussen mannen en vrouwen een afspiegeling waren van hun situatie. ‘Vrouwen hechten meer waarde aan hun gevoelens, maar dat is heel gewoon: omdat zij als gevolg van onze stompzinnige gewoonten met geen enkele gezinsaangelegenheid is belast is verstand hun nooit van nut geweest. Laat de zaken van twee van uw boerderijen door uw vrouw behartigen en ik wed dat de boeken beter worden bijgehouden dan door u.’

De zwaarste hindernis die vrouwen volgens Stendhal moeten nemen is hun opvoeding. ‘Een meisje van tien jaar is levendiger en verstandelijk beter bij dan haar broer; op twintigjarige leeftijd is uit de kwajongen een man van geest gegroeid en uit het meisje een grote, onhandige en verlegen dwazin die bang is voor een spin.’ Tegelijkertijd zag hij de wereld gedomineerd door mannen als een woestijn van verveling. In Madame de Rênal kon hij laten zien wat hij juist in vrouwen bewonderde, zij het dat het precies ook de eigenschappen zijn die garant staan voor een bestaan in de marge: een authentiek gemoed, een principiële onafhankelijkheid, een afkeer van huichelarij, een verlangen naar oprecht geluk.

In de officiële exegese van Le rouge et le noir staan de kleuraanduidingen in de titel voor de twee wegen die de man begin negentiende eeuw kan bewandelen om het te maken in de wereld: het rood van het legeruniform, het zwart van het priesterkleed. Evenzogoed zou je kunnen zeggen dat het leven van Julien Sorel gekleurd wordt door het rood van de liefde en het zwart van de dood. Binnen die kaders trekt Stendhal het decor voor zijn held op, een gevangene van zijn tijd, een personage dat het zijn moet bevechten, om met Gornick te spreken. De realistische schildering van het Franse provincieleven in de post-napoleontische tijd, de wellust waarmee Stendhal de kleine notabelen beschrijft, hun snobisme, hun kleinburgerlijkheid en hun zucht naar gewin, geven zijn held het aureool van een opstandeling, iemand die doet, dankzij de vrouwen om hem heen. Je kunt hem even hard wantrouwen als willen omarmen, wat hem ook een man van deze tijd maakt.


De mannenleeslijst

‘Maar, zult u zeggen, moeten we het nu ineens over mannen gaan hebben?’ Zo begon Virginia Woolf haar beroemde A Room of One’s Own-lezing, zij het dat zij het natuurlijk ineens over ‘vrouwen’ wilde hebben. Zo’n honderd jaar later dreigt de samenleving dusdanig gefeminiseerd te raken dat de tijd ons rijp lijkt om het inderdaad maar eens over mannen te hebben. Je wordt tenslotte niet als man geboren, maar tot man gemaakt, om een andere beroemde schrijfster te parafraseren. De omlijning van mannelijkheid lijkt anno 2019 op drift geslagen; in oude en nieuwe literatuur gaan we op zoek naar verklaringen, perspectieven, liefde. Welke idealen van mannelijkheid liggen in klassiekers besloten? Wat zijn de verschijningsvormen van ‘de echte man’, wat zijn zijn obsessies, valkuilen, aspiraties? Komende weken herlezen we onder meer Titaantjes van Nescio, Karakter van Bordewijk, Notes of a Native Son van James Baldwin en Brief aan mijn vader van Kafka.