Essay: jeugd in crisis. Quarterlifecrisis: reële ziekte of fictie?

Jeugd in crisis

Gekker moet het niet worden. Zelfs wie geen dertig jaar oud is, heeft het tegen woordig moeilijk. Te veel luxe en keuze vrijheid is nu ook al een probleem. Het heeft intussen een naam: «quarterlife crisis». Mei Ling Liem (26) vraagt zich af of haar generatie nu werkelijk lijdt aan een reële ziekte of slechts last heeft van een fictie.

Een jaar geleden publiceerde het Sociaal en Cultureel Plan bureau (SCP) een onheilspellende maar niet alom begrepen studie. In De veeleisende samenleving concludeerde het SCP dat er een verband is tussen de groeiende mogelijkheden en keuze vrijheid van de individuele burgers en hun afnemende vrije tijd, stress en psychische vermoeidheid. Een hoge kostenpost voor de WAO zou het resultaat kunnen zijn.

Het SCP staafde het rapport uiteraard met cijfers.

De Nederlanders zijn de afgelopen 25 jaar weliswaar actiever geworden, maar ervaren tegelijkertijd meer tijdsdruk. Niet alleen gingen ze meer en harder werken, ook vrije tijd bleek een bron van stress in plaats van rust te zijn geworden. Voelde in 1974 slechts dertig procent van de bevolking zich soms of vaak gejaagd in de vrije tijd, anno 2000 was dat veertig procent. Eén segment in de samenleving voelt zich volgens het SCP bij uitstek gemangeld: de groep van 25- tot 34-jarigen piekt in de statistieken met 49 procent gejaagdheid. Tijd die wordt bespaard door faciliteiten als kinderopvang, ruimere winkelopeningstijden en machines wordt niet gebruikt om rust te nemen maar om juist nóg meer dingen te doen.

Het SCP verklaart de ontwikkeling uit een verandering in de sociale posities die de individuele burgers bezetten. Vroeger werd ieders sociale status voornamelijk bepaald door de positie in het arbeidsproces en door (religieuze) traditie. Relatief recente ontwikkelingen – zoals de ontzuiling, de toenemende welvaart en de individualisering – hebben traditionele rolpatronen echter ondermijnd. Sociale status is daardoor mobiel geworden. Deze mobiliteit creëert keuzevrijheid, maar ook verantwoordelijkheid voor de inrichting van het eigen leven.

Vooral jongvolwassenen hebben met dat dilemma te kampen. Bovendien kleeft er volgens de analyse van het SCP aan deze groep van 25 tot 34 jaar een belangrijke sociale component die problematisch is geworden. Door het wegvallen of verzwakken van een determinerende sociale positie is persoonlijke identiteit belangrijker geworden. Die identiteit wordt niet langer bepaald door status maar door leefstijl en consumentisme: door wat je koopt en wat je doet.

Maar waarom is dat een probleem? En hoe?

Stel. Je hebt nog nooit financiële problemen gehad. Je bent nimmer gehinderd door oorlog of onderdrukking. Je ouders steunen je «als je maar gelukkig wordt». De wereld ligt dus voor je open. Maar je weet toch niet waar je moet beginnen. Je weet eigenlijk ook niet zo goed wat je wilt en al helemaal niet wat je daarvoor over hebt. Je tobt en twijfelt. Zolang je twijfelt doe je niets, haak je af, zit je apathisch op de bank. Je begint en stopt met studies, met banen en met relaties. Voor niets van dat alles «ga je» volledig. Of je pakt het anders aan. Je ontwijkt het maken van keuzes door gewoon alles te doen. Je raakt overspannen en vraagt je af waar je nou eigenlijk mee bezig bent. Je hebt zo veel mogelijkheden en toch bereik je niks. Waarom kun je geen antwoord vinden op de vraag wat je moet doen met je leven?

Dat begint zelfs al eerder. De achttienjarige schoolverlater staat aan het begin van een lange reeks keuzes waar hij of zij de komende decennia mee geconfronteerd zal worden. De professionele invulling van je leven is zo’n keuze: opleiding en carrière bijvoorbeeld. Daarnaast zijn er keuzes over relatie en gezin, hobby’s en vrienden. Al deze levenskeuzes hebben een andere invloed dan vroeger. Ze lijken belangrijker en moeilijker geworden.

Een beschrijving uit de speciale glossy bladen voor jonge mannen en vrouwen? Nee.

Sinds kort is er zelfs een nieuwe term voor dit luxeprobleem. Deze tobbende jongvolwassenen, die zich geen raad weten met hun overdaad aan keuzevrijheid, lijden aan een «quarterlifecrisis».

Wat gaat daar achter schuil? Quarterlifecrisis lijkt een containerbegrip waarop jongvolwassenen al hun problemen kunnen afschuiven. Maar of er naast een modeverschijnsel ook echt iets aan de hand is, is de vraag. Niet iedereen klaagt immers over de luxe aan mogelijkheden. Sommigen vinden het prima om in hun geboortedorp te blijven wonen en stellen geen hoge eisen aan hun baan. Waar halen ze de rust vandaan?

Psychologe Nienke Wijnants doet aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek naar dit verschijnsel en is als loopbaanadviseur voor adviesbureau Converge betrokken bij de problemen van jongvolwassenen. Het «dertigersdilemma» noemt ze het. Dit dilemma – of deze crisis – treft mensen van 25 tot ongeveer 35 jaar die problemen hebben met het maken van keuzes. Van de twaalfhonderd jongvolwassenen die Wijnants in 2003 heeft ondervraagd, blijkt negentig procent bekend te zijn met het fenomeen. Maar liefst 49 procent zegt er een beetje last van te hebben en 23,7 procent verklaart er zelfs veel last van te hebben.

Op basis van de symptomen onderscheidt Wijnants twee typen jongvolwassenen. Ten eerste degenen die te weinig selectief zijn en te veel gaan doen, met stress of burn-out en andere gevolgen van dien. Het tweede type is juist te selectief. Zij hebben moeite om zich ergens op toe te leggen, problemen met het aangaan van relaties, het kiezen van een baan of studie et cetera. Die houding verhindert het maken van keuzes en leidt tot stagnatie. Net als het SCP waarschuwt ook Wijnants voor een potentieel aan arbeidsuitvallers, al vindt zij dat het probleem niet overdreven maar wel serieus genomen moet worden. Want escalatie ervan kan leiden tot een hoge kostenpost voor staat en bedrijfsleven.

Wijnants wijdt de crisis vooral aan de overvloed aan keuzemogelijkheden en de grote mate van behoeftebevrediging. Als je niet hoeft na te denken over geld, onderdak en het levensgemak van auto’s en televisies ga je nadenken over wie je bent en wat je wilt. Omdat men tegenwoordig al jong in de primaire en secundaire behoeften kan voorzien, wordt de midlifecrisis vervroegd en ontstaat die quarterlifecrisis. Het zijn dus vooral welvarende jonge mensen die voor dilemma’s komen te staan. Deze groep is de laatste decennia aanzienlijk groter geworden met het stijgen van de welvaart.

In de megasupermarkt van keuzemogelijkheden probeert iedereen zijn eigen identiteit samen te stellen. Originaliteit en zelfverwezenlijking zijn een must, ze zijn de basis voor het nieuwe sociale aanzien waar velen naar streven.

Generatieprobleem of generatiefictie? Is het werkelijk zo eenduidig, rechtlijnig en dus eenvoudig? Nee.

De consequentie van de drang om origineel te moeten zijn, is een onderschatting van of zelfs minachting voor de rol van de ander, van de mensen om ons heen. Jongvolwassenen wordt wel eens een gebrek aan gemeenschapsgevoel verweten. Dit is niet verwonderlijk als men beseft dat zij zelfontplooiing, en dan ook nog eens eerst en vooral onafhankelijk van anderen, als belangrijkste taak hebben gekregen. Rekening houden met de gemeenschap wordt als belemmering ervaren. Er is geen aandacht voor het idee dat onze omgeving tot de kern van onze identiteit kan behoren. Zelfontplooiing lijkt een asociaal proces.

Dat de uitkomst van deze zoektocht naar jezelf niet altijd origineel is, bewijzen Jan Willem Duyvendak en Menno Hurenkamp in hun bundel Kiezen voor de kudde. Individualisering is een mythe, beweren zij. In werkelijkheid is de mens nog steeds een kuddedier. Zij illustreren dit aan de hand van verschillende onderzoeken naar politiek stemgedrag, vrijetijdsbesteding, sporten et cetera. Groepen blijken nog altijd sturend te zijn, aldus Duyvendak en Hurenkamp. Het is daarom verstandig niet al te gemakkelijk te gooien met termen als individualisme en individuele keuzes.

Deze conclusie staat haaks op de dagelijkse ervaring van vele jongvolwassenen. Men denkt origineel en individueel te moeten kiezen. Misschien schrijft men zichzelf daarmee een te grote taak toe. Individualiteit is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt.

Duyvendak en Hurenkamp geven echter geen antwoord op de vraag waarom individualisme dan zo belangrijk voor ons is. Het is toch vreemd dat mensen steeds proberen te ontsnappen aan de kudde, of ze daar nou in slagen of niet. Want waarom lijden sommigen aan die zogeheten quarterlifecrisis en anderen niet?

Misschien is het een stadsprobleem en hebben personen van buiten de grote steden, de politiek georganiseerden en andere jongvolwassenen die zich ergens aan binden er minder last van. Deze groepen onderscheiden zich namelijk door één ding: het uitsluiten van mogelijk heden. Wie zich gebonden voelt aan het geboortedorp hoeft niet zo nodig de wijde wereld in. Door je op iets toe te leggen, beperk je de mogelijkheden en maak je levenskeuzes een stuk overzichtelijker.

De Canadese filosoof Charles Taylor publiceerde al in 1991 een boek waarin hij de gecompliceerde positie van het individu in de gemeenschap beschrijft. Helaas hebben zijn bevindingen tot nu toe weinig effect gehad op de (westerse) samenleving. In The Ethics of Authenticity beargumenteert Taylor dat het moderne individu zich afkeert van de gemeenschap omdat het begrip authenticiteit verkeerd wordt begrepen. Authenticiteit behelst het «trouw zijn aan jezelf», het «ontdekken van je ware ik» en je leven daarnaar inrichten. Dit ideaal stamt uit de Verlichting, maar heeft in de jaren zestig een vlucht genomen. Ook Taylor ziet het verdwijnen van sociale hiërarchieën als een oorzaak van een nieuw begrip van identiteit. Sociaal aanzien moet nu op persoonlijke titel verworven worden. Het is een onzeker proces, waarin men zichzelf moet bewijzen aan een kritische buitenwereld.

De verkeerde interpretatie van het, op zich goede, ideaal van authenticiteit leidt tot een ontkenning van de menselijke natuur. De misvatting is dat de gemeenschap het individu belemmert authentiek te zijn. Men vat de zoektocht naar een innerlijke stem heel letterlijk op en maant de omgeving tot stilte om haar te horen. Het resultaat is een ontspoord individualisme en zacht relativisme, aldus Taylor. Deze individuen zijn als los zand en zien hun omgeving als slechts instrumenteel voor het bereiken van hun doeleinden.

Taylor wijst erop dat het individu alleen bestaat dankzij, en niet ondanks, de gemeenschap. De mens ontwikkelt zichzelf in een dialoog met de omgeving. Relaties met ouders en dierbaren zijn daarbij onmisbaar. Authenticiteit en keuzevrijheid hebben alleen betekenis tegen de achtergrond van een horizon van waarden, die gegeven worden door de gemeenschap en haar cultuur. Het individu kan alleen een authentieke identiteit ontwikkelen te midden van een waardevolle omgeving. Het ontkennen van de waarde van deze omgeving, van de mensen om je heen, leidt tot een tegenspraak en maakt het onmogelijk om zelfverwerkelijking te bereiken. Deze visie van Taylor dat het ideaal van authenticiteit onjuist wordt begrepen, heeft bij uitstek consequenties voor de jongvolwassenen die zichzelf in crisis wanen. Zij isoleren zichzelf te veel bij het maken van levenskeuzes en vinden geen uitweg meer uit het woud van kansen en mogelijkheden.

Maar wat te doen? De isolatie opheffen en de band met de gemeenschap weer op waarde schatten. In die band ligt immers de bron van identiteit. Het ontkennen van die band leidt tot een eindeloze zoektocht in een bodemloze put. In die put kan de verworven vrijheid niet worden benut en is het een juk voor degenen die ervan moeten profiteren.

Want de quarterlifecrisis is misschien dan wel een generatiefeit maar berust uiteindelijk toch op een generatiefictie: namelijk het idee dat het leven een soloproject is. Jongvolwassenen koesteren de romantische illusie dat er een antwoord bestaat op al hun levensvragen en dat hun innerlijke stem dit antwoord zal geven. Het richtingloze niemandsland waarin ze zich zo begeven, is echter geen basis om ingewikkelde levenskeuzes te maken. Niet alleen jongvolwassenen komen in de problemen, onder de noemer van de quarterlifecrisis, ook de samenleving lijdt hieronder. Denk aan klachten over het gebrek aan sociale cohesie en politiek engagement, de versnippering van de samenleving en andere vormen van atomisering waarover nagenoeg iedereen tegenwoordig klaagt.

De oplossing lijkt simpel. Jongvolwassenen moeten zichzelf wat minder en de band met de gemeenschap, de mensen om zich heen, juist wat meer serieus nemen. Een herontdekking van de gemeenschap kan de Nederlandse samenleving versterken. Tegelijkertijd wordt de zware taak die jongvolwassenen zichzelf toeschrijven verlicht. Twee vliegen in één klap.

Natuurlijk. Het aanbod van keuzemogelijkheden blijft groot en divers. In de nabije toekomst zal dit niet veranderen, hoogstens wordt het aanbod nog groter en diverser. Maar jongvolwassenen moeten leren hiermee om te gaan. De band met de gemeenschap is daarin richting gevend, zij het niet zaligmakend. Als er maar keuzes worden gemaakt en knopen doorgehakt. Het kiezen zelf wordt belangrijker dan de uitkomst van de keuze.

Zet de eenzame zoektocht naar jezelf dus op een wat lager pitje en kijk om je heen. Het aangaan van banden met je omgeving lijkt misschien je onafhankelijkheid te beperken, maar biedt wel richting in de veelheid aan keuzes. Blijf niet wachten op antwoorden die er toch niet zijn.