Nooit meer stil

Je zou willen schrijven

Winterlandschap, Willem Witsen, ca. 1885 - ca. 1922- olieverf op doek, h 45cm × b 52cm © Willem Witsen/Rijksmuseum

ALS HET GAAT SNEEUWEN

gaat de aarde naar bed als een kind,
en zo gaat het echt.
‘t Kind kan niet slapen, wil niet.
En de moeder zegt: Jij niet misschien maar ik ben te moe –
In haar ogen glinstert kou, iedereen ziet
dat het tijd is voor sneeuw, slaap of geen slaap.
Het leven doodmoe, dekt de moeder het toe
met de stilte.

  • vrij naar Louise Glück, FIRST SNOW -

Nu je voor het eerst in weken het hele gezin tegelijk hebt bewogen naar buiten te gaan, jou een half uur alleen te laten en het huis leeg en stil, nu je hier zit met je papier en je potloden en een kop warme thee, omringd door een stilte die je haast was vergeten omdat het huis altijd is gevuld met geluid – de bas van je man die de vloer doet brommen, roffelende trappen, pubers met honger, giebelende meiden in online geklets en de schelle lach van je jongste die tegen zijn scherm kletst –

zou je willen schrijven

over hoe je niet begrijpt waarom je koos voor FIRST SNOW toen je van de meester een gedicht van Louise Glück moest vertalen, hoe het niet aan die titel gelegen kon hebben, want je vindt sneeuw weliswaar prachtig, je houdt van die verse, ongerepte, alsof-het-voor-het-eerst-sneeuwt sneeuw, je ziet graag hoe jouw wereld bedekt raakt met een witte laag, durft zelfs het cliché van de witte wollen deken te gebruiken die de lelijkste gebouwen van de stad knus maakt en de puntigste hekken zacht, maar je weet tegelijk hoe besmettelijk witte wollen dekens zijn, hoe snel sneeuw weer smelt onder zonnestralen, autobanden, en je hebt zo’n hekel aan de grauwe papperigheid die achterblijft, hoe het dus iets anders geweest moet zijn dat jou juist dat gedicht liet kiezen, want die sneeuw was het niet en ook niet de woorden, want je vond het bij eerste lezing maar een houterig geval, met die rare dialoog en die herhalingen overal, je wilde liever iets beters, iets om je smaak en je kennis mee te tonen, iets moelijkers ook, want in dit gedicht leek de taal zo gewoontjes dat aan vertalen geen eer te behalen viel, hoewel je ook even dacht dat het iets in jou was, iets dat zo tekortschiet dat het geen poëzie ziet in een moeder, een kind en hun avondgedonder, dat wel mooi een vijfhonderdste Nobelprijs heeft gewonnen,

hoe je verder zocht in Glücks gedichten, een aantal andere koos, ze wikte en woog, maar steeds opnieuw uitkwam bij die moeder en haar verlangen naar stilte, naar rust, hoe steeds harder die laatste regels dramden in je hoofd als het kleine kind dat niet slapen wil – Because the mother’s sick to death of her life/ and needs silence – hoe kortom dit gedicht zich aan je bleef opdringen, hoe er iets bleef trillen vanbinnen,

terwijl je de stilte om je heen hoort en je afvraagt of stilte wel te horen is, of stilte überhaupt bestaat, want je weet dat deze onverwachte afwezigheid van geluid alleen maar betekent dat jij het trillen van de lucht niet hoort, je weet dat het trillen gewoon doorgaat, gewoon hoorbaar blijft voor dolfijnen, of honden of goede detectoren, je weet dat slechts een lichtstraal hard genoeg duwen kan om atomen te laten trillen en vervolgens te ‘horen’ wat ze ‘zeggen’ willen, dat het punt is met geluid dat het alleen echt weg is in een volledig vacuüm en dat je daar niet zomaar kunt binnenstappen als je even rust zoekt, als alles om je heen in beweging lijkt te zijn,

terwijl je voelt dat jij het zelf bent die in beweging moet komen, dat als je dat niet doet, dit halve uurtje leegte in huis door je vingers geglipt zal zijn voordat je hebt kunnen schrijven

hoe je ondanks je bezwaren FIRST SNOW koos om te vertalen, misschien wel gewoon omdat je jezelf zag in de moeder die haar kind na een dag vol gejengel helemaal zat is, het in bed wil smijten en nog even op zoek naar zichzelf wil gaan voor er weer een dag voorbij is, niet omdat je daar nu middenin zit, maar juist omdat die tijd alweer ver achter je ligt en dat je daar blij om bent, maar wel terugverlangt naar de tijd net daarna, de tijd tussen toen en nu, de tijd dat kinderen al wel moeiteloos naar bed gingen en nog niet steeds vaker langer op de bank bleven hangen dan jij, nog niet steeds vaker hun vermoeidheid ruilden tegen de gezelligheid van samen en van groot genoeg zijn om daarbij te zijn,

hoe je begon, hoe je eerst simpel de woorden van de ene in de andere taal goot, en hoe dat niet werkte omdat je daarmee de poëzie verloor die je inmiddels in het gedicht had ontdekt, en hoe je verderging, hoeveel belang je hechtte aan je wens om het ritme intact te laten,

hoe dat je hersens kraakte, hoe je ontdekte dat Engels zo kort en veelzeggend kan zijn waar veel Nederlandse lettergrepen enkel lijken te dienen om stiltes op te vullen, hoe je zag dat de breedspraak van nodig hebben de noodzaak van need ontbeerde, hoe je ook leerde dat waar jouw taal wél kort was, herhalingen signalen werden, en ritme en rijm een puzzel, tot de talen ruzie begonnen te maken in je hoofd, zoals ze wel vaker doen en dat je dat ook niet helemaal begrijpt,

hoe het kan dat je zoveel houdt van het Nederlands en toch soms, toch best vaak, in het Engels denkt en dat je je daar een beetje voor schaamt, want je bent er heus goed in, zeker voor iemand die de taal niet studeerde of als kind van haar ouders leerde, maar juist omdat je er goed in bent, ken je je gebreken, weet je heel zeker dat je de taal verre van perfect beheerst, hoe je je daarom dus meestal geneert als je weer eens in stilte oreert in het Engels op een dijk vol stellen met dezelfde fiets en regenjas en met kauwende koeien ernaast in het gras,

hoe trouwens de beste dijk voor dat interne ge-Engels die langs de IJssel is en hoe het juist daar een lange wandeling was, die je hielp om het eind op te lossen van het gedicht dat je niet meer losliet en hoe raar het is dat dat je toch nog verbaasde, want je zou inmiddels moeten weten dat wandelen bijna altijd iets oplost (alleen niet altijd dat wat je wil), hoe de oplossing volgde na dagen van intern beraad op de dijk, intern gepraat over sneeuw, over stilte, waarbij je voeten de cadans van het gedicht overnamen tot het op een vreemde manier van jou werd, waardoor je zomaar van vertalen in schrijven belandde, het gaan slapen in naar bed gaan veranderde en een gezicht in ogen, en hoe je nog maar één ‘moe’ wist over te houden en durfde te spelen met wie er aan zet was, de moeder, het kind, de aarde, de sneeuw,

hoe dus niet de stilte, maar juist de beweging vaak je problemen oplost, of specifieker: beweging verpakt in de stilte van alleen, beweging die je meestal opzoekt door naar buiten te gaan, door te wandelen in dat park, naar die dijk, maar ook door te fietsen, het liefst heuvelaf en zo hard dat de wind in je oren alle geluiden verwaait,

hoe je dat vertelde toen je bij uitzondering wandelde met een vriendin en lang sprak over hoe jij en zij en zovelen ieder op hun eigen manier nu in het leven opgesloten zitten, hoe je haar vertelde dat lopen jou hielp om dagelijks lucht in het leven te laten, het huis even uit, op zoek naar geluid van wind in je oren en treinen over de brug en hoe ze toen vroeg of dat dan niet saai was, zo alleen, of je geen muziek of een podcast meenam, hoe je antwoordde dat jouw eigen hoofd al genoeg geluid gaf, maar niet vertelde dat dat geluid ontstaat als je in alle talen praat met de wind en de treinen,

hoe je niet durfde te zeggen dat je zelfs praat met mensen die er niet meer zijn (of nog wel maar dan zo onbereikbaar dat er weinig verschil is), hoe je niet durfde te vragen of zij dat ook deed, of zij ook sprak met wie haar was ontvallen, hoe je haar had willen vertellen dat je eindelijk je vader de vragen kon stellen die je voor je hield toen hij nog leefde, had willen vertellen hoe ontroerd je raakte van een gedicht van Jan Baeke die met zijn dode moeder belt en nog wat te weten komt ook (Het is goed geluid te vermijden, zegt ze./ Dingen die niet kunnen/ zouden geen geluid moeten maken), hoe je trouwens zelf soms in je telefooncontacten nog langs de p van papa scheert en heus wel weet dat zijn nummer allang aan een ander is vergeven, maar dat het je steeds maar niet lukt om het te wissen, alsof de doden zouden voelen dat je ze ontvolgt,

hoe je al dat soort vragen pas later bedenkt, als het gesprek met iemand al dagen voorbij is en jij nog herkauwt wat er werd gezegd, als je alles ineens veel beter begrijpt, betere antwoorden, betere vragen bedenkt dan je deed in het echt, en hoe het je dus ook later pas daagde wat de aarde kon zijn in dat gekke gedicht en wat sneeuw en wat Glück er misschien mee bedoeld kon hebben, en hoe dat dagen vooral kwam door haar andere gedichten, vertaald door andere mensen, en door wat zij zeiden over bloembollen, sneeuwklokjes en de staat van de wereld, hoe je daardoor dacht dat je de richting van de metafoor niet had begrepen, dat jouw gedicht niet ging over een moeder en hoe moe zij was, maar over de aarde en hoe we háár soms met rust moeten laten en hoe sneeuw dan kan zorgen voor een pas op de plaats, maar hoe je ook meende dat dat er niet staat, want de aarde is het kind met zin in de avond en de moeder degene die de stilte zo wil,

hoe je er dus niet uitkomt wat het gedicht betekent terwijl je jouw hertaling helemaal af vindt, en dat alles maakt je onzeker of je wel zou moeten schrijven, nu het eindelijk stil is in huis, of je wel zou mogen schrijven, of je iets hebt toe te voegen als alles over sneeuw en over Glück al is gezegd en meer nog over stilte, als er tijdschriften, centra en ruimtes in ziekenhuizen aan stilte zijn gewijd en jij alleen maar voelt dat het je bevrijdt, maar dat er altijd te weinig van is, dat je veel meer dan een half uur stilte nodig hebt om de juiste woorden te vinden voor je verhaal.