Jerry

De mooie vrouw – een jaar of 32 – vertelde het met een zekere trots.

‘We hadden met ons dispuut een lange borrel op de sociëteit gehad – Maria studeerde af en Evelien en ik waren de enigen die nog onze eindscriptie moesten schrijven – toen we besloten nog een afzakkertje in de stad te halen. Twaalf zatte wijven! Komen daar opeens die populaire gastjes. Herkent Anne-Claire opeens een van de spelers als voetballer. Wij zagen er de lol wel van in en in een mum van tijd stonden we met het groepje te lachen en te dansen.

Ik heb me toen gewoon aan Jerry vergrepen. Ik was 26 en hij negentien. Een jongen met een goddelijk lichaam, dat zag ik wel. Hij wilde meteen mee naar ons studentenhuis, maar dat kon niet.

Ik had trouwens nog een vriend – ha ha – Ferdinand, Ferdi… Ging ik al drie jaar mee.

Balen…

Jerry bleef de daaropvolgende dagen maar bellen en sms’en. En ik vond het ook wel leuk om hem te zien. En we deden hele gekke dingen en hoewel Jerry in de derde van het vmbo was gestopt met school bleek hij slimmer dan hij zich voordeed. Om niet gesnapt te worden – Jerry had ook nog een vriendin – maakten we uitstapjes buiten de stad met zijn auto. Rommel­marktjes. Zijn zelfs naar Antwerpen geweest.

En toen hebben we alle twee onze verhouding – geen verkering zeggen, zeg ik altijd tegen Jerry – uitgemaakt.

Balen, natuurlijk. Voor Ferdi.

’k Heb trouwens die Anouschka van hem nog gezien… Een heel mooie vrouw…

Mijn ouders zagen het helemaal niet zitten. Mijn vader is gynaecoloog. Hockey en roeien, dat zijn bij ons thuis de sporten. En m’n zuster speelt cello. Komt er opeens zo’n donkere jongen binnen. En voetballen interesseerde mij ook niks.

Maar Jerry begon boeken te lezen, en we gingen naar het Concertgebouw en naar uitvoeringen van Helène, mijn zuster. En hij vond het echt allemaal even prachtig. En mijn ouders vonden hem uiteindelijk ook geweldig…

Alleen tussen Jerry en zijn ouders kwam het niet meer goed.

Hij heeft een Surinaamse moeder en een Nederlandse vader.

Die man vindt mij niks, en vindt dat ik een slechte invloed op zijn zoon heb, maar hij kan niet uitleggen waarom, en dat begrijp ik wel.

Ik zie heel goed wat er gebeurt. Maar ik kan toch niet zeggen: lui, ik heb medelijden met jullie. Ik probeer met zijn vader te praten, maar die heeft zo’n minderwaardigheidscomplex. Z’n moeder is heel lief, maar die zit altijd in de ­keuken als ik er ben. “Daar zit ze graag”, zegt Jerry.

“Vindt u het leuk om mijn ouders eens te ontmoeten?” vroeg ik.

“Ja”, zeiden zijn ouders, maar ik begreep meteen dat ik dat niet had moeten vragen. Ik kom er maar niet meer op terug. Balen…

We praten tegenwoordig over Barcelona, en over Messi. Ik zie en lees wel dat hij goed is, maar Messi is Jerry niet. Ik weet wel dat ik een voetbalvrouw ben, maar wat is dat?

Een vrouw van een voetballer.

Daar kijkt bij ons iedereen op neer.

Maar waarom? Er schuilt iets onrechtvaardigs in.

Jerry is niet dom, hij is slim. Hij zal geen gynaecoloog worden, maar hij zit dan ook in een andere wereld. De wereld van ziekenhuizen is net zo ziek als de wereld van het voetbal. Mijn vriendinnen kijken op mij neer, maar ik verklaar dat uit jaloezie. Ze denken dat Jerry dom is en dat zijn stomheid is overgeslagen op mij. Vreemd, ze zijn arts, maar denken dat gebrek aan leervermogen een besmettelijke ziekte is en dat ik daardoor ben aangetast.

Er zal wel een buitenlandse club voor Jerry komen. Dan ga ik met hem mee. Het zal misschien ook wel eens uitgaan. Dat is deze tijd.’