OPHEFFER

Jean-Paul S.

Mijn stelling is dat het existentialisme van Sartre in de jaren zestig en zeventig, en dus ook tachtig, veel meer invloed heeft gehad dan momenteel wordt aangenomen.
Het weinige dat we op de middelbare school aan filosofisch onderricht kregen, ging over dat existentialisme. Dat deden de leraren Frans (en soms ook Nederlands) met een gedrevenheid die ik later alleen heb aangetroffen bij bekeerden. We lazen dus ook Sartre. Vrijwel alles wat vertaald was. Walging stond op ieders boekenlijst, tamelijk makkelijk te lezen ook. En het toneelstuk Een respectabele h…, opgevoerd in de aula van de school gold als een gebeurtenis, ook al werd het woord ‘hoer’ niet voluit geschreven. (Sommige ouders waren enorm kwaad, andere kwamen juist kijken. Ook allemaal in de ban van Sartre.)
Sartre was links.
Mijn vader had zich inderdaad op Het Zijn en het Niets gestort en ik hoorde hem af en toe ‘Onzin!’ roepen of: ‘Dat is wel een mooie zin.’ Na al die jaren vind ik dat mijn vader daarmee het werk van Sartre goed heeft getypeerd: onzin en af en toe een mooie zin.
Maar daar ging het ons niet om – en mijn docenten ook niet.
‘De mens is gedoemd om vrij te zijn’ – daar ging het ons om. En natuurlijk ook om: ‘De hel, dat zijn de anderen.’ De hel, ja – vul maar in: de kapitalisten, de fascisten, de neo-burgerlijken, met huisje, boompje, beestje die zich niets aantrokken van de armoede in de wereld en oorlog wilden, zoals in Vietnam.
‘De mens is een sociaal wezen, jongelui, ook hier in de klas’, zei de leraar en hij vertelde over Sartre en zijn eigen vriendin met wie hij… niet getrouwd was. ‘Maar we gaan wel met elkaar naar bed…’ vertelde hij.
Het was alsof we deelgenoot werden gemaakt van een belangrijk vernieuwend geheim. Leraar bedoelde natuurlijk dat hij Sartre was en zijn vriendin Simone de Beauvoir.
Wij hadden op school ‘een existentialistencafé’, waar we luisterden naar Juliette Greco. Op de muur hadden we geschreven: ‘De mens is wat hij van zichzelf maakt – Jean-Paul S.’ De rest van zijn naam kon er niet meer op.
Het was Sartre zelf, vertelde een leraar, die in zijn boek Kritiek op de dialectische rede een synthese had bewerkstelligd tussen het existentialisme en het marxisme.
Er ging een siddering door de klas met eindexamenkandidaten.
Alleen… onderling boterde het niet tussen ons. We hadden een homoseksuele jongen in de klas en de rector had gevraagd: ‘Hoe ver wil je daarin gaan, Henk?’ Een deel van de klas vond deze vraag terecht, een ander deel niet, want ‘homo’s zijn ook sociale wezens’.
‘Dat kan wel wezen, maar ik ga echt niet met Henk onder de douche staan na gymnastiek’, zei Tony W.
Zestien, zeventien waren we.
Als ik met Henk onder de douche stond – want ik was tegen de rector en Tony W. was een schoft – was ik altijd in dertien seconden weer helemaal gewassen en fris. Tja, er was nog wat verschil tussen theorie en praktijk.
Op zaterdag werkte ik bij bij de Drankhandel.
Als ik ’s avonds thuiskwam en zeven gulden vijftig had verdiend, zei mijn vader dat ik in een marxistische samenleving daarvan vijftig cent mocht houden. De rest was voor de staat.
‘Dat vind ik niet erg’, zei ik.
En ik pakte de krant en las dat Sartre op bezoek ging bij Baader van de RAF. Op school had ik al gehoord dat geweld in sommige gevallen moet kunnen, bijvoorbeeld als je de kapitalistische maatschappij omver wilde schoppen.