Aidan Chambers

Jeugdliteratuur

Aidan Chambers, Niets is wat het lijkt Vertaald door Annelies Jorna
Uitg. Querido, 288 blz., ƒ39,95

De Engelsman Aidan Chambers (1934) is een van de toonaangevende stemmen op het gebied van de jongerenroman. Het verschijnsel jeugdliteratuur heeft hij uit elke denkbare hoek bekeken: als schrijver, vertaler, recensent en uitgever, als docent in het voortgezet onderwijs en aan de lerarenopleiding. Hij publiceerde artikelen en vakboeken en reisde de wereld over als onvermoeibaar promotor van het geschreven woord. Chambers gelooft in literatuur, ook voor jongeren, hoe weinig leesbereid die in de ogen van andere deskundigen ook mogen zijn. Het meest substantiële deel van Chambers’ literaire oeuvre bestaat uit een, geheel los van elkaar staande, reeks jeugdromans, die zes delen gaat tellen. Het eerste deel was Breaktime (1978) en zojuist verscheen de vertaling van het vijfde deel onder de titel Niets is wat het lijkt. Het meest opzienbarend is ongetwijfeld Dance on my Grave (1982), dat zowel inhoudelijk als vormtechnisch voor lezers, beschouwers en collega-auteurs een eye opener bood wat betreft de mogelijkheden van de specifieke roman voor jongeren. De vraag waarom hij bijna uitsluitend over de puberteit schrijft, beantwoordde Chambers eens als volgt: ‘Because that is where I myself began. Because it is in adolescence that we face for the first time all the great questions of life and deal with them freshly.’ Als grote levensvragen voert de auteur vrijheid, vriendschap, passie en afgunst, geloof, afscheid en verlies op. Niets is wat het lijkt gaat over Nederland en de Nederlanders, over het leven in de dorpse wereldstad Amsterdam en over de Tweede Wereldoorlog. In verhouding tot het nogal experimentele karakter van zijn eerdere boeken is Chambers’ schrijfwijze hier conventioneel en nauwelijks verrassend. Hij weeft twee verhalen dooreen, waarvan de hoofdpersonen via geheimzinnige, in de loop van de geschiedenis onthulde draadjes met elkaar verbonden blijken. De oude vrouw Geertrui, die ongeneeslijk ziek is en eigenzinnig doende met het regisseren van haar levenseinde, woonde tijdens de Slag om Arnhem in Oosterbeek. Als beschermd opgevoede zeventienjarige raakte ze betrokken bij de smerige realiteit van de oorlog en bij het lot van de zwaargewonde Engelse parachutist Jacob Todd. Ze liet hem onderduiken op een boerderij, verzorgde hem, werd verliefd, begroef hem na zijn plotselinge dood en bleek later zijn kind te dragen. Een oude vriend wierp zich op als echtgenoot en vader. Met de dood nabij wil Geertrui opening van zaken en schrijft ze haar geschiedenis op voor de kleinzoon van haar oorlogslief – Jacob Todd junior – die de jaarlijkse herdenking in Oosterbeek komt bijwonen namens zijn grootmoeder Sarah. Deze is haar in Nederland omgekomen echtgenoot altijd trouw gebleven in de zorg voor diens zoon en kleinzoon. Wat Sarah weet of vermoedt over het delen van haar geliefde met Geertrui blijft in het midden. Anno 1999 raakt de jonge Jacob tegenstribbelend betrokken bij zijn onvermoede verwanten in Geertruis familie. Omstandigheden maken dat hij in enkele dagen een Amsterdamse vuurdoop ondergaat: ontspannen tuffend in een bootje door de grachten, beroofd op het Leidseplein, ontnuchterd door de toeristische hysterie in het Anne Frankhuis, verliefd op een schilderij van Rembrandt en op een meisje dat een jongen blijkt te zijn. Jacob maakt kennis met de (vermeende) vaderlandse tolerantie, met de 'doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg’-houding en met de mogelijkheid je niet tot één sekse te bekennen. Zoals de Engelsen ooit bijdroegen aan de bevrijding van Nederland, zo begint Jacob zich hier los te maken van zijn knellende Engelse moraal. Hij is vastbesloten terug te komen, al is het maar voor het Oosterbeekse meisje op wie hij zich halsoverkop verlieft. Als in al zijn boeken tekent Chambers een piekerhoofdige, wat levensschuwe hoofdpersoon – voortdurend aan zichzelf refererend als 'lulhannes’ – die wordt aangetrokken door een onbesuisd levende tegenpool. Ook het gebruikelijke ongecompliceerde no nonsense-meisje doet mee, in de figuur van Geertrui. Haar verhaal levert het kloppende hart van Chambers’ boek op. Haar door de oorlogsomstandigheden versnelde volwassenwording is geloofwaardig, de korte, geheime passie zindert onder een jaren-vijftiguitdrukking als 'gemeenschap hebben’ en haar verdriet snijdt je door de ziel. Interessant is ook het inzicht in een concreet stuk oorlogsvoering, dat in de vaderlandse jeugdliteratuur totaal ontbreekt. In vergelijking met dit alles blijft het verhaal van nu cerebraal, geconstrueerd en nogal obligaat, zoals de binnen vijf seconden ontluikende verliefdheid op het oorlogskerkhof. Na een halve dag in gezelschap van de Oosterbeekse Hille overweegt Jacob al dat hij zich 'in alle opzichten een beter mens voelt bij haar’. Op te veel plekken hoor je de stem van de levenswijze schrijver die zijn jeugdige lezers wil laten nadenken over de 'great questions of life’: wat is moed – wat is eerlijkheid – heeft het huwelijk zin – wat is je eigen waarheid – en (kijk eens goed!) is iets wel wat het lijkt? Het is of de auteur zichzelf voortdurend aan de morele teugel van het Belangrijke Schrijverschap houdt, waarmee hij verhindert dat hij literair meeslepend in galop gaat of adembenemend steigert. Regelmatig moet je vaststellen dat Chambers uiteindelijk een groter denker dan schrijver is. Deze indruk wordt versterkt door een zekere stijfheid van stijl en taal, die waarschijnlijk primair in de vertaling ligt. Zo laat Annelies Jorna de 'beste kooplui’ aan wal staan en komt ze tot onverdraaglijke zinnen als: 'Het was alsof wat hij gehoord had zijn binnenste door elkaar had geklutst, niet zijn inwendige organen, maar de innerlijke delen van zijn persoonlijkheid die zijn lichaam bevolkten.’ Het is cynisch dat een schrijver die zo op ons land gesteld is en voor wie taal iets is als eten en drinken, zich in zulk Nederlands met zijn lezers moet verstaan.