IM Jean Paul Franssens

Jean Paul Franssens (1938-2003)

Op een sereen moment voorafgaand aan het lawaaierige benevelende herdersuurtje als het nog stil is in de kroeg, roept Jean Paul Franssens me bij zich met dat uitnodigende vertellersgebaar. Jean Paul begint sotto voce, alsof hij me wil inwijden in het diepste geheim: Koning Wurm «had een druk rijk». Hij vertelt me over een afschuwelijke droom van de koning: hij droomde dat hij een moeilijke letter was, die een heel klein meisje telkens weer op haar lei probeerde te schrijven. Het wilde haar maar niet lukken, nu eens waren de benen te uitgerekt, dan weer te wijd uit elkaar. Na lang zwoegen kreeg ze het dan toch voor elkaar om de letter goed te schrijven, ze kreeg van de meester een pluim. Even later kwam er een grote spons op hem af en maakte hem verschrikt wakker. Er verschijnt een venijnig lachje op het gezicht van Jean Paul. De koning had elke nacht van die nachtmerries, waarin hij op het punt stond te worden uitgewist. Daarom begon hij maatregelen te nemen om het dromen in zijn rijk tegen te gaan. Op sprookjes vertellen zette hij de doodstraf, kunstenaars mochten hun kunsten niet meer vertonen, wonderbaarlijke bomen liet hij kappen. Goochelaars werden verboden en de kerken gesloten. Dit alles leidde tot de opstand der dromers, naderhand in de geschiedenisboeken bekend geworden als De Grote Slaapwandeling.

Naarmate het verhaal bloediger wordt, gaat Jean Paul meer schuddebuiken. De koning wordt onthoofd door de opstandelingen. Een chirurg die vlak bij het schavot woonde, werd wakker van een klokkend geluid. Het ging bedachtzaam als wanneer iemand van de oudste wijn uit zijn kelder schenkt. Het was het bloed van koning Wurm. In een sprong was de chirurg bij hem en met het hoofd van de onthoofde rende hij naar zijn atelier, waar hij sinds jaar en dag paspoppen had vervaardigd. Hij bevestigde het hoofd op een sigarenkistje, dat een kunstmatige bloedsomloop bevatte. In de bloedsomloop was weer een pompje dat door een wiel in beweging werd gebracht. Nu was het hoofd pas een staatshoofd, kunstmatig in leven gehouden door een knutselwerkje, dat steen des aanstoots werd in heftige debatten van de volksvergadering. Het sigarenkistje is te ouderwets.

De chirurg weet raad. Hij vindt een lichaam dat uitstekend bij het hoofd past: het zag eruit als een grote ingewikkelde schrijfmachine. De chirurg paste de koning het toestel aan en sloeg een paar toetsen aan. Wurm lachte: «Ik heb weer een lichaam!» De beste pianisten uit het land werden opgetrommeld om Wurm te bespelen. Zo leerde hij weer de emoties van het dagelijks leven. Maar de geringste misslag van een wat minder begenadigde pianospeler bezorgde hem hevige pijn. Er kwam een moment dat die pijn niet meer te houden was, toen de hofkat op de toetsen gesprongen was. Onder hevige pijnen wist Wurm met zijn mond de staart te grijpen en de kat te bijten. Het bloedige gevecht eindigde ermee dat de prinsesjes hem de volgende dag op het karpet vonden met een lek in de bloedsomloop en een grote plas van koninklijken bloede.

Jean Paul Franssens heeft me dit verhaal verteld op een verloren middag. Ik zag het kleine meisje aan de lei voor me. Jean Paul vertoonde het puntje van de tong, strak van de inspanning om de letter op het bord te krijgen. Dan was hij weer het pratende hoofd, van pijn vertrokken wanneer het krijtje op het bord een snerpend geluid voortbracht en dat roetsende armgebaar waarmee de kat de toetsen besprong, nam op een haar na het glas bier op de toog mee.

Wat schetst mijn verbazing, een paar jaar later, als ik bezig ben met een uitgave van Belcampo. Het eerste verhaal dat ik selecteer, herken ik onmiddellijk. Het is het verhaal dat Jean Paul me verteld heeft, letterlijk. Hij kende het verhaal van Belcampo helemaal uit zijn hoofd. Zoals hij honderden gedichten uit zijn hoofd kende, van Elsschot tot Achterberg, en grote delen van libretti van de beroemdste opera’s.

Toen de uitgave van Belcampo gereed was, vroeg ik of hij diens werk met mij aan de man wilde brengen in het land. Genereus als hij was reisden wij van noord naar zuid en terug naar Amsterdam. ’s Avonds interviewde ik hem over het leven en werk van zijn grote vriend. Die vraaggesprekken liepen zo gesmeerd dat ik hem op het laatst aan het begin van de avond alleen nog maar hoefde te vragen: «Jean Paul, wat herinner je je van Belcampo?» Waarna hij een paar uur lang de prachtigste anekdotes over die wonderlijke man wist op te dissen, tot groot genoegen van het publiek dat allang vergeten was wat ik naast Jean Paul zat te doen. Het merkwaardige was dat ik dat allengs zelf ook vergat. Ik hoorde weliswaar al die avonden dezelfde anekdotes, maar telkens weer in een andere intonatie, met een andere grappige mimiek gebracht, zodat het leek alsof ze weer spiksplinternieuw waren.

Jean Paul bleef goedmoedig, ook als we door ongemakken werden bestookt. Zo hebben we een regenachtig uur doorgebracht op het station in Amersfoort: er was weer eens een stroomstoring. Het gemor van de reizigers was algemeen, het ging tot in de coupé door. Maar toen nam Jean Paul het woord en vertelde me het verhaal van De wisselwachter, dat door Jos Stelling is verfilmd. Hij vertelde het zo spannend dat de drukke coupé muisstil werd, iedereen hing aan zijn lippen. Het applaus klaterde op toen hij uitverteld was, en de trein begon weer te rijden.

Zo zal ik me Jean Paul altijd blijven herinneren, als een genereus verteller met een groot hart. We hebben zijn boeken nog. Een gouden kind en Een goede vader. Prachtige vertelboeken. Als ik ze lees, hoor ik weer de stem van de bladzijden opklinken en zie ik de woorden naar me knipogen. Hoe waar is het niet wat hij schreef in zijn laatste boek vol herinneringen De wereld wil bedrogen worden, verschenen in de befaamde Pri védomein-reeks: een sterveling van wie je houdt heeft nooit de juiste leeftijd om te sterven.