‘Je ziet het in de praktijk niet gebeuren’

Haagse jaren: De politieke memoires van Ruud Lubbers, opgetekend door Theo Brinkel, is een opwindend boek. Maar als lezer moet je wel eerst het lubberiaans machtig worden.

Ruud Lubbers na ontvangst door koningin Beatrix tijdens de kabinetscrisis van 16 oktober 1981 © Ronald Speijer / ANP

Er zijn boeken die stilistisch wat krakkemikkig in elkaar zitten, maar inhoudelijk razend interessant zijn. Haagse jaren: De politieke memoires van Ruud Lubbers is zo’n boek. Weliswaar gaan de herinneringen van de langst regerende premier in de Nederlandse geschiedenis niet over privézaken, ze laten zich toch lezen als een boek over zowel de techniek van de politiek als de psychologische eigenaardigheden van de politici zelf.

De memoires zijn tussen 1992 en 1995 opgetekend door de historicus Theo Brinkel, indertijd medewerker van het Wetenschappelijk Instituut van het cda. Het zijn de slechtste jaren van Lubbers in zijn bijna twintigjarige carrière. In 1992 leek hij de ongenaakbare premier. In 1995 was zijn cda naar de gallemiezen en stond hij zelf te boek als de uitgespeelde baas die er niet in was geslaagd om voorzitter van de Europese Commissie te worden. Dat frustreerde Lubbers en is ook te merken in de memoires, die zo heet van de naald zijn opschreven dat ze tegen het einde uitmonden in een soms onnavolgbaar relaas van chaos en gekte. Dat verklaart waarom Lubbers, mede op advies van koningin Beatrix, lang niet wilde dat dit verslag van zijn 7777 + 7 dagen in de politiek zou worden uitgegeven. Na zijn dood in 2018 keerde het tij. Hoera. Want Haagse jaren is opwindend.

Die spanning komt de lezer niet aanwaaien. Je moet bereid zijn je een weg te banen door het verbale struikgewas van Lubbers. Zijn stijl doet met wendingen als ‘je ziet het in de praktijk niet gebeuren en toch blijf je er op hameren’ wat cruijffiaans aan. Maar wie zich daardoor niet van de wijs laat brengen, verwerft nieuwe inzichten: niet alleen over de politicus zelf, maar ook over Nederland. Het politieke leven van Lubbers, die zijn loopbaan in 1973 begon als minister van Economische Zaken tijdens de oliecrisis en in 1994 eindigde in de jubeljaren na de Koude Oorlog, markeert een kantelpunt in de geschiedenis. Het was ook voor Nederland de overgangsfase van een tijd waarin de factor arbeid (1945-1980) centraal stond na een periode waarin de factor kapitaal (1980-2002) ging domineren.

Talrijke aspecten van deze ingrijpende wending komen in de politieke memoires aan bod. Als minister in het progressiefste kabinet ooit zag hij dat de socialist Joop den Uyl van zichzelf een anachronisme aan het maken was, omdat de samenleving zich eind jaren zeventig niet meer alleen door de staat liet kneden. Eenmaal tweede man van het cda werd hij geconfronteerd met de opkomst van revolutionaire deregulerings- en privatiseringspolitici als Margaret Thatcher (1979) en Ronald Reagan (1980), die het tot dan dominante keynesiaanse denken een doodsteek toebrachten. Hij moest als premier vervolgens een antwoord vinden op de onweerstaanbare druk die daarna op de verzorgingsstaat kwam te staan.

Tegelijkertijd werd hij geconfronteerd met een kernwapenwedloop, die Europa na 1979 diepgaand verdeelde, en na 1985 ineens met een geopolitieke omwenteling in datzelfde Europa toen sovjetleider Gorbatsjov met zijn glasnost de deling van het IJzeren Gordijn ongedaan maakte. Intussen moest hij ook een weg vinden in de normatieve metamorfose van Nederland zelf. De collectieve moraal van de verzuiling maakte plaats voor individueel gefundeerde waarden en het denken over leven en dood trok nieuwe scheidslijnen tussen links en rechts respectievelijk progressief en conservatief, via het politieke debat over abortus en euthanasie.

Aan een nette afronding kwam hij echter niet toe. De twee decennia mondden juist uit in een vernedering, toen zijn eigen cda, de partij die hij groot had gemaakt, in 1994 bijna twee vijfde van zijn kiezers verloor, door de paarse coalitie van Wim Kok en Hans van Mierlo in de oppositie werd gedreven en zo voor het eerst sinds 1917 buiten de regeringsmacht kwam te staan.

In zijn herinneren hieraan vertelt Ruud Lubbers over het beleid, het vak, de trucs, de vergissingen en zijn persoonlijke drijfveren. Hij schetst de keuzes die hij maakt binnen de financiële, sociale, economische, geopolitieke en normatieve context van de tijd. Voor cijfers is hij niet bang. De lezer wordt zo weer herinnerd aan de economische ‘winter’ van 1981 toen Nederland kampte met tien procent werklozen en tien procent financieringstekort, wat schril afsteekt bij de drie procent werkloosheid en het overschot van 1,5 procent aan de vooravond van de coronacrisis. Hij onthult hoe hij benoemingen en ontslagen niet altijd even succesvol naar zijn hand zet. Zo blokkeert hij wel dat Elsevier-hoofdredacteur Ferry Hoogendijk voor de vvd minister wordt en zo de politiek ‘corrumpeert’, maar kan hij niet voorkomen dat Gerrit Braks van Landbouw tot aftreden wordt gedwongen. Hij beschrijft zijn methodes waarmee hij de besluitvorming naar zich toe trekt. Als er in het kabinet bijvoorbeeld een compromis is bereikt over een abortuswet, die wat liberaler is dan de oude maar niet zo liberaal dat zijn eigen partij er niet mee zou kunnen leven, en hij in een café, waar hij moe nog even een biertje wil drinken, toevallig de DS70’er Ruud Nijhof alleen aan de bar ziet zitten, weet hij die over te halen om zijn (beslissende) stem aan de regering en niet aan de oppositie te gunnen.

Hij vertelt over zijn ‘eenzaamheid’ die zich, zoals bij veel jongens uit de roomse elite, heeft genesteld toen hij op de kostschool zat en die in de politiek alleen maar dieper wordt. Hij typeert zijn eigen steeds eenzamere premierschap als ‘pastoraal’ werk. ‘Je bent geroepen om een kudde te leiden.’ En hij schetst zijn angst voor ‘destructieve’ moedeloosheid. ‘Cynisme is een verleiding. Het is iets heel anders dan ironie, gevoel voor humor. Bij cynisme dooft het vlammetje. Politiek moet geen vlammetjes doven. Politiek moet proberen de schaarse vlammetjes te laten branden.’

‘Bij cynisme dooft het vlammetje. Politiek moet geen vlammetjes doven. Politiek moet proberen de schaarse vlammetjes te laten branden’

Lubbers was een meespelende regisseur die dacht het toneel te beheersen. Maar ook hij werd op kritieke momenten verrast door toevalligheden. Ik wil dit illustreren aan de hand van een voorbeeld waarin (opgepast) ikzelf een anonieme rol speel.

Lubbers’ laatste jaar was een ‘rampjaar’. De Duitse bondskanselier Helmut Kohl, wiens ‘charmante minderwaardigheidscomplex’ na de Duitse hereniging van 1990 was verworden tot een ‘irritant superioriteitsgevoel’, verijdelde dat hij voorzitter van de Europese Commissie werd. En in zijn eigen cda ging ook alles mis wat er maar mis kon gaan. De partij wist zich geen raad met de opvolging van de man die tien jaar had ‘meegedacht’.

Tijdens het derde kabinet-Lubbers (nu niet met de vvd maar met de pvda) moest voormalig cultuurminister Elco Brinkman zich als fractievoorzitter warmdraaien voor het leiderschap. Brinkman deed dat met verve. Nadat hij via een ‘coup’ van de partijvoorzitter definitief op de troon was gehesen, deinsde hij er niet voor terug zelfs Lubbers te beledigen met teksten als ‘het speelkwartier is voorbij’. Zijn zelfvertrouwen werd zo groot dat hij, onder invloed van campagnemanager Frits Wester (nu RTL Nieuws), ging denken dat het cda zijn oude kiezers amper kon verliezen en dat hij met een scherpe profilering wel nieuwe kon winnen.

Toen eind 1993 uit opiniepeilingen bleek dat het cda juist op stevig verlies stond en niet meer onontbeerlijk was voor de regering – ‘paars’ klopte zachtjes aan de deur – was het genoeg voor Lubbers. Hij stelde voor Wester te ontslaan en de verkiezingen niet in te gaan met één lijsttrekker maar met meerdere, net zoals de kvp deed in de jaren zestig. Het idee viel ‘in droge aarde’. Twee maanden voor de verkiezingen van mei 1994 zag Lubbers er geen gat meer in. Hij schreef een ontslagbrief: ‘de profundis’ getiteld, een verwijzing naar een psalm waarin ‘vanuit de diepten’ een smeekbede tot God wordt gedaan. Onder druk van een verblufte Jan de Koning, de vertrouweling die Lubbers in 1982 via geraffineerde chantage in zijn eerste kabinet heeft getrokken, verstuurde hij de brief toch maar niet.

Zijn vertrouwen in Brinkman nam wel verder af. Op 15 april kwam dat naar buiten. Hij werd die avond bij Nova (voorloper van Nieuwsuur) geïnterviewd. Voor de uitzending kreeg hij een opiniepeiling te zien, waaruit bleek dat Kok als mogelijke premier viermaal meer steun had dan Brinkman. Naar eigen zeggen ter bescherming van de cda-lijsttrekker zei Lubbers in de uitzending daarom dat Kok inderdaad ‘ook wel een aardige premier’ zou zijn.

Die vrijdagavond had ik als adjunct-hoofdredacteur bij NRC Handelsblad nachtdienst. Na Nova – wat krijgen we nou? – belde ik politiek verslaggever Mark Kranenburg. We schreven die nacht een bericht voor de voorpagina en een analyse binnenin. De koppen luidden: ‘Lubbers acht Kok net zo goed als Brinkman’ en ‘Lubbers laat Brinkman keihard vallen’.

Wij dachten ons werk te hebben gedaan. Maar Lubbers stond versteld toen hij zaterdag, na een bespreking met Gorbatsjov over internationaal milieubeleid, de krant onder ogen kreeg. ‘Niemand die mij even telefonisch had gewaarschuwd. Na het lezen van de NRC ben ik helemaal kapot’, blijkt uit de memoires. Hij overwoog zelfs ‘ernstig om helemaal terug te treden, afgezien van het premierschap’ dat hij eerder toch maar had aangehouden. Hij liet zich door enkele cda’ers overreden toch te blijven. ‘Er is paniek in de partij’, al vond hij achteraf dat hij toen wel ‘de deur definitief’ had moeten dichtgooien.

Met dit soort details ontmantelt Lubbers twee mythes. De buitenwacht, ook de journalistiek, weet vaker niet dan wel wat er achter de schermen allemaal gebeurt. Democratische politiek is niet transparant. Dat is echter geen reden voor paranoia. Want die chicanes in de coulissen van de macht zijn niet altijd zetten in een doordacht schaakspel. Politici hebben soms geen idee wat de gevolgen zijn van hun stappen. Ze improviseren er niet zelden op los en verzinnen er pas achteraf een strategie bij.

In dat spanningsveld ten goede én ten kwade was Lubbers een van de belangrijkste crisispremiers van Nederland. Quasi-leiders hebben de neiging hun leiderschap met teksten als ‘de grootste dit, de ergste dat’ op voorhand te hyperboliseren. Lubbers draait het in zijn memoires om. Politiek is een ‘nobel vak’, mits je je neus niet ophaalt voor de ‘noblesse’ om ‘zo nu en dan de riolen schoon te maken’.