Sam Fender © Jack Whitefield

‘I remember the sickness was forever/ I remember snuff videos/ Cold Septembers, the distances we covered/ The fist fights on the beach/ The Bizzies round us up/ Do it all again next week.’

Het zijn de eerste regels van het tweede album van Sam Fender, en het beeld is meteen geschetst. Opgroeien in North Shields, niet voor niets vernoemd naar de simpele hutten waar ooit herders en vissers schuilden, is een leven in grauw grijs. De scheepswerven zijn verdwenen, zoals ook de mijnen ooit verdwenen. De massale gevechten op het strand vinden er nog steeds plaats, tot dat strand wordt leeggeveegd door de ‘Bizzies’ – zoals vooral rond Liverpool en Newcastle de politie wordt genoemd, zeker door jongens vol balorige verveling op repeteerstand.

Fender is al enkele jaren de Grote Belofte van de Britse rockmuziek, en op Seventeen Going Under voltooit hij de inlossing. Hij kent zijn Springsteen-klassiekers in vorm (rock) en inhoud (je verhouden tot je afkomst), groeide op met Oasis, luisterde als kind al naar Jeff Buckley, en allemaal schemeren ze door, net als The Replacements en veel meer dan op zijn debuut: The War on Drugs en The Killers. Maar Fender is enorm veel meer dan de optelsom van zijn invloeden, hij heeft zijn eigen geluid al gevonden, daarbij geholpen door het feit dat zijn stem verre van rauw is, maar warm, met een natuurlijke neiging tot drama.

Van saxofoon tot mandoline, van piano tot glockenspiel: zo breed als zijn muzikale aanpak is, zo uitgebreid is ook het instrumentarium. Fraai gedragen is Last to Make It Home, episch groots is Get You Down, jachtig opzwepend dat openingsnummer Seventeen Going Under, waarin de jeugdherinneringen soms ook uitgroeien tot demonen: ‘The boy who kicked Tom’s head in/ Still bugs me now.’ Wat hij ook aanzet, is de tekst, die in al zijn woede opeens wat plat klinkt. ‘They gave you bulimia, those marketing masterminds/ Happens all the time, all the time’: hier won het spandoek van de dichtbundel.

Het album eindigt met een mokerslag. The Dying Light begint klein, met Fenders stem en een piano. De zinnen ‘And those dead boys are always there/ There’s more every year’ verwijzen nadrukkelijk naar Dead Boys, een van Fenders allerbeste vroege nummers. Dit is Fenders nummer over leven en dood, en hij heeft het ook gecomponeerd óp leven en dood. Vol op het orgel. Het is het moment waarop je zou kunnen afhaken: te groots, te veel bombast. Maar niet hier, daarvoor is het te nadrukkelijk de optelsom van alles dat hij in het uur hiervoor heeft opgebouwd. Dit is geen Coldplay, geen effect om het effect en pathos van de holle woorden, dit is Fenders zwanenzang voor al zijn dierbare doden, zijn angst voor de dood én het leven (‘I’m terrified of having kids’), en tegelijk de omarming ervan.

Sam Fender, Seventeen Going Under. Sam Fender speelt op 2 november in Tivoli Vredenburg en op 8 november in Paradiso