film

Jeugdige onschuld

Afterschool

Rob heeft prachtige, donkere ogen. Maar zijn blik is doods. Hij kijkt recht in de camera. Uitdrukkingloos. Dan geeft hij zichzelf een klap. Nog steeds geen effect. Met de derde of vierde klap verschijnt er iets van woede op z'n gezicht. En van pijn.
Dat is het enige moment wanneer er emotie af te lezen is op het gezicht van Rob, hoofdrolspeler in Afterschool van Antonio Campos (1983). De rest van de tijd praat deze jongen van een jaar of veertien met een monotone stem en kijkt hij strak voor zich uit, ook wanneer hij telefonisch aan zijn moeder vertelt: ‘Ik vrees dat ik een slecht mens ben.’ Is hij dat ook? Deze vraag staat centraal in Afterschool, speelfilmdebuut waarmee Campos twee jaar geleden meedeed in de prestigieuze categorie Un Certain Regard op het festival van Cannes, waarna het als film van de maand werd besproken in het vooraanstaande Britse filmblad Sight and Sound.
De setting in Afterschool, gemaakt voor een habbekrats en met jonge, onbekende, goede acteurs, is een elitaire kostschool in de omgeving van New York. De leerlingen zijn op het oog het toonbeeld van goed aangepaste jonge mensen die worden klaargestoomd om een betekenisvolle bijdrage aan de maatschappij te leveren. Dat is althans de strekking van de indoctrinatie van de volwassenen in de film. Maar de kinderen hebben een andere agenda. Namelijk: seks, drugs, pornografie. En moord. Wanneer Rob ogenschijnlijk per ongeluk de dood filmt van een blonde, beeldschone tweeling wegens een overdosis drugs drijft de kernvraag naar de oppervlakte: bestaat onschuld?
Afterschool treft je als een mokerslag: niets is wat het lijkt. Confronterend is het contrast tussen 'goed’, belichaamd door de Laura Palmer-achtige tweeling, en 'slecht’, in de gedaante van de moordenaar of moordenaars, die onbekend blijven. Of niet? Dat is de grote kracht van de film; er wordt niets gezegd, maar veel gesuggereerd. Je kijkt deze film ademloos uit terwijl er honderd vragen door je hoofd malen.
Weinig recente films hebben zo'n ontregelend effect. Je kunt geen kant op, en de grote verdienste van de regisseur is dat hij zijn claustrofobische verhaal hoofdzakelijk met visuele middelen vertelt. Deze hebben consequent een sterke thematische motivering, bijvoorbeeld de wijze waarop de werkelijkheid van Rob slechts kan bestaan voorzover die gefilterd is door allerlei beelden, van internetpornografie tot handycam-filmpjes. De ironie is dat de beelden per definitie 'onecht’ zijn, terwijl ze voor Rob juist alles echt moeten maken. Grote delen van Afterschool lijken op een amateurfilmpje: groezelig beeld en slecht geluid. Het effect: realisme. Dan weer is de film in standaardbreedbeeld, waardoor de kijker overschakelt naar een 'fictiekijkmodus’. Door voortdurend te spelen met de grens tussen deze twee 'werelden’ creëert de regisseur grote onzekerheid: wat is echt en wat is gemanipuleerd?
In een meesterlijk commentaar op deze actuele vraag laat Campos zijn hoofdpersoon een video-eerbetoon aan de dode tweeling brengen. Het resultaat laat de directeur van de school naar adem snakken: een meedogenloos filmpje waarin de verbitterde emoties van de ouders van de tweeling te zien zijn vermengd met beelden waarin de suggestie wordt gewekt dat de meisjes net als Laura Palmer (in Twin Peaks) helemaal niet zo onschuldig waren. De directeur laat het filmpje meteen hermonteren. Resultaat: propaganda over de leugen van jeugdige onschuld. Afterschool herinnert sterk aan Elephant, Gus van Sants dichterlijke film over de massamoord op Columbine. Beide films gaan over de onmogelijkheid van onschuld. Maar Afterschool is erger; er is geen filosofische overpeinzing mogelijk en dus ook geen verlossing. Daardoor is het werk niet alleen intelligent en mooi, maar vooral ook onvergetelijk.

Te zien vanaf 29 mei