Frans Jansz. Post, Gezicht op het eiland Itamaracá, Brazilië, 1637. Olieverf op doek, 63,5 x 89,5 cm © Rijksmuseum

In recensies van The Undergroud Railroad zijn twee constanten te ontwaren. De eerste is lof. De Amazon Prime-serie van de Amerikaanse regisseur Barry Jenkins, een bewerking van de bekroonde roman van Colson Whitehead, ontving zowel in de Verenigde Staten als in Nederland ronduit lyrische kritieken.

Maar daarnaast klonk ook een ander geluid. De serie bevat verschillende scènes met daarin geweld tegen tot slaaf gemaakte mensen. Niet vreemd, de dramaserie vertelt een geschiedenis van de slavernij die zich afspeelt in de zuidelijke staten van Amerika ergens in de negentiende eeuw. Het verhaal laat de vlucht zien van Cora, van de plantage in Georgia waar ze werd geboren naar een plek waar ze vrij en veilig is. Die geweldsscènes zijn alleen zo expliciet dat veel recensenten zich genoodzaakt zagen potentiële kijkers te waarschuwen. Waar bingewatchen doorgaans geldt als het genot voor de serieliefhebber, dwingt The Undergroud Railroad door al dat geweld een gedoseerd kijken af.

Het rauwe, overweldigende geweld in de serie doet denken aan de Oscar-winnende film 12 Years a Slave van Steve McQueen. Die werd acht jaar geleden eveneens overladen met complimenten. Richard Brody, filmjournalist van The New Yorker, prees McQueen omdat hij onverschrokken en op ongeëvenaarde wijze had laten zien waar slavernij in de kern op neerkwam: de complete heerschappij over het lichaam van een slaafgemaakte die daarmee een vrijbrief is om zonder restricties te doden, verkrachten, verminken, martelen en terroriseren. Op het blog Racialicious noemde de populaire-cultuurcriticus Kendra James het expliciete geweld in 12 Years a Slave pijnlijk, maar evenwel noodzakelijk. De film van McQueen bood een hoognodig tegenwicht op andere, mildere beelden van slavernij. Deze mening leek in 2013 en de jaren daarna zo goed als gemeengoed.

In de eerste aflevering van The Undergroud Railroad is te zien hoe een gevluchte maar weer gevangen genomen slaafgemaakte man aan zijn armen aan een houten stellage hangt. Hij wordt gegeseld en uiteindelijk verbrand, terwijl de witte slavenhouder en zijn gasten uitgebreid lunchen. De andere slaafgemaakten op de plantage worden gedwongen om te kijken, als waarschuwing. In 12 Years a Slave zit een vergelijkbare scène.

Dat dit soort praktijken zijn gebaseerd op historische gebeurtenissen, wordt duidelijk in de tentoonstelling Slavernij in het Rijksmuseum in Amsterdam. Een bron uit het West-Kaapse Archief dat hier getoond wordt, beschrijft hoe de slaafgemaakte Susanna gestraft werd voor de dood van haar kind. Functionarissen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie gooiden de dan al gefolterde vrouw in een zak in de Tafelbaai. Andere slaafgemaakten moesten de uitvoering van dit vonnis verplicht aanschouwen.

In zowel serie als film kijken wij onbeschaamd met hen mee. Hoewel het hier fictie betreft, wordt het geweld in deze scènes levensecht verbeeld. Het meekijken naar deze executies, echoot wat Susan Sontag schrijft in Regarding the Pain of Others, over het kijken naar foto’s die zwarte slachtoffers laten zien van lynchpartijen in kleine Amerikaanse plaatsen. Deze foto’s tonen volgens Sontag de onmenselijkheid en ernst van het kwaad dat door racisme wordt aangericht. Op die foto’s van lynchpartijen zijn niet zelden breed lachende toeschouwers te zien. ‘Nette burgers die waarschijnlijk iedere zondag naar de kerk gingen, poserend voor een camera met op de achtergrond het naakte, verkoolde, verminkte lichaam van een gehangene in een boom’, schrijft Sontag.

De beschrijving van deze witte toeschouwers past de genoemde slavenhouder uit The Undergroud Railroad precies, met achter hem het verbrande lichaam van de tot slaaf gemaakte man. ‘Het vertonen van deze beelden maakt ons ook tot toeschouwer’, stelt Sontag. Welk doel heeft dat, vraagt ze zich af. Is het kijken naar zulke beelden werkelijk nodig?

New York Times-televisiecriticus James Poniewozik wijst in zijn bespreking van The Undergroud Railroad op onze huidige tijd. Die is anders dan toen 12 Years a Slave uitkwam, ook al is het slechts krap acht jaar geleden. Hij noemt onder andere de beelden van de moord op George Floyd, die vorig jaar ogenschijnlijk lukraak werden gedeeld op verschillende sociale media. Hebben we niet genoeg geweld tegen zwarte mensen gezien? vraagt Poniewozik zich af. Waarom nu nog meer van dit soort beelden?

Op 18 mei, vier dagen nadat The Underground Railroad in Nederland in première ging, werd de slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum door de koning geopend. Opvallend: in deze expositie is geen enkele afbeelding te zien van slaafgemaakten die lijfelijke straffen ondergaan. Stephanie Archangel vertelt dat zij en haar collega-conservatoren goed hebben nagedacht over wat ze in de tentoonstelling wilden laten zien: ‘De opzet is om de geschiedenis van slavernij te vertellen via tien personages. Onze richtlijn daarbij was dat alles wat we tonen moet passen in het verhaal van een personage.’

Voorbeeld is het verhaal van João Mina, een tot slaaf gemaakte man uit Ghana, die werd verkocht en in Portugees Brazilië terechtkwam. In 1646 vluchtte João naar Recife, dat in handen was van de Nederlanders. ‘Vanuit zijn personage ben ik gaan zoeken naar objecten’, vertelt Archangel. ‘Ik wilde heel graag de tronco laten zien, een meervoudige voetboei, die werd aangeboden door een schenker. Uit ons onderzoek werd duidelijk dat vluchtende tot slaaf gemaakten als João hier waarschijnlijk mee te maken hebben gehad. Als dat overigens een zweep was geweest, dan hadden we dat object laten zien.’

Er zijn ook prenten van slaafgemaakten in een tronco, vertelt de conservator. ‘Er staat er eentje in de catalogus. Maar die is twee eeuwen later gemaakt en paste dus niet in het verhaal van João. We wilden het zo zuiver mogelijk houden.’ Bovendien: ‘Als bezoekers voor die voetboei staan, kunnen zij zich beter inleven, denk ik. Wat betekent het om zo vast te worden gezet? Ze komen zo dichter bij de ervaring van João dan wanneer ze naar een tekening kijken.’

Een expliciet beeld van geweld is niet altijd sterker, wil Archangel maar zeggen. Hoewel ze bij de tentoonstelling geen beelden uit de weg wilde gaan, is ze als ze eerlijk is om nog een andere reden zelfs wel blij dat die prent niet paste. Daarbij spelen recentere gebeurtenissen ook een rol: ‘Ik denk dat de Black Lives Matter-beweging in de afgelopen jaren mede is ontstaan om kenbaar te maken dat er best veel trauma zit in zwart-zijn. Een zwarte huidskleur betekent nog altijd dat er geweld op je lichaam wordt toegepast. In de slavernijtentoonstelling is het niet te zien, maar als je echt per se wil, kun je gewoon op YouTube bekijken hoe zwarte mensen vermoord worden door gezagsdragers. Daarin zit voor mij een parallel met het slavernijverleden. Opzichters van tot slaaf gemaakten werden immers ook als autoriteit gezien.’

Bij het ontwikkelen van de slavernijtentoonstelling stonden verder twee vragen centraal, vertelt Archangel. ‘Waarom laten we iets zien, en voor wie doen we dat? Met die meervoudige voetboei tonen we dat zwarte mensen in die tijd onderdrukt werden. Mijn antwoord op die tweede vraag: in ieder geval níet voor zwarte bezoekers. Want zwarte mensen wéten dit over het algemeen wel.’ Archangel vindt het reproduceren van slavernijgeweld niet alleen onnodig maar ook schadelijk. ‘Zulke beelden normaliseren geweld tegen zwarte mensen. Terwijl, wat daar gebeurd is, is níet normaal.’

Ze vertelt er soms ook bewust voor te kiezen om geweldsillustraties weg te laten. ‘In Het Rembrandthuis was ik een van de makers van de tentoonstelling Zwart in Rembrandts tijd. Een recensent vroeg zich af waarom een schilderij van Christiaen van Couwenbergh uit 1632, waarop een zwarte vrouw verkracht wordt, niet te zien was. Hoorde dat niet net zo goed bij Rembrandts tijd? We hebben dat schilderij bewust niet getoond. Zwarte mensen worden al zo veel geconfronteerd met trauma en agressie. Ik probeer soms een ruimte te creëren die dat alles niet in zich meedraagt. Het is fijn als die spanning er niet altijd is.’

‘Als bezoekers voor die voetboei staan, kunnen zij zich beter inleven, denk ik. Wat betekent het om zo vast te worden gezet?’

‘Maar dat is míjn werkwijze hè, er zijn ook andere benaderingen’, benadrukt ze. ‘Ik denk wel dat veel van mijn generatiegenoten er ook zo over denken.’

Sheila Atim als Mabel in The Underground Railroad © Atsushi Nishijima / Amazon Studios

De tentoonstelling in het Rembrandthuis maakte Archangel in 2020 samen met kunsthistoricus Elmer Kolfin. Hij is van mening dat er in de afgelopen jaren veel veranderd is ten aanzien van het tonen van slavernijgeweld. ‘We zijn denk ik in een nieuwe fase gekomen. Er is in ieder geval meer bewustzijn’, vindt Kolfin, die werkzaam is aan de Universiteit van Amsterdam. Hoe weinig vanzelfsprekend dat is, wordt duidelijk wanneer de academicus uiteenzet hoe geweld tegen slaafgemaakten in de geschiedenis is verbeeld.

In de vroegste afbeeldingen van koloniale slavernij is geen enkel spoor van geweld te bekennen, vertelt Kolfin: ‘Kijk maar naar de schilderijen van Frans Post, een Haarlemse kunstenaar uit de zeventiende eeuw die gespecialiseerd was in Braziliaanse landschappen. Daarop zijn wel slaafgemaakten afgebeeld, maar dan heel klein, en zonder spoor van slavernij. Het landschap staat centraal.’ In een ander type schilderijen was de suikerproductie te zien. ‘Daarbij kun je geweld niet terzijde schuiven, zou je zeggen. Het was natuurlijk gedwongen en daarnaast ook zeer zwaar en levensgevaarlijk werk. Maar niets in de schilderijen wijst daarop.’

Dit soort afbeeldingen werden exclusief gemaakt voor een wit publiek, benadrukt Kolfin. Die geweldloze verbeelding van de slavernij ging door tot aan het einde van de achttiende eeuw. ‘Toen kwam het boek van Stedman, waarin hij zijn reis naar Suriname beschrijft, met prenten van William Blake. Voor het eerst werd de wreedheid van de koloniale slavernij voluit getoond. Die gravures waren een schok voor veel mensen in de Nederlanden. Zoiets hadden ze niet eerder gezien.’

In die periode verschenen meer van dit soort beelden, die gebruikt werden door abolitionisten om te pleiten voor de afschaffing van slavernij. ‘Opnieuw uitsluitend bedoeld voor een wit, elitair publiek. Hierin krijgen slaafgemaakten gelaatsuitdrukkingen die emoties tonen, waarmee het mensen worden. Dat is niet toevallig, want als het mensen zijn, wordt hun lijden voorstelbaar. En pas dán wordt slavernij onacceptabel, was de redenering.’

Volgens Kolfin zit er een paradox in deze afbeeldingen. ‘Ze maakten slaafgemaakten menselijk, om de ontmenselijking te laten zien. Eigenlijk toon je dus waar je je tegen verzet, wat leidt tot een nadruk op expliciet geweld.’

Daarnaast wijst de kunsthistoricus op nog een andere tegenstrijdigheid: ‘Op een prent in een boek uit 1854, geschreven door abolitionist en Tweede-Kamerlid Wolter Robert van Hoëvell, is een donkere vrouw met een lichte huidskleur te zien. Ze wordt gezweept door een zwarte man. Je ziet haar van opzij met blote borsten, grote ogen, mooie krullen en welvende heupen. Het is een vorm van seksueel geweld die allerminst toevallig is. Het lijden van een lichtgekleurde, jonge vrouw sprak een wit publiek meer aan. Het waren bovendien vooral mannen uit de Nederlandse elite die deze afbeelding onder ogen kregen. Vergelijkbare voorstellingen, zonder zwarten mensen, konden zij ook in pornografische prenten zien.’

De zwarte man die de zweep hanteert, heeft in dit soort beelden steeds een donkere huidskleur. ‘Dat refereert aan een negatief stereotype, die van de beestachtige, woeste zwarte. Dat deze werden ingezet tegen slavernij toont hoe diepgeworteld dit soort stereotypen waren.’

Naast de verbeelding van dit lijfelijk slavernijgeweld bleven natuurbeelden waarop geweld geheel afwezig was gewoon bestaan. ‘Verder waren er tal van andere stereotypen van zwarte mensen in omloop, om zo de slavernij te legitimeren. Al die verschillende beelden bestonden naast elkaar. Je kunt een directe lijn trekken van het einde van die achttiende eeuw naar onze tijd. Eigenlijk hebben we vaak nog steeds diezelfde beeldtaal, inclusief de paradox die ik noemde en het seksueel geweld. Het lukt ons maar moeilijk om alternatieven te vinden.’

Met die conclusie in het achterhoofd is de slavernijtentoonstelling in het Rijksmuseum een bijzondere stap voorwaarts. Stephanie Archangel: ‘Eerder was er misschien veel onwetendheid, maar vandaag de dag is het toch een bekend gegeven dat koloniale slavernij uitermate gewelddadig was. In de tentoonstelling van het Rijksmuseum zit evengoed veel geweld, ondanks het feit dat we bijvoorbeeld prenten zoals die van Stedman niet tonen. Bij ons zíe je het geweld niet, maar je vóelt het.’

Naast de tronco zijn de plantageklokken die direct voor de ingang van de tentoonstelling hangen daar een voorbeeld van. Veel mensen hebben waarschijnlijk geen negatieve associatie bij het horen luiden van een klok, maar voor slaafgemaakten was dat geluid doorgaans weinig aangenaam. Het kondigde het begin en, mogelijk nog erger, het einde van de werkdag aan. Wie te weinig had geoogst kon flinke lijfstraffen tegemoetzien – brandende stenen in de handen bijvoorbeeld. Het geweld tegen slaafgemaakten is niet te zien, maar komt via dat geluid tot de bezoekers, een manier die net zo goed indringend is.

‘Ons doel is dat we interesse wekken’, vertelt Archangel. ‘Als we ook nog allerlei beelden van lijfelijk geweld hadden toegevoegd, dan zou iedereen de tentoonstelling murw verlaten.’

Thuso Mbedu als Cora Randall in The Underground Railroad © Kyle Kaplan / Amazon Studios
‘Een epic movie als over De Ruyter, al die standbeelden en Gouden Eeuw-glorie in musea behoeven een krachtig tegenbeeld’

Wayne Modest, inhoudelijk directeur van het Nationaal Museum van Wereldculturen, vertelt dat hij nog niet zo heel lang geleden vond dat het laten zien van slavernijgeweld te verdedigen was. Maar inmiddels is hij daarover gaan twijfelen. Modest haalt de Amerikaanse schrijver en academicus Saidiya Hartman aan. In haar boek Scenes of Subjection uit 1997 stelt zij dat het voortdurend recreëren van het lijden van slaafgemaakten eigenlijk nog obscener is dan het daadwerkelijke geweld waar zij zelf mee te maken kregen. Volgens Hartman is de constante roep om dit geweld te laten zien, om zo te bewijzen dat deze gebeurtenissen echt hebben plaatsgevonden, bovendien totaal ineffectief. Het zorgt niet voor een beter begrip van dit geweld en lijden, maar maakt de toeschouwer er vooral gevoelloos voor.

Hartman ziet dan ook geen heil in het steeds weer reproduceren van marteling, verkrachting en moord. Ze pleit voor het zoeken naar andere manieren om dit verleden zichtbaar te maken. Modest: ‘Verschillende beelden van geweld tegen zwarte mensen zijn bekend bij veel Nederlanders – van de gravuren van Stedman tot de beelden van de moord op George Floyd. Maar nog steeds wordt dat geweld niet massaal erkend en afgewezen. Mijn twijfel wordt voornamelijk gevoed door het besef dat al die beelden dat niet hebben bereikt.’

Modest denkt dat 12 Years a Slave misschien nodig was, om mensen te informeren. ‘Die film laat bovendien zien hoe complex koloniale slavernij is. Dat gaat verder dan geweld, het gaat bijvoorbeeld ook over de vraag wat vrijheid precies behelst.’ Maar aan deze film zit ook een andere kant, benadrukt de museumdirecteur. ‘Hij laat de geschiedenis van slavernij in Amerika zien. Maakten wij hier in Nederland de connectie met wat er gebeurde in Suriname of Curaçao? Of vonden we wat ze zagen indrukwekkend, maar geen onderdeel van onze eigen geschiedenis?’

In ons land werd nog geen film gemaakt die het Nederlandse slavernijverleden overtuigend verbeeldde en een groot publiek wist te bereiken. Hoe duur was de suiker uit 2013 liet vooral een versoapte versie van de slavernijgeschiedenis in Suriname zien. Tula: The Revolt uit datzelfde jaar wist weinig bezoekers te trekken. We zijn in Nederland vooralsnog aangewezen op Amerikaanse producties, wat audiovisuele verbeelding betreft.

Als beelden van slavernijgeweld niet overtuigen, wat werkt dan wel? Modest vertelt hoe een andere insteek mogelijk meer oplevert. ‘Bij de tentoonstelling Heden van het slavernijverleden hebben we gekozen om niet te focussen op het lijden van zwarte mensen. We laten zien wat slaafgemaakten hebben bijgedragen aan de wereld. Vergis je niet, die bijdrage is enorm.’

Het is volgens Modest belangrijk om een nieuw evenwicht te vinden in het narratief over het slavernijverleden. ‘Er moet balans zijn tussen het geweld tegen slaafgemaakten en de kracht van deze mensen. Die twee zijn verbonden, je kunt ze niet los van elkaar zien. Het is cruciaal wat je dominant laat zijn. Een tentoonstelling waarbij de nadruk niet op geweld ligt, laat de geschiedenis net zo treffend zien. Bovendien spreekt dat niet slechts een wit publiek aan.’

Stephanie Archangel en Wayne Modest laten met hun collega’s zien dat het slavernijverleden indringend over het voetlicht kan worden gebracht zónder daarbij gebruik te maken van expliciete geweldsbeelden. Toch is het tonen van zulke beelden belangrijk, vindt filmmaker André Reeder: ‘Laten we er niet omheen draaien. Nederland ziet zich graag als een natie van redders en saviours, als moreel verlicht. Maar het land is gebouwd op barbaarsheid. Een epic movie zoals die over Michiel de Ruyter, al die standbeelden en Gouden Eeuw-glorie in musea behoeven een krachtig tegenbeeld. Het is absoluut noodzakelijk om een reëlere kijk op het verleden te geven.’

Reeder vindt de geweldsscènes uit The Underground Railroad zeker wel gruwelijk. ‘Ik heb het met tussenpozen moeten kijken, er bijna twee weken over gedaan. Toch is het goed dat deze beelden er zijn. In de eerste plaats met het oog op de geschiedenis, maar zeker ook voor witte mensen. Om te beseffen wat zwarte mensen al die eeuwen is aangedaan. It realy needs to sink in. Voor jullie is er werk aan de winkel. Maar ook zijn zulke beelden belangrijk voor zwarte jongeren. Waar halen ze de kennis over hun verleden anders vandaan? Zij moeten weten waarom ze in Nederland zijn, wat hun geschiedenis is met dit land. Denk je echt dat daar thuis over gesproken wordt? Veel zwarte ouders richten zich liever op een goede toekomst dan op een pijnlijk verleden. Slavernijgeweld is vaak een taboe, een onderwerp waar je het niet zomaar over hebt bij de koffie’.

De filmmaker groeide op aan het einde van de koloniale tijd in Suriname. ‘Ik heb zelf ondervonden wat dat met je doet. De algemene sfeer was dat van Suriname en Surinamers nooit iets goed zou komen. Dat was de bewuste en de onbewuste boodschap die je meekreeg – op school, in mijn familie. Dat kolonialisme internaliseerde ik, met een minderwaardigheidscomplex als gevolg.’ In 1971 kwam Reeder naar Nederland. ‘Naar mate ik me bewuster werd van het koloniale verleden en de slavernij, voelde ik ook alsmaar meer woede. Ik probeerde dat weg te stoppen, maar het begon steeds meer aan me te vreten.’

Het kostte Reeder jaren van interne strijd en bewustwording om daarvan af te komen. ‘12 Years a Slave was wat dat betreft een openbaring. Ik zag voor het eerst de pijn die mijn voorouders is aangedaan in beeld. Ook de complexe psychologie achter dat geweld was vreselijk heftig om te zien, maar wel nodig. Ik weet dus uit eigen ervaring hoe belangrijk populaire verbeelding is. Zulke beelden zijn een vorm van erkenning voor wat zwarte mensen is aangedaan.’

Reeder vindt bovendien dat dit soort geweldsbeelden helemaal niet veel te zien zijn. ‘Na de Amerikaanse serie Roots kwam de film van Steve McQueen, nu is er The Undergroud Railroad. Vind je dat véél? Het lijkt me magertjes vergeleken bij alle verering van die zogenaamde Gouden Eeuw.’

Maar zeker zo belangrijk vindt de filmmaker dat ook andere beelden van zwarte mensen worden getoond. ‘Als een wit kind opstaat, volgt er een dag waarin het zichzelf overal terugziet, in ontelbare variaties – van televisie tot verhalenboeken. Dat is goed, want dat weerspiegelt de realiteit. Een zwart kind heeft die ervaring nog steeds niet, terwijl dat wel zou moeten. Er is wel wat verbeterd op dat vlak, maar we zijn er nog lang niet. Het is duidelijk dat het witte establishment niet met zulke beelden zal komen. Dus moeten wij, zwarte mensen, die zelf creëren. Beelden die kracht laten zien.’

Regisseur Barry Jenkins aarzelde aanvankelijk of hij wel een serie over slavernij moest maken. In die twijfel vroeg hij een klankbordgroep van zwarte inwoners uit Georgia naar hun mening. Negentig procent van deze mensen gaf te kennen Jenkins te steunen bij het maken van zo’n serie. Maar, zo lieten ze weten, laat dan wel álles zien. ‘It needs to be hard, it needs to be brutal’, herinnert Jenkins zich in een interview met The New York Times. Later zei de regisseur overtuigd te zijn dat zonder het tonen van die wreedheden zijn voorouders uitgewist zouden worden.

Volgens Wayne Modest is er geen eenvoudig antwoord te geven op de vraag hoe om te gaan met beelden van slavernijgeweld. Misschien is het ook geen kwestie van óf expliciet óf juist terughoudend te zijn en hebben beide bestaansrecht – zoals al die variaties dat evengoed hebben. Susan Sontag schrijft in haar essay dat het de taak is van kijkers om na te gaan hoe hun eigen situatie zich verhoudt tot diegene die zij zien lijden. ‘Voor deze taak leveren pijnlijke beelden slechts een eerste vonk.’ Kijkers mogen daarop verlangen dat áls er dan zulke beelden van expliciet geweld getoond worden, het op z’n allerminst met die intentie gebeurt, en nooit achteloos.

Slavernij is nog t/m 29 augustus te zien in het Rijksmuseum in Amsterdam. The Underground Railroad is te zien via Amazon Prime