21 december 1917 – 26 april 2013

Jérôme Heldring

In zijn columns verdedigde hij tijdloze journalistieke waarden als de nood­zakelijke scheiding tussen ratio en emotie. Liever de afstandelijke analyse dan de zoveelste persoonlijke opinie. ‘Ik vind dat dunnetjes, hoor, zo’n baaierd aan meningen in de krant.’

Droogjes, bij wijze van feitelijke constatering, meldde Jérôme Heldring al op zijn tachtigste aan zijn lezers dat ‘het aftakelingsproces waaraan een ieder na zijn dertigste onderhevig is een kritieke fase naderde’. In NRC Handelsblad schreef hij daarna nog veertien jaar lang Dezer Dagen, de beschouwende rubriek die hij in januari 1960 begon. Hij heeft al die jaren geen week versaagd, op die ene keer eind november 2010 na, toen hij een zware operatie had ondergaan. In het verzorgingshuis Oldeslo, waar hij herstelde, vroeg hij al weer om zijn typemachine, om daarna nog twintig afleveringen van Dezer Dagen te schrijven. In april 2012, op zijn 94ste, stopte hij dan toch, na een journalistiek leven dat tot de Tweede Wereldoorlog terugging.

Zijn opmerking over zijn ­‘aftakelingsproces’ is typerend voor zijn nuchtere zelfspot. J.L. Heldring, telg uit een liberale Amsterdamse partriciërsfamilie, was een aimabele man. Hij leed niet onder het bestaan, hoezeer zijn denken ook werd gestempeld door de overtuiging dat de mens tot het slechte neigt.

In de gesprekken met hem was er altijd weer de relativerende humor of de prozaïsche formulering. Met de opmerking ‘Er is reden tot verontrusting over de menselijke aard’ besloot hij een betoog over de noodzaak niet naïef te zijn over het kwaad waartoe mensen in staat zijn, zeker als zij collectief bevangen raken door een ideologie die de vervolmaking van mens en maatschappij belooft. Het behoort volgens Heldring tot de menselijke natuur dat mensen verlangen naar een verlossing van de onvoorspelbaarheid van het leven en zoeken naar zekerheid, het liefst in een alomvattende theorie van het bestaan. Dat verlangen is even begrijpelijk als onvervulbaar, meende hij. De loop van de geschiedenis is onvoorspelbaar en komt neer op een permanente ‘gedaantewisseling van de chaos’, zo citeerde hij met instemming de woorden van historicus Wim Roobol. Heldrings conclusie luidde: ‘In de individuele mens zit veel goeds, veel naastenliefde en opofferingsgezindheid. Gevaarlijk is de collectiviteit van mensen die zich identificeren met een groter ideaal.’

Om deze reden beoordeelde Heldring, ofschoon niet gelovig, de protestantse Heidel­bergse catechismus over de feilbare mens als wijsheid. ‘Ik zeg dat met enige schroom en schaamte, maar ik erken de functie van de erfzonde als politiek buitengewoon nuttig. Dat is een wat tragische positie voor een ongelovige.’ Om dezelfde reden waardeerde hij partijen op een christelijke grondslag: ‘Zij menen dat het Koninkrijk des Hemels niet van deze aarde is. In deze gedachte zit een zekere berusting, geduld ook. Zij geeft tolerantie ten aanzien van het menselijk falen, van jezelf en van anderen.’

Deze visie op het menselijk tekort stempelde ook zijn journalistieke werk. Daarin wilde hij trouw zijn aan het motto dat hij de eerste bundeling van zijn artikelen, Het verschil met anderen uit 1975, meegaf: ‘L’essentiel est de faire réfléchir’. Zijn doel als columnist was met zijn gedachtegang anderen aan het denken te zetten. Met hem hoefde je het niet eens te zijn om ’m toch te waarderen, dankzij de kracht van de logica in zijn argumentatie. Daarmee staat hij ook na zijn overlijden model voor tijdloze journalistieke waarden, zoals de scheiding tussen ratio en emotie, feiten en oordelen. De kern van zijn beroepsstandaard was dat ­waarheidstrouw de drijfveer van de journalist moet zijn, veeleer dan het morele oordeel. Hij meende dat de moraal over wat gewenst is ook in de ­Nederlandse politiek een overmatige invloed heeft. De wenselijkheid van bepaalde besluiten weegt niet zelden zwaarder dan de reële mogelijkheid, destijds bijvoorbeeld bij het besluit Nederlandse soldaten naar Srebrenica te sturen in weerwil van de adviezen van militaire deskundigen. ‘We koesterden ons met het gevoel dat we ook hier gidsland konden zijn, tot we de kous op de kop kregen.’

Op 7 april 2012 beëindigde Heldring het artikel waarmee hij afscheid van de lezers nam met het motto van zijn Britse collega: ‘Comment is free, facts are sacred’. Voor Heldring ligt daarin de boodschap besloten dat het zo onversneden mogelijk weergeven en duiden van de nieuwsfeiten de kerntaak van de journalistiek is. NRC Handelsblad heeft voor de columnist Heldring nog geen volwaardige vervanger kunnen vinden, of misschien zelfs niet willen vinden. Zijn strikte voorkeur voor de afstandelijke analyse boven de persoonlijke mening is niet de trend op de opiniepagina’s, evenmin op die van het liberale avondblad. In het journalistieke testament dat ik vorig jaar met hem mocht opmaken voor De Groene Amsterdammer wilde hij terughoudend zijn in zijn oordeel over de stand van de journalistiek. Maar dit moest hem toch van de lever: ‘Is het werkelijk zo dat de lezer al die meningen leest en er dan nog wijs uit kan? Ik betwijfel dat. Hij leest van de ene auteur dit, van de andere dat, maar wat moet hij nu geloven? Het is nu eenmaal een menselijke zwakte dat de meesten van ons een tekst prefereren die onze mening verwoordt, beter dan wij kunnen. Wat schrijft die goed!, zeggen we dan. We willen worden bevestigd in onze mening. Ik vind dat dunnetjes, hoor, zo’n baaierd aan meningen in de krant. Ook in de NRC, ja.’

In de hal van het gebouw waar de Haagse redactie van NRC Handelsblad is gevestigd stond tot voor kort nog steeds, zichtbaar vanaf de straat, het rode bureaustoeltje dat de redactie­secretaresse voor Heldring had neergezet. Daarop kon de oude scribent ’s ochtends in alle vroegte op de ochtendkranten wachten, wanneer hij er eerder was dan de bezorgers. Dat was op zaterdagochtend steevast het geval. Daar zat hij dan, in het zicht van een gemengd publiek van vroege joggers en kroeglopers die op het naburige Plein een nachtje hadden door­gehaald. Een herinnering om te koesteren.

‘Is het werkelijk zo dat de lezer al die meningen leest en er dan nog wijs uit kan?’