Briefwisseling

‘Je zou haast denken dat Turkije enkel bevolkt wordt door engelen en duivels’

Ali Duran Topuz © Insan Tarafinin Konugu Gazeteci

Wat betekent ‘het vrije woord’ voor journalisten? In een briefwisseling op initiatief van literatuurfestival Read My World onderzoeken De Groene-redacteur Rasit Elibol en de Turkse journalist Ali Duran Topuz, oprichter en hoofdredacteur van Gazete Duvar (De Muurkrant), een van de weinige onafhankelijke media-outlets van Turkije, het begrip vanuit verschillende perspectieven.


Beste Raşit Elibol,

waar te beginnen als ik het met een collega in het Westen ga hebben over de vrijheid van meningsuiting? Tot het moment dat ik me aan het schrijven van dit stuk zette om daarmee het gesprek te openen, had ik me niet gerealiseerd dat dit zo’n moeilijke vraag was.

Zou ik zelf ook vanuit een westers land spreken, een land als Nederland, Denemarken of Duitsland, dan hadden we het over mondiale ontwikkelingen die de rechten en vrijheden van de mens bedreigen (de opkomst van populistische demagogen, het sterker worden van racistisch-discriminatoire tendensen, de achteruitgang op het gebied van de rechten en vrijheden van de mens en het steeds grotere gevaar dat de verdedigers daarvan lopen, de directe of indirecte uitholling van redactionele onafhankelijkheid door machtige bedrijven, de steeds kleiner wordende impact van beroepsorganisaties), dan bespraken we hoe die ontwikkelingen ons beïnvloeden of kunnen beïnvloeden en wisselden we van gedachten over wat eraan te doen is. Als de collega met wie ik in gesprek ga net als ik afkomstig was uit een land buiten de kring van ‘westerse waarden’, dan hadden we het over de definities van die waarden, over de verschillen met de situatie in ons land, en natuurlijk ook over mogelijke oplossingen. Maar als degene met wie ik in gesprek ga in het ‘Westen’ woont, nog wel in een land als Nederland, waar een sterke ‘vrijheid van meningsuiting’ als een gegeven wordt gezien, dan wordt het lastiger te bedenken waar je moet beginnen. Natuurlijk ben ik benieuwd naar de situatie daar: hoe is het gesteld met de beroepsorganisaties? Wat voor soort maatregelen hebben die genomen om de vrijheid van meningsuiting te beschermen tegen het politieke gezag, tegen grote economische machten, tegen investeringsgroepen, die voortdurend allerlei manipulerende stappen ondernemen, tegen populistische tendensen? Hoe zijn de relaties van de beroepsorganisaties met de academische wereld? Vanuit wat voor standpunt bezien ze de situatie buiten hun eigen land? Hoe kijken ze aan tegen plaatsen waar geen vrijheid van meningsuiting is, of waar die zwak is, of waar die in lijn met de globale tendens zwakker wordt? Wat voor belang hebben hun relaties met collega’s en beroepsorganisaties in die landen? Is er een neiging tot solidariteit met hun collega’s, met het vak in landen zoals het onze, waar de vrijheid van meningsuiting gaandeweg vager wordt, of is dat een achterhaald idee?

Read My World

Literatuurfestival Read My World staat dit jaar in het teken van Turkije. Turkse schrijvers, journalisten en kunstenaars gaan op donderdag 11, vrijdag 12 en zaterdag 13 oktober in gesprek met Nederlandse collega’s in De Tolhuistuin.

Naar dat alles ben ik benieuwd, maar als ik zelf dat soort vragen moet antwoorden, zal me dat meer moeite kosten dan gedacht: hier is de situatie van beroepsorganisaties abominabel. Het politieke gezag erkent geen andere vrijheid dan de vrijheid het gezag te steunen. Dat gezag moet niets hebben van publicaties, tenzij die de belangen van investeringsgroepen beschermen, en wie zaken publiceert die de regering niet welgevallig zullen zijn wordt beschouwd als een vijand, een verrader – precies zoals de regering doet. Collega’s die door middel van kritische of alternatieve publicaties invloed proberen uit te oefenen, lopen permanent het risico voor de rechter te moeten verschijnen. En gaat mijn poging om de situatie in het land te beschrijven te ver, dan maak ik me schuldig aan het zwart maken van het land ten overstaan van vijandelijke landen. Bovendien, deze kwestie heeft niet eens alleen te maken met de huidige machthebbers; onder hun voorgangers zijn er krantenburelen opgeblazen, zijn er jongeren die kranten distribueerden op straat neergeschoten – het zijn gebeurtenissen van de laatste dertig jaar. Het is nog maar tien jaar geleden dat een hoofdredacteur (Hrant Dink) voor de deur van zijn krant werd doodgeschoten. De moeilijkheid heeft enerzijds te maken met de juridische risico’s die ik loop als ik dit alles opsom, en anderzijds met de vraag wat voor nut het allemaal heeft. Want ja, wat voor nut kan het hebben om een lijst op te stellen van de problemen in de Nederlandse situatie en van de Turkse situatie? Natuurlijk, je kunt niet zeggen dat zo’n exercitie slecht is, het is nuttig om te weten, maar dan? Kan een gesprek tussen iemand die woont en werkt in een land waar het met de vrijheid van meningsuiting beter gesteld is, en iemand die woont en werkt in een land dat er slechter aan toe is nog een ander nut hebben dan het opstellen van lijsten van wat goed en wat slecht is? Als iemand die schrijft vanuit Turkije hoop ik van harte dat dat inderdaad het geval is, maar op de vraag wat het nut dan kan zijn, moet ik het antwoord schuldig blijven.

Zoals bekend zijn er op die laatste vraag eerder al antwoorden bedacht, het idee namelijk van internationale beroepssolidariteit, en dan met name solidariteit tussen werkenden. Op het gevaar af zwaar ouderwets gevonden te worden, ga ik nog even verder: als we bedenken dat naties voor hun belangen mondiale samenwerkingsverbanden kunnen aangaan, dat ook het kapitaal dat kan, dan lijkt het helemaal geen slecht idee dat werkenden dat ook doen. Het idee is al oud, dat weten we allemaal, het klinkt marxistisch in de oren. Maar leeft dit idee eigenlijk in Nederland? Ik heb collega’s die daar werken en die de ontwikkelingen in Turkije op de voet volgen, die bezorgd zijn over de gebeurtenissen, die laten weten dat ze solidair zijn, zoals ik in veel andere Europese landen ook zulke collega’s heb. Maar of die bezorgdheid en empathie een internationale solidariteit tot stand kan brengen om de vrijheid van gedachte te beschermen, een solidariteit die door mondialisering aan kracht wint, dat weet ik niet. Is er binnen Europa, is er tenminste in het gebied dat zo heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de vrijheid van meningsuiting, een dergelijke graad van organisatie? Ook dat weet ik niet. Hebben beroepsorganisaties, inclusief vakbonden, en zogenoemde ‘ngo’s’ een structuur die gewicht in de schaal kan leggen inzake de bescherming van de vrijheid van meningsuiting binnen Europa? En als die er is, tendeert die dan naar globalisering of beperkt die zich tot Europa?

Dat zou ik graag willen weten. Die informatie is beter dan het uitwisselen van klachtenlijsten. Maar ook als die informatie er eenmaal is, zal het voor mij nog steeds niet eenvoudig zijn het gesprek voort te zetten, om meer te doen dan mogelijk vervelende vragen te stellen. Ik zou het bijvoorbeeld graag hebben over stellingen die ervan uitgaan dat de ‘goede’ situatie in het Westen waar het de vrijheid van meningsuiting, en ook alle andere westerse vrijheden betreft, mogelijk een uitkomst, een gevolg is van de ‘slechte’ situatie in andere landen. Als die stelling klopt, dan kunnen de persoonlijke gevoelens en gedachten van mijn gesprekspartner nog zo mooi en goed zijn, maar dan staan we voor een structureel probleem, dat wil zeggen een probleem dat de mensen overstijgt. Want worden landen die ver af staan van de westerse set van rechten en vrijheden door diezelfde westerse landen gedefinieerd in termen van ‘vijand van vrijheden, tegenstander van democratie’, dan staat daarmee de deur open voor een catastrofe: Syrië en Irak, twee buurlanden van het land waar ik woon, zijn op die manier te gronde gericht. Ik ben heel benieuwd wat de houding van de Nederlandse media in het bijzonder, en de westerse media in het algemeen is ten aanzien van dit soort processen, wat hun houding zou kunnen zijn. Hoe kijken westerse journalisten ertegen aan dat landen waar van vrijheid van meningsuiting in de westerse zin geen sprake is, of waar die problematisch is, ertoe zijn voorbestemd het toneel te worden van de ‘democratiserings’-initiatieven van westerse landen, anders gezegd, te veranderen in een slagveld? Natuurlijk, een journalist is geen politicus, militair of diplomaat, een journalist is een journalist, hij bedrijft journalistiek. Dat doe ik ook, en niet meer dan dat; en daarbij, zoals ik niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de algemene mediatendensen in mijn land, zo houd ik mijn gesprekspartner ook niet verantwoordelijk. Maar is er een media-organisatie die zo vrij is, in de zin van ‘universeel’, dat ze, wanneer het gaat om de gevaren van westerse operaties ‘om democratie en vrijheid te brengen’, niet in de val trapt van de manipulerende machten van degenen die deze operaties uitvoeren? Tenminste potentieel?

Ik weet niet of het nodig is, maar voor de zekerheid schrijf ik, nu ik aan het eind van mijn brief kom, toch op wat het doel is van mijn vragen: het zijn de vragen van een journalist die niet uit is op de weerlegging van de westerse vrijheden, inclusief de vrijheid van meningsuiting, maar die graag wil dat deze vrijheden zo worden geconstrueerd dat ze niet alleen toebehoren aan het Westen, maar werkelijk universeel zijn.

Met een hartelijke groet en gevoelens van solidariteit…

Ali Duran Topuz


Beste Ali Duran Topuz,

Wat een belangrijk einde van uw brief en een mooi slotpleidooi: de vrijheden die wij hier in het Westen zo normaal zijn gaan vinden, moeten zo geconstrueerd worden dat ze niet alleen toebehoren aan ‘ons’ maar ook echt universeel worden. Volgens mij raakt u hiermee de kern, maar ik laat dit punt nog even rusten.

Ik weet niet of het voor onze briefwisseling belangrijk is dat u van me weet dat mijn roots in Turkije liggen, een land waar ik nooit bijzondere liefde voor heb gevoeld en waar ik geen band mee heb op kunnen bouwen, maar ik wil het niet onvermeld laten. Al was het maar omdat mijn naam die afkomst toch al had verraden en het iets kan zeggen over mijn blik op uw land.

Voordat ik uw brief las bekroop mij een zelfde soort gevoel als dat u beschrijft maar dan precies om de tegenovergestelde reden: waar te beginnen als ik het met een collega uit Turkije ga hebben over de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid? Het voelt ongepast om onze situatie met die van jullie te vergelijken en natuurlijk wist ik dat al, maar na het lezen van uw brief bekruipt mij dat gevoel nog sterker. Misschien is het daarom juist goed om het toch te doen.

Ik schrijf dit met enige aarzeling, maar ik wil eerlijk tegen u zijn: dat journalisten in Turkije steeds moeilijker onbevreesd hun werken kunnen doen, is hier in Nederland vooral munitie voor groepen die het als argument kunnen gebruiken in discussies over uw land en de president van uw land. ‘Turkije hoort niet bij Europa want het islamiseert en er zitten veel journalisten in de gevangenis.’ Het zal voor u geen verrassing zijn dat de reputatie van Turkije, mede door de huidige machthebbers, in laten we zeggen tien jaar is veranderd van fijn vakantieland in Het Grote Kwaad. Zo was er onlangs grote ophef hier in Nederland, omdat de Turkse staat weekendscholen financiert. Het wrange is dat dat al jaren gebeurt, maar niemand maakte zich er tot voor kort heel druk over. Alles over uw land is helaas nieuws en voer voor xenofoben en racisten, een trend die niet alleen in Nederland zichtbaar is, maar ook in de omringende landen. Daarom is het belangrijk om een vaak vergeten argument dat u gebruikt nogmaals uit te lichten: hoewel het onder de huidige machthebbers een dieptepunt heeft bereikt, heeft Turkije een lange geschiedenis van een onvrije pers. U noemt terecht de verschrikkelijk moord op Hrant Dink, inmiddels ruim tien jaar geleden.

De vrijheid voor journalisten is in Nederland zo vanzelfsprekend, iets wat mijn generatie en ook de generaties voor mij niet hebben hoeven bevechten, dat we de echte waarde uit het oog zijn verloren. Wij hoeven niet bang te zijn voor een celstraf en wij hoeven niet te vrezen dat de staat ons medium sluit. Er worden hier heel soms journalisten beveiligd omdat ze gevaar lopen door de criminelen waar ze over schrijven, maar hoe verschrikkelijk dat ook is, het is echt iets anders. Onze vijand is niet de staat, zoals in Turkije. Er is wel een ontwikkeling in de journalistiek hier in Nederland die mij enige zorgen baart en dat is dat er – misschien wel onbedoeld – sprake is van zelfcensuur. We leven hier in tijden van grote polarisatie, een maatschappelijk debat dat wordt gekaapt door extreme meningen en dat gaat weer gepaard met een (online) afrekencultuur. Je bent hier of een racist of een islamknuffelaar, er is even geen tussenweg. En om niet in een van die kampen te worden geschaard, wordt er soms geschreven met de handrem erop. Ik zal mezelf als voorbeeld geven: als ik over Turkije of Turkse Nederlanders schrijf krijg ik mails, brieven of berichten op sociale media met bedreigingen, scheldpartijen en word ik uitgemaakt voor terrorist en landverrader. Hoewel het me er niet van weerhoudt om over hetzelfde onderwerp te schrijven, denk ik er toch langer over na. Ik vraag me af: hoe kijkt u naar deze ontwikkeling? Is het iets dat u herkent? En misschien belangrijker: wat zou u ons op dit punt willen meegeven?

In een ideale wereld zouden alle journalisten vierkant achter jullie staan. Maar helaas, ik vrees dat iedereen het hier echt vervelend vindt wat er met collega’s in Turkije gebeurt maar het is te veel een ver-van-mijn-bed-show om structureel iets te willen veranderen. En dat is meteen de grote paradox: veel van wat in Turkije gebeurt is hier groot nieuws, maar op het moment dat er iets moet worden gedaan aan de onwerkbare situatie van journalisten is het ineens geen belangrijk land meer.

Goed, het is vast niet uw bedoeling, maar ik moet de hand nu ook in eigen boezem steken. Zoals gezegd liggen mijn roots in Turkije, mijn ouders zijn er geboren, dus ik denk dat ik voor een Nederlander bovengemiddeld op de hoogte ben van de situatie in uw land. Maar wat heb ik gedaan om mijn collega’s echt te helpen – desnoods een hart onder de riem te steken? Ik kan nu zeggen dat ik Ahmet Sik en Can Dundar interviewde om aandacht te vragen voor de situatie, andere stukken schreef, maar Ik heb het gevoel dat het niet genoeg is. Maar om heel eerlijk te zijn weet ik ook niet wat ik zou kunnen doen wat recht doet aan deze situatie. Misschien heeft u daar ideeën over?

Hartelijke groet,

Rasit Elibol


Beste Raşit Elibol,

ik begin deze brief bij een, zoals u dat in een van de vragen in uw brief zo mooi beschrijft, heel herkenbaar punt.

Het is in Turkije al een tijd zo dat iedereen die in het openbaar iets zegt, die verslag uitbrengt van nieuws of artikelen publiceert, ofwel tot het ene extreem gerekend wordt ofwel tot het andere, iets er tussenin is er niet. Je zou haast denken dat het land enkel bevolkt wordt door engelen en duivels, helden en hufters, getrouwen en verraders. Ook wij hebben het in dat verband over polarisatie, en het zal deels te maken hebben met de intensiteit van wat we meemaken, dat we ervan uitgaan dat dit alleen bij ons voorkomt. Maar kijken we nauwkeuriger, dan zien we dat het in feite gaat om uitzaaiingen van een nieuwe handelwijze die de wereld in zijn greep heeft, een nieuwe manier van denken, van politiek bedrijven; wat u vertelt en uw vraag bewijzen dat ook.

Het is tegelijkertijd wel en niet verbazingwekkend om te horen dat er ook in Nederland een polarisatie aan de gang is, waardoor alle kleurschakeringen en tussentinten worden uitgewist; maar of het nu wel of niet verbazing wekt, het is om moedeloos van te worden. Het is verbazingwekkend omdat we ervan uitgaan dat in de West-Europese landen, en dus ook in Nederland, de vrijheid van meningsuiting stevig in de maatschappij verankerd is, net als alle instanties en conventies die tot stand zijn gebracht om ervoor te zorgen dat men daadwerkelijk gebruik kan maken van die vrijheid. De wetenschap dat deze instanties en de ideeën waarop ze gestoeld zijn ergens op deze wereld sterk leven, stemt een mens hoopvoller wanneer hij probeert dat te bereiken, dat zult u begrijpen.
Maar in zekere zin wekt de polarisatie waarover u spreekt helemaal geen verbazing: alles wijst er namelijk op dat het niet iets is dat alleen speelt in de landen die in relatie toe het Westen ooit de ‘derde wereld’ werden genoemd, Turkije behoorde ook daartoe, en in de landen van de zogenoemde ‘tweede wereld’, de voortzetting van het sovjetblok. Wat ik begrijp is dat de instituties in West-Europa, en dan heb ik het over instituties als de media, de academische wereld, beroepsorganisaties, inzien dat ze zich beter dan vroeger moeten realiseren wat de waarde is van de ‘kant-en-klare vrijheden’ die u in uw brief noemt. Want hier beleven we de polarisatie niet alleen als een gevolg van de kwalijke praktijken van een slecht bewind, maar tegelijkertijd als een manier om de macht in handen te krijgen en te houden, zo ervoeren we het eerder en zo is dat nog steeds. Turkije is in dat opzicht, vrees ik, niet zozeer een voorbeeld van iets uit het verleden, iets dat achterloopt bij Nederland, maar een voorbeeld van een van de mogelijke toekomstscenario’s voor Nederland.

U hebt het over zelfcensuur, veroorzaakt door die polarisatie, en ook dat is geen bericht dat hoopvol stemt. Het laat ons zien dat de straat, de discriminerende, racistische, xenofobe bewegingen invloed beginnen te krijgen op de mentaliteit van mensen; we weten bovendien dat die bewegingen niet op straat zullen blijven, dat ze er alles aan doen om in de politiek, de media, de academische wereld, om in alle instituties invloed uit te oefenen.

Ook het feit dat een fijn vakantieland de indruk wekt te veranderen in ‘Het Grote Kwaad’, wat vervolgens weer gebruikt wordt door politieke bewegingen die zich tegen Turkije keren en polarisatie voorstaan, is vanzelfsprekend slecht nieuws. Maar om dit beter te begrijpen moet ik toch iets vragen: hoe stellen de Nederlandse media zich op in de politieke en maatschappelijke aberratie die u schildert? Toen Turkije zich ontwikkelde tot wat het op dit moment is, waren er maar heel weinig persorganen die in de gaten hadden dat het de verkeerde kant uit ging, die uitzendingen maakten tegen discriminatie, racisme, agressie en revanchisme. Een groot aantal mensen en instituties die nu over de situatie klagen, hebben er zelf bepaald niet weinig aan bijgedragen dat het zo ver is gekomen.

De agressie waarmee u persoonlijk te maken hebt puur vanwege het feit dat uw roots in Turkije liggen, is buitengewoon bedroevend. Helaas kennen we deze situatie hier maar al te goed: door de essentialistisch-nationalistische geest die in Turkije de overhand heeft, wordt iedereen op een bepaalde plaats vastgepind. Heeft die plek niet je voorkeur, dan valt men op je aan. Voetballers bijvoorbeeld die in Europa zijn opgegroeid en kiezen voor het nationale elftal van het land waar ze zijn groot geworden, zijn het mikpunt van precies die woede wanneer ze uitkomen tegen het Turkse nationale elftal. Zelf ervaren we in soortgelijke situaties voortdurend een grote spanning tussen pogingen om onszelf en onze collega’s te beschermen enerzijds en het verlangen ermee op te houden ons werk naar behoren te doen anderzijds. Ik denk dat er niets te bedenken is dat helpt tegen discriminerende, racistische en agressieve mensen en groeperingen, behalve doorgaan met publiceren en daarbij de ethische principes en beroepsregels in acht nemen.

Eigenlijk heeft het niet zoveel zin om onszelf schuldig te voelen over alles wat er gebeurt. Trouwens, er is echt niets dat iemand die zijn beroep uitoefent zelf zou kunnen doen voor zijn collega’s in een ander land. Zelfs als je in hetzelfde land woont, kun je als persoon niet veel uitrichten. Al die keren dat collega’s van ons te maken kregen met onrecht was er niets dat we konden doen, behalve met hen meeleven. Het enige wat we kunnen is proberen ons werk nog beter te doen – dat is hoe we op dit moment in Turkije denken.

Als we het erover eens zijn dat het geen zin heeft om ons persoonlijk schuldig te voelen, kunnen we proberen na te denken over het vervolg. Als u het goed vindt, wil ik om verder te gaan uw vraag enigszins ombuigen: wat had ik kunnen doen als de landen een andere plaats hadden gehad? Niet veel misschien, maar het is misschien toch goed om twee punten te bedenken: stel dat ik een journalist zou zijn die werkzaam was in de relatief comfortabele omstandigheden van een Europees land, en stel dat ik iets zou willen doen met betrekking tot een plek waar problemen waren met de vrijheid van meningsuiting, dan was het enige wat ik kon doen, denk ik, mijn beroepsorganisaties en de publieke opinie nog beter informeren over het land waarover we spraken, en proberen nog meer steun te verwerven van beroepsorganisaties voor solidariteit, zowel organisaties in mijn eigen land als internationale. Vanzelfsprekend zou ik proberen uit te vinden of mijn land en het machtsconglomeraat dat Europa is, deel hadden aan de gebeurtenissen, en als dat het geval was, dan zou ik proberen een manier te vinden om de publieke opinie in mijn land daarover te informeren. Als het al mogelijk is om iets te doen, dan weet ik werkelijk niet of het anders kan dan op institutioneel niveau…

Met een hartelijke groet,

Ali Duran Topuz


Beste Ali Duran Topuz,

Veel dank voor deze mooie laatste brief. Ik heb ’m met bijzonder veel plezier gelezen.

Dat alle kleurschakeringen en tussentinten in het publieke debat worden uitgewist, stemt inderdaad treurig en ik denk dat de voorbeelden die wij aanhalen goed laten zien dat het een wijdverspreid probleem is, ook als we bijvoorbeeld kijken naar de Verenigde Staten. Of beter gezegd: het zegt veel over de tijd waarin we leven, de manier waarop we denken en politiek bedrijven. Ik had me echter niet gerealiseerd dat de vrije waarden die we hier in Nederland genieten, die inderdaad stevig verankerd zijn door onze belangrijkste instanties en conventies, in onvrije landen hoopvol stemmen. Na het lezen van uw brief ben ik me er extra van bewust wat een luxe het is om niet met optimistische verwachtingen naar andere regio’s in de wereld te hoeven kijken. Maar ook dat het wellicht verantwoordelijkheid met zich meebrengt, maar op dit punt kom ik later terug.

Het gekke aan de polarisatie waar we het over hebben is dat wij hier in Nederland paradoxaal genoeg ook snakken naar verbroedering. Ik zal u een voorbeeld geven: vorig jaar kreeg een voetballer van Ajax een hartstilstand op het voetbalveld, waardoor hij ernstige en blijvende hersenschade opliep. Sindsdien ligt hij in coma. Deze Abdelhak Nouri was twintig jaar eerder in Nederland geboren, maar zijn ouders komen uit Marokko. U moet weten dat moslims in het algemeen en Marokkanen in het bijzonder veel last hebben van het door ons besproken politieke klimaat, ik hoef u niet uit te leggen waarom. Maar dit persoonlijke drama bracht een heel land heel even samen. Voetbalhooligans, vrouwen met hoofddoek, migrantenkinderen en witte ouderen stonden schouder aan schouder te huilen voor het huis van Nouri om zijn familie te steunen. Deze jongen, die bekend stond als goedlachse allemansvriend, wist een verdeeld land voor een moment te verbinden. Dat ontroerde. Niet alleen door het persoonlijke drama, maar ook omdat het liet zien dat er hunkering is naar verbroedering.

Nu we het toch over voetbal hebben: u beschrijft mooi de gevoelens van nationalisme als een in Europa opgegroeide voetballer niet kiest voor Turkije, maar voor het land waar hij opgroeide. In Nederland gaat het precies andersom. Als een in Nederland geboren voetballer ervoor kiest om uit te komen voor het land van zijn ouders is hij ‘ondankbaar’, een ‘verrader’ en ‘niet loyaal’. Dat is niet anders voor journalisten: ben je te kritisch op Turkije, dan krijg je Turkse nationalisten op je dak. Ben je in de ogen van racisten en xenofoben niet streng genoeg, dan word je weggezet als schoothondje van Erdogan. Maar, zoals ik in mijn eerdere brief al schreef, het voelt ongepast om hierover lang te klagen bij een Turkse collega.

Ik wil graag antwoord geven op de vraag hoe Nederlandse media zich opstellen als het over Turkije gaat. U heeft volkomen gelijk als u zegt dat er hier weinig tot geen alarmerende berichten waren toen Turkije zich ontwikkelde tot ‘Het Grote Kwaad’. Natuurlijk, er was kritiek als de Armeense genocide weer door iemand werd ontkend. Op kleine schaal was er aandacht voor de Koerden en hoe zij al jaren worden achtergesteld. Maar aan de andere kant werden Turkse organisaties die dit [voor de zekerheid: de betekenis van ‘dit’ is uit de context niet helemaal duidelijk. Wordt bedoeld: ‘dat er hier weinig tot geen alarmerende berichten waren toen Turkije zich ontwikkelde tot ‘Het Grote Kwaad’?] in stand hielden door de Nederlandse overheid gefaciliteerd, vaak uit onwetendheid. De huidige situatie heeft wel het voordeel dat er in het bewustwordingsproces over Turkije, ook al is het soms met dubieuze motieven, iets ten goede is veranderd.

U heeft mij overtuigd: gevoelens van schuld hebben in dit geval weinig zin. Het is misschien ook wel wat overmoedig. Want als er al een oplossing is voor de problemen die journalisten ondervinden in uw land, lag die niet hier in West-Europa. Wij journalisten hebben, hoewel beperkt, toch mogelijkheden. We kunnen de situatie onder de aandacht brengen, ons eigen land een spiegel voorhouden, het publiek informeren, zaken die toch al tot ons takenpakket behoren, zonder de zelfcensuur die ons beiden treurig stemt, zonder onze mentaliteit te laten beïnvloeden door discriminerende en racistische tendensen: daar moeten wij het mee doen.

Ik hoop u snel hier in Nederland te mogen begroeten.

Hartelijke groet,

Rasit Elibol


De brieven van Ali Duran Topuz zijn uit het Turks vertaald door Hanneke van der Heijden