Zomerkroniek van Kunst & Cultuur: Toneel

Jeanne en De stad der blinden in het Over het IJ-festival

Doordat het dichte woud van containers en horeca bij de aanmeerkade van de veerboot op de Amsterdamse NDSM-werf dit jaar ontbreekt, loop je als het ware in één rechte lijn naar de enorme ‘las-hal’ waar Stad der blinden wordt gespeeld.

Medium over het ij

Voor de kleine Toneelschuurproductie Jeanne kun je beter direct bij het EYE-filmmuseum afslaan. De locatie voor die voorstelling, het A-Lab, ligt daar meteen naast.

Het oude Shell-laboratorium in Amsterdam-Noord wordt (of is eigenlijk al) een broedplaats voor jonge kunstenaars. Joost van Hezik (1982) is een van hen. In 2010 in Amsterdam afgestudeerd aan de regieopleiding. Twee jaar geleden maakte hij (onder de hoede van de Haarlemse Toneelschuur) voor Oerol en het Over het IJ-festival een voorstelling over de tegenstrijdige emoties en gedachten in de opstandige mens (Dantons dood). Nu is het ogenschijnlijk zinloze maar desalniettemin onvoorwaardelijke neen van de eenling die in opstand komt zijn onderwerp in het stuk Jeanne, dat, op een tekst van Gerardjan Rijnders, tijdens Oerol de première beleefde, en nu in de intieme en functioneel benauwde binnenplaats van het A-Lab wordt gespeeld.

Voor repressieve gezagsdragers en hun onderknuppels zijn de opstandelingen met een persoonlijke motivatie de lastigste om te bewerken en te temmen. Jean Anouilh laat zijn Antigone (uit 1944) op de vraag van Kreon, voor wie, ten dienste van wie zij zich tegen zijn maatregelen verzet, antwoorden: ‘Voor niemand … voor mezelf.’ Van zo’n antwoord worden de Kreons in dit leven stapelgek, omdat ze er geen greep op kunnen krijgen. ‘Er moet iets gebeuren’ is ook zo’n tot razernij drijvend antwoord, of ‘Iemand moet het doen’, of ‘Wat er met mij gebeurt kan me niks meer schelen.’ Zie de recente bioscoopdocumentaire Citizen4 over Snowdon. Het onderwerp is tijdloos en eindeloos acuut en urgent.

In Jeanne werkt alleen al de fysieke aanwezigheid van de titelfiguur op de zenuwen van haar twee bewakers. Ze heeft haar motto – ‘vrij als een vogel’ – op haar blote lijf geschreven. Ze veroorzaakt, aanvankelijk zwijgend, later in een rustige, afgemeten dan wel heftige serie argumentatieflarden, ontzetting en tweestrijd bij de mannen, met wie ze op haar executie wacht en die haar folteren en bevragen.

Het spel van aantrekken en afstoten, de verwarring van haar onschuld en de trefzekerheid van haar koelbloedige nee, is sterk en economisch opgeschreven, wordt zonder opsmuk maar wel op de scherpe kant van het scheermes gespeeld (door Justus van Dillen, Janneke Remmers en Bram van der Kelen), en is door Joost van Hezik, Nina Spijkers, Marloes van der Hoek en Wikke van Houwelingen in een overwogen vorm gegoten. De apotheose van de voorstelling heeft overigens de kracht van een ware mokerslag.

Dat ligt een beetje anders bij Stad der blinden, de door Thibaud Delpeut en zijn spelers van Theater Utrecht tot een toneelhappening omgewerkte gelijknamige roman van José Saramago. In een stad worden mensen opeens blind, als door een epidemische aanraking van een duistere kracht. De inwoners van de stad raken volledig uit de touwen, eerst fysiek, daarna ook moreel. We krijgen het relaas van deze lugubere morele desintegratie te zien in een spelonkachtige ruimte achter een gaasdoek. Eén van de aldaar opgesloten mensen (de echtgenote van een blind geworden oogarts), heeft haar gezichtsvermogen behouden. Alleen haar man weet dat. Wij krijgen haar bevindingen te zien (achter het gaasdoek, sterk en overtuigend gespeeld door Wendell Jaspers) én als verhalend commentaar krijgen we het te horen, door een soort een-persoons-koor, Karina Smulders, die ons van alles vertelt, gezeten in een stoel vóór het gaasdoek, met zo’n oogcamera voor haar neus, die we kennen uit de film Blade Runner.

Ik schrijf dit op onder het voorbehoud dat ik hoop dat ik het allemaal goed heb begrepen. Want als voorstelling is Stad der blinden nogal dichtgetimmerd. Wat mensen elkaar kunnen aandoen als ze ofwel onder grote druk staan, ofwel in een shock verkeren, ofwel in paniek zijn geraakt, dan wel een combinatie van deze drie factoren, daar weten we het nodige van, onder meer door de sociaal-psychologie, door de antropologie, en door de geschiedenis. Mensen worden niet op hun voordeligst onder grote druk. Het tonen van die toestand is een van de kenmerkende kwaliteiten van toneel. Maar juist in het toneel is het zo lekker dat er een beetje lucht bij kan komen, wat ademtocht, een vleugje humor ook.

Ik ken de stemming niet waarin Thibaud Delpeut verkeerde toen hij Stad der blinden maakte, maar lucht, adem en humor kwam deze kundige en intelligente toneelmaker in ieder geval ruimschoots te kort. Ik kreeg het er op de eerste rij Spaans benauwd van, het was me allemaal té ernstig, té dreunend, té log, té uitleggerig ook en vooral lood- en loodzwaar.

Bovendien hebben hij en zijn artistieke staf er een geluidsdecor bij verzonnen en een monstrueus beeldentapijt, waarmee de ellende nog extra werd ingewreven – om het maar weer eens met een klassieke tekst te stofferen: rode tulpen werden met groot enthousiasme vuurrood ingekleurd. Ik kan als toneelliefhebber ondertussen aardig wat hebben, maar tegen dit geweld was ik niet opgewassen.

En het ligt vast aan mij, hoor! Ik geef het ruiterlijk toe. Want ik heb begrepen dat de collega’s van het toneeljournaille de productie Stad der blinden onder complimenten hebben bedolven. Ga dus vooral zelf kijken. Dat kan, ook met Jeanne, nog tot het eind van het Over het IJ-festival, tot en met 12 juli.