Jean-paul franssens schrijver/schilder

‘JE HEBT ALTIJD mensen die je in een hokje willen duwen. Uit de hoek van de schilders hoor je vaak: die man is helemaal geen schilder, dat is een schrijver. Terwijl de schrijvers juist roepen: die man is eigenlijk een schilder. Omdat ze die tweegezindheid niet willen. Heel merkwaardig, want in de zeventiende, achttiende eeuw was het heel normaal dat een kunstenaar verschillende disciplines hanteerde. Ik denk wel eens: stel je voor dat ik alleen maar had geschilderd, hoe hadden die schilderijen er dan uitgezien? Was ik dan meer geëngageerd geweest? Mijn engagement ligt toch meer bij het schrijven. Schilderen doe ik gemakkelijker, slordiger ook. Ik doe het graag, heb er ook wel talent voor, maar als ik zou moeten kiezen, zou ik voor schrijven kiezen. Wat beelden betreft kan ik met schrijven ook een heel eind uit de voeten. Dat visuele zit er duidelijk in. Niet voor niets is Jos Stelling nu weer bezig met de verfilming van mijn voorlaatste boek, Broederweelde.’

‘IK ONTDEKTE als kind al heel snel dat ik talent had voor schrijven. Ik had ook meteen een schoolkrantje waar ik verhaaltjes en gedichtjes in schreef. Wat schrijven echt betekende wist je toen nog niet, maar je las je wel suf. Ik ging met twee vriendjes naar het Nut en we haalden ieder twee boeken. Die ruilden we dan weer om, dus elke week las je zes boeken. Jongensboeken toen nog. Tot op een gegeven moment - ik zal een jaar of zestien zijn geweest - Eddy Krol kwam aanzetten met een boek van een Amerikaanse schrijver van griezelverhalen. Die schrijver heette Poe en hij liet me zien dat je met teksten nog heel iets anders kon doen dan alleen een verhaaltje schrijven. Dat was voor mij de ontdekking van de literatuur. Vanaf dat moment was ik niet meer te stuiten. Ik las alles wat los en vast zat. En ik begon zelf te schrijven, proza, maar ook gedichten.’
'NU HAD IK een broer die schilderde en op de kunstacademie zat. Toen hij naar Suriname ging voor zijn nummer, liet hij z'n schilderspulletjes achter, en ik dacht: nu ga ik ook maar eens aan het verven. En verdomd, zo ben ik gaan schilderen. En blijven schilderen, mijn leven lang. Steeds professioneler. Tot ik als regie-assistent bij de opera terechtkwam. Voor schilderen en schrijven was toen weinig tijd. Dat is ook de reden dat ik als schrijver zo laat debuteerde.
Die opera was een merkwaardige uitstap, maar ja, hoe word je schrijver? De meeste schrijvers hebben een baan - vroeger waren het allemaal dominees. Ik had wel talent voor dat regisseren en vaak ontwierp ik ook de decors en kostuums, maar ik ben veel te mono om in zo'n ensemble te kunnen opereren. Ik moet hier alléén zitten, schrijven en schilderen. Het gevaar van meer dan één talent is dat je versnipperd raakt. Op een gegeven moment moet je kiezen. Na negen jaar opera heb ik gezegd: JP, wat ga jij doen? Blijf je regie-assistent of ga je schrijven en schilderen? Toen heb ik definitief gekozen voor wat ik nu doe.’
'IK HEB ALS schrijver een bepaalde zekerheid, maar ik ben toch steeds de prooi van mijn onzekerheid. Ik denk ook dat je almaar dóórgaat om jezelf telkens weer te bevestigen. Je moet steeds tot het uiterste gaan. Daarom is schrijven vaak ook zo'n neerslachtige bezigheid. Terwijl schilderen… In twee, drie dagen kun je al duidelijk zien waar het schilderij heen gaat. En als het niet lukt, ga ik er met de kwast overheen en dan zien we morgen wel weer. Schilderen maakt me ook veel gelukkiger. Mensen die me goed kennen merken ogenblikkelijk of ik aan het schilderen ben of aan het schrijven.
Schrijven is complexer. Er zijn zo veel elementen in zo'n boek. En ik ben erg afhankelijk van allerlei voortekenen - ik moet heel voorzichtig te werk gaan. Ik denk altijd dat een goed boek, een goed gedicht, er altijd is geweest. Jij moet er alleen achter zien te komen waar het zit. Je begint met zo'n boek en dan kan het gebeuren dat hoofdstuk 3 opeens hoofdstuk 1 blijkt te zijn. Dan ontdek je plotseling: hé, dat boek gaat hierover. Zo'n boek heeft een eigen wil en alles wat jij oproept, daar moet je aan gehoorzamen. Dat is het moeilijkste van het schrijven. En naarmate zo'n boek vordert, wordt de druk groter. Dat boek wil gewoon ergens heen, en jij gaat soms een heel verkeerde kant op. Het is een gevecht. Tot je hem op een gegeven moment bij de kloten hebt en dan ontsnapt-ie je niet meer. Pas dan mag ik ook de titel noemen en zeggen waar het over gaat.
Je moet er voortdurend mee bezig zijn, want wie wacht vindt nooit wat. Het vraagt optimale concentratie. Die kun je heel snel oproepen, ik hoef maar even hier te zitten, en klik, daar gaat-ie. Waar ik last mee heb is dat ik heel euforisch ben. In die euforie komen de beste dingen te voorschijn. Maar die euforie houd je niet altijd vol, dus als je fragmentarisch werkt moet je steeds opnieuw die euforie opbrengen. Dat vind ik heel vervelend. Boem, en daar zit je. Dan zeg ik: kom op, door! Want je móet het doen. Al ga je maar corrigeren, of alles een keer overtypen.
Je hebt schrijvers, iemand als Brakman bijvoorbeeld, die kakken er elk jaar drie boeken uit. Maar die zijn ook onleesbaar, daar heb je niks aan. Goed schrijven kost heel veel tijd. Toch moet het eruitzien alsof het achter mekaar door is geschreven. Takketakketakketakketak, zo moet het lezen. Dat vraagt volhouden. En omdat het soms zo lastig is, heb je voortdurend de neiging om er bij weg te lopen. Zoals je bij een knetterende ruzie met iemand maar één wil hebt: weg hier! Laat me met rust! Bij het schrijven móet je blijven zitten, pas dan kom je erachter. Ik moet overdag ook niet op straat komen, want de verleiding van een stad als Amsterdam is gigantisch. Maar als ik eenmaal goed bezig ben, denk ik alleen maar aan het boek. Ik sta ermee op en ga ermee naar bed.
Kijk, die tekeningen voor Duizend en één nacht waar ik nu aan bezig ben, dat zijn illustraties bij literatuur, dus daar ga ik niet vreemd mee. Maar als ik stiekem tussendoor een schilderij zou maken, ga ik echt vreemd. Het lukt ook niet. Mijn atelier is nu gewoon een soort fietsenstalling.’
'DE BASIS van al mijn werk is autobiografisch, vermengd met een heleboel fictie. Je haalt een aantal waarheden door elkaar. Zelfs zo'n Wisselwachter, in wezen ben ik dat.
Ook in twintig jaar schilderen kun je duidelijk zien in welke periode een schilderij gemaakt is. Dat was mijn persoon. Zo was ik toen.
Mijn teksten zijn veel directer en kordater dan mijn schilderijen. Die zijn dromeriger, sprookjesachtig. Het komt en het gloeit, wat is er mooier dan zo'n zwaantje, zo'n zonnetje, zo'n kasteel? Maar dat is maar een heel klein deel van wat je in de aanbieding hebt. De taferelen die ik schilder zou ik niet snel beschrijven, dat wordt absoluut lullig. Die twee dingen combineer ik behoorlijk goed, ik denk niet dat ik gauw gek word of in therapie moet. En ik heb mijn ontspanning ook nog. Ik kan altijd even naar het café gaan.’
'ZO'N TWEE maal per jaar duik ik in dat schilderen. Dat plan ik heel precies. Volgend voorjaar komt die film uit, in diezelfde periode krijg ik een expositie en verschijnt mijn nieuwe boek. Terwijl ik aan het schrijven was werd het me steeds duidelijker dat dat boek over de dood gaat, hoewel ik dat helemaal niet van plan was. Elke schrijver schrijft natuurlijk over de dood, maar ik ben er nooit zo expliciet mee bezig geweest. De dood is zo abstract. Als iemand daar zo dood ligt, doet me dat niet zo veel. Maar dat je iemand dan niet meer terugziet, dat vind ik zo vreselijk. Dat is voor mij de dood. Ook iemand die nog leeft kan voor mij dood zijn. Omdat ik hem of haar nooit meer zie. Soms beklemt me de hunkering naar iemand zo vreselijk, daar kan ik geen kant mee op.
Het is geen somber boek, hoor, er staan ook koddige stukken in. Daardoor wordt het drama een beetje gerelativeerd.’
'IK DENK DAT ik een beter schrijver dan schilder ben. Ik heb als schrijver ook meer erkenning en ik heb meer vrienden onder schrijvers. Schilders interesseren me niet zo erg. Ik begrijp ze goed, maar ze zijn zo visueel. Hoe belangrijk schilderen ook voor me is, er is in mijn leven geen grotere voldoening dan een boek dat af is.’