Jean amery

Hij schreef erover, maar zonder het te willen begrijpen of verklaren. Hij wilde aan Auschwitz geen betekenis geven. Maar Jeroen Brouwers heeft blijkens de levensschets die hij onlangs van Jean Amery publiceerde geen boodschap aan die terughoudendheid.
VOORDAT HIJ DE hand aan zichzelf sloeg, was Jean Amery in zekere zin al meermalen gestorven. In zijn boek Uber das Altern: Revolte und Resignation staat een stuk met de titel ‘Mit dem Sterben leben’. Inderdaad stond Amery’s leven in het teken van het sterven en de dood. In Auschwitz was de dood zijn kamergenoot. De dood was alomtegenwoordig, hij was, zoals Amery schreef, de laatste plicht van de kampgevangene. Zijn ervaringen met folter, doodsrituelen naar eigen zeggen, deden hem zijn eigen dood beleven.

Als het verlies van je identiteit, en daarmee van je waardigheid, ook als een soort van sterven wordt gezien, is Amery ook gestorven toen hem de Duitse identiteit werd ontzegd en hij in ballingschap ging. Wie zijn identiteit en waardigheid kwijtraakt, stelde Primo Levi in zijn essay over Jean Amery, ‘sterft in de geest; hij is weerloos, en daarom ook blootgesteld aan de lichamelijke dood’.
Jean Amery werd als Hans Mayer in 1912 in Wenen geboren. Zijn vader was een Tiroolse Kaiserjager die in de Eerste Wereldoorlog op het slagveld viel. Zijn moeder dreef nadien in de provincie, in Bad-Ischl, een restaurant en pension. Hoewel hij als knaap met Kerstmis door een besneeuwd dorp naar de nachtmis stapte, de Lederhose zijn jeugddracht was, zijn moeder Jezus, Maria en Jozef aanriep als er een klein huiselijk ongeluk plaatsvond en zijn vader geenszins een baardige joodse wijze was, bleek hij joods. In zijn verhandeling 'Uber Zwang und Unmoglichkeit Jude zu sein’ vertelt Amery dat hij zich nooit jood had gevoeld: hij kent geen Hebreeuws, weet niets van de Hebreeuwse cultuur. Hij is niet in de joodse traditie opgevoed, gelooft niet in de God Israels en ziet zichzelf niet in een synagoge. Toen de Neurenberger rassenwetten werden uitgevaardigd, wist hij echter maar al te goed dat ze ook op hem betrekking hadden en dat elke jood in Duitse handen 'een lijk op vakantie, eentje die dood moet’ is. Hij werd jood tegen wil en dank en zou, zoals Primo Levi het formuleerde, zijn lot - in dit geval het jodendom - aanvaarden en zich tegelijkertijd tegen die opgelegde keus verzetten.
TOEN JEAN AMERY een jaar of twintig was, ging hij in Wenen filosofie en literatuur studeren. Daar kwam hij in aanraking met het denken van Wittgenstein en het neopositivisme van de Wiener Kreis. Literaire tijdgenoten waren Hermann Broch en Elias Canetti. Sterker dan tot de Oostenrijkse cultuur voelde Amery zich echter aangetrokken tot het Duitse dichten en denken. Maar datzelfde volk van Dichter und Denker lijfde in 1938 Oostenrijk in en Jean Amery sloeg op de vlucht. In zijn aangrijpende essay 'Wieviel Heimat braucht der Mensch?’ beschrijft Amery de tocht door de Eifel en over de smokkelpaden naar Belgie. Zonder paspoort en geld - bij elkaar hadden hij en zijn vrouw vijftien mark en vijftig pfennig - kwam hij in Antwerpen aan. Zijn naam, Mayer, werd, toen hij zich liet inschrijven in het register voor ongewenste buitenlanders, door de Vlaamse ambtenaren zo vreemd uitgesproken dat hij er voorgoed afscheid van nam. Zijn identiteit was verbonden met een Duitse naam en het dialect van zijn geboortestreek. Omdat zijn verleden ineens weg was, gebruikte hij voortaan een Frans klinkend anagram van Mayer: Amery.
Behalve zijn naam raakte Amery zijn geboortegrond, zijn moedertaal en verleden kwijt. Hij realiseerde zich dat hij alleen nog namens zichzelf kon spreken, en zelfs dat niet: 'Ik was een mens die niet meer “wij” kon zeggen en daarom alleen nog maar uit gewoonte en niet vanuit het gevoel van het volle bezit “ik” zei. (…) “Bij ons”, dat klonk voor mijn gesprekspartners als de gewoonste zaak van de wereld. Maar ik bloosde want ik wist dat het aanmatigend was. Ik was geen “ik” meer en leefde niet meer in een “wij”.’
Amery kan ook in zijn werk alleen maar 'ik’ zeggen: het is het enige bruikbare vertrekpunt. In de essays in zijn belangrijkste, helaas nooit in het Nederlands vertaalde, bundel Jenseits von Schuld und Suhne: Bewaltigungsversuche eines Uberwaltigten uit 1966 denkt hij na over de 'conditio inhumana’ van de slachtoffers van het Derde Rijk, is hij, twintig jaar na dato, 'op zoek naar de onverliesbare tijd’. Er is een 'ik’ in aan het woord dat even twijfelend als scherpzinnig heenfladdert om dat wat niet te begrijpen is. Begrijpen en verklaren wil Amery ook niet: hij wil 'de innerlijke toestand van degene die slachtoffer is en weigert het slachtofferschap een religieuze of politieke betekenis te geven’ verhelderen.
Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Belgie binnen en werd Amery als 'verdachte buitenlander’ in het concentratiekamp Gurs in de Franse Pyreneeen ondergebracht. 'De Fransen lieten ons vriendelijk in ons eigen vuil verrekken, zonder ons verder lastig te vallen’, zou hij er later over zeggen. Hij ontsnapte, ging terug naar Belgie en sloot zich bij een verzetsgroep aan die antinazistische pamfletten verspreidde onder de belegeraars - natuurlijk richtten zij hun 'schamele woord aan dovemansoren’. Amery werd opgepakt en in het doorgangskamp Breendonk, tussen Brussel en Antwerpen, vastgehouden. Daar leerde hij de tortuur kennen: hij werd gemarteld opdat hij de Gestapo inlichtingen verschafte. Hij had, gaf hij later toe, de namen, adressen, ontmoetingsplaatsen zonder meer gegeven als hij ze had geweten. Hij beschikte niet over de fysieke moed om zich tegen de folter te weer te stellen.
Van Breendonk maakte hij de gang langs verschillende concentratiekampen, waaronder Auschwitz, waar hij enige tijd in dezelfde barak als Primo Levi zat. De marteling en opsluiting in het concentratiekamp zouden de centrale ervaringen in zijn leven zijn, ze vormden ook de spil van zijn werk. In Jenseits von Schuld und Suhne verklaart hij in 'Die Tortur’ dat wie gefolterd is, gefolterd blijft: 'Het is voorbij. Het is nog steeds niet voorbij. Ik bungel nog steeds, tweeentwintig jaar nadien, aan ontwrichte armen over de vloer, hijg en beschuldig mezelf. Hier bestaat geen “verdringen”.’
Vergeten of verdringen - Amery kan het niet. Al zal het tot 1964 duren, het jaar van het grote Auschwitzproces in Frankfurt, voor hij over zijn oorlogservaringen kan schrijven.
NA DE OORLOG kwam Amery weer in Brussel terug en werd hij journalist en publicist. Hij probeerde tevergeefs om on het Frans te schrijven, maar was, om met Paul Celan te spreken, 'geketend aan de taal van zijn vervolgers’. Wel weigerde hij om voor een Duits lezerspubliek te schrijven; hij leverde zijn stukken uitsluitend aan Zwitserse kranten. Pas in de jaren zestig publiceerde hij ook in Duitsland. In zijn journalistieke beschouwingen en politieke analyses boog hij zich over alle mogelijk onderwerpen. In het dozijn boeken dat hij schreef, cirkelde hij vooral om de dood, het verval en de mislukking. Of het nu om Uber das Altern gaat, om Charles Bovary, Landartzt of om Hand an sich legen, de dood is de constante.
In 1976 verscheen Hand an sich legen, een uitgebreide verhandeling over zelfmoord, waarin Amery onder meer stelde: 'Mein Tod soll meine Sache sein.’ Overigens wil hij het niet over zelfmoord hebben, maar over 'Freitod’, de gekozen dood. Op 16 oktober 1978 voegde hij de daad bij het woord en koos hij voor zijn eigen dood.
Het is de verdienste van Jeroen Brouwers dat Jean Amery wederom in de belangstelling staat. Hij publiceerde onlangs bij Atlas Oefeningen in nergens bij horen, een levensschets van Amery. Dezelfde uitgeverij bracht tegelijk opnieuw de vertaling van Hand an sich legen uit. Natuurlijk beziet de suicidoloog Brouwers het hele leven van Amery vanuit diens 'onvermijdelijke einde’. Dat Brouwers op de geschiedenis van Amery een grote toef pathetische slagroom heeft gekwakt, is tot daar aan toe. Veel storender is dat hij zonodig de zelfmoord van Amery wil verklaren en dat doet op de platst mogelijke manier. Iemand die in een concentratiekamp heeft gezeten, maakt een einde aan zijn leven, 'het zwijgen opleggend aan zijn verdriet om de jodenvernietiging’. En: 'Amery heeft nog meegemaakt dat door jongere generaties de verschrikkingen van de “Endlosung der Judenfrage” brutaal werden ontkend, - grotere schoffering zal hij niet meer hebben willen verdragen.’ Een alinea verder laat Brouwers subtiel weten dat Amery zelfmoord pleegde in een tijd dat zich een zelfmoordgolf voordeed - 'de zelfdoders vielen als korenhalmen onder een wolkbreuk’ - en dat in het jaar dat Amery 'voorgoed afscheid nam’ in Jonestown, Guyana, de zelfmoord van meer dan negenhonderdduizend godsdienstig veblinden plaatsvond.
De gemakzuchtige speculaties van Brouwers zijn vooral stuitend omdat Amery in zijn eigen werk nooit heeft willen begrijpen en verklaren - omdat in zijn optiek elk begrip en elke verklaring vooral de beulen ten goede komt. Zeker, je zou kunnen zeggen dat iemand die in Auschwitz heeft ervaren hoe de dood zijn individuele en specifieke karakter verloor - tussen 'Tod in Auschwitz’ en 'Tod in Venedig’ is geen brug te slaan, schreef Amery -, de gekozen dood als een kans op waardig sterven ziet. Waar het de suicidant om gaat, aldus Amery, 'is de totale en onverwisselbare uniciteit van situatie’. Maar 'een reden voor zijn toekomstige zelfmoord’ zou ik dat niet willen noemen.