Jeugdzonde

In de periode 1938-1940 was Loe de Jong redacteur van De Groene Amsterdammer. Een enerverende en verwarrende tijd voor een jonge journalist. De Jong sloeg de plank nogal eens mis in zijn buitenlandcommentaren.(

ZATERDAG 2 september 1939. Het is de tweede dag van de Duitse veroveringsoorlog tegen Polen. Gisteren zijn de Duitsers Polen binnengevallen als ‘vergelding’ voor de door henzelf geënsceneerde overval op de radiozender van Gleiwitz. Diezelfde dag nog wordt Warschau gebombardeerd en vindt in het concentratiekamp Sachsenhausen een bijeenkomst plaats onder leiding van de commandant van de SS-Totenkopfdivisie, Theodor Eicke. Daar krijgen de SS-officieren die naar Polen vertrekken orders om de ongebreidelde terreur tegen de joden en de Poolse elite te organiseren. Engeland en Frankrijk aarzelen nog, Chamberlain hoopt nog steeds dat hij met Hitler tot een vergelijk kan komen. Morgen pas, op 3 september, zullen beide landen Duitsland de oorlog verklaren. Verward, ontzet en verontrust probeert de Nederlandse burger het nieuws te volgen. De Groene-abonnee die op deze zaterdag zijn weekblad uit de wikkel haalt, weet dat hij voor het laatste nieuws ergens anders moet zijn. 'Donderdagmiddag’ staat er boven het redactionele commentaar op pagina 1. De buitenlandcommentator heeft natuurlijk geen weet van de verschrikkelijke gebeurtenissen van vrijdag, maar misschien maakt zijn artikel iets duidelijk over de achtergronden. 'Dekt Londen de schade?’ staat erboven, en het commentaar handelt uiteraard over de internationale crisis die is ontstaan nadat Duitsland buitensporige eisen aan Polen had gesteld. De gebeurtenissen van de afgelopen week geven de auteur aanleiding om te veronderstellen dat Engeland en Frankrijk het weer op een akkoordje zullen gooien met Hitler en dat Polen hiervoor een zekere prijs zal moeten betalen. Aangezien Duitsland niet de 'onoverwinnelijke onstuimigheid (vertoont) waarop het zelf placht te pochen en waarmee het zijn tegenstanders gewoon was te intimideren’, lijkt er 'voor het eerst na zeer langen tijd reden tot gematigd optimisme’. De geruchten dat Duitsland en de Sovjetunie, in het een week geleden gesloten Molotov-Ribbentrop-pact, besloten hebben Polen onderling te verdelen, zijn onjuist. In de verdragstekst staat hierover immers niets. Dat de deling van Polen wel degelijk bekokstoofd was, kon de Groene-commentator niet weten, aangezien dit was vastgelegd in het geheime 'aanhangsel’ bij het pact. Op grond van het feit dat de betrokken mogendheden geen oorlog willen, en ook onder de bevolking de mobilisatie niet met het enthousiasme van 1914 is begroet, concludeert de schrijver dat er daarom 'plaats (is) voor de opvatting dat - wanneer de huidige crisis te boven is gekomen, wat nog wel eenigen tijd zal duren - de tweede wereldoorlog voor langen tijd, waarschijnlijk voor jaren is afgewend’. Wat een misser! Mooie commentator, met dit soort pedante voorspellingen. Wie heeft het geschreven? L. de Jong. Nou, die mag zich wel eens gaan schamen. Voor de Groene-lezer van september 1939 had de naam L. de Jong nog niet die welhaast magische klank die hij tegenwoordig heeft. Wie was Loe de Jong op het moment dat de Tweede Wereldoorlog, het conflict dat hem beroemd zou maken, nog moest uitbreken? In november 1937 was Loe de Jong cum laude afgestudeerd als historicus. Hij had zich vooral beziggehouden met sociale geschiedenis, een toen nog betrekkelijk nieuw onderzoeksterrein. Kort voor het einde van zijn studie had De Arbeiderspers hem gevraagd een boekje te maken over Hedendaags marxisme, dit tot grote ergernis van Loe’s leermeester, de vermaarde marxistische econoom Sam de Wolff, die zich gepasseerd voelde. Na het behalen van het doctoraaldiploma wilde Loe graag medewerker worden van het twee jaar eerder opgerichte Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Wegens geldgebrek was daar echter geen vacature, en ook pogingen om fractiemedewerker van de SDAP te worden liepen op niets uit. Min of meer toevallig belandde Loe toen bij De Groene. De kersverse, en kortstondige, hoofdredacteur Victor E. van Vriesland liet hem een proefartikel schrijven over de zalmvisserij op de Rijn. Op 15 januari 1938 stond dit stuk - dat eindigde met: 'het neusje van den zalm gaat onzen neus voorbij’ - in de krant en per 1 februari trad Loe de Jong in dienst als redacteur. Voor het, ook toen al, ernstig onderbezette weekblad diende De Jong wekelijks zo'n drie à vier pagina’s te vullen. Onder meer zorgde hij voor een pagina met overzichten van de binnen- en buitenlandse pers, een schaakrubriek en tal van reportages, zoals over het Amsterdamse taxiprobleem en de Zaandamse deurenfabriek van Bruynzeel. Ook schreef hij enkele historische artikelen, bijvoorbeeld over de inhuldigingsfeesten van 1898. Zijn hoofdtaak was evenwel het verzorgen van stukken over buitenlandse politiek. Gezien de brisante internationale situatie van dat moment was dit geen geringe taak voor een vierentwintigjarige, pas afgestudeerde historicus. Uit het geciteerde artikel van 2 september 1939 valt op te maken dat de profetenmantel nog niet zo goed paste om de smalle schouders van De Jong. Maar was dit commentaar een tragische uitglijder of heeft hij in de 27 maanden dat hij Groene-redacteur was meer van dit soort blunders gemaakt? Volgens Arie Kleiwegt deugden de buitenlandcommentaren van De Jong van geen kanten. In een uitzending van het VPRO-radioprogramma OVT op 7 maart 1993 beschuldigde hij De Jong ervan de zogenaamde 'appeasement-politiek’ van Engeland en Frankrijk te hebben verdedigd. Ziedend van woede citeerde Kleiwegt uit het beruchte artikel van 2 september 1939, dat volgens hem voor De Jong reden had moeten zijn om voortaan te zwijgen. Kleiwegt nam het De Jong bovendien kwalijk dat hij deze 'kanjer van een journalistieke blunder’ later altijd onder tafel heeft proberen te werken. Ook in het in maart 1993 verschenen eerste deel van De Jongs memoires zou volgens Kleiwegt de beroemde historicus bagatelliserend hebben geschreven over een 'jeugdzonde’. NIEUWSGIERIG GING ik de Groene-jaargangen 1938-1940 bestuderen. Welke schandelijke dingen schreef De Jong over 'München’, hoe waren zijn commentaren op het onder de voet lopen van Tsjechoslowakije en Polen? Hoe ver zat hij ernaast in zijn beoordeling van Duitslands buitenlandse politiek? Al snel werd duidelijk dat Arie Kleiwegts beschuldigingen gebaseerd zijn op een wel erg magere bewijsvoering. Hij citeerde uitsluitend uit dat ene artikel. Had hij nog even doorgebladerd in de leggers van De Groene, dan had hij in het nummer van 6 april 1940 een andere opmerkelijke misser van De Jong kunnen lezen. Na een overzicht van de internationale verhoudingen schreef De Jong: 'Intusschen blijkt uit niets dat Berlijn aan de uitbreiding van de oorlog denkt.’ Volgens hem pleitte 'veel er voor dat de zeven maanden die wij tegemoet gaan, den intensieven bewegings- en stellingsoorlog niet zullen zien ontstaan. Veel. Niet alles.’ Hoewel hij dus enige slagen om de arm hield, was De Jong er nog steeds van overtuigd dat de oorlog voorlopig beperkt van omvang zou blijven. Intussen stoomden, als onschuldige koopvaardijschepen uitgedoste Duitse schepen met landingstroepen op naar Denemarken en Noorwegen, landen die drie dagen later zouden worden aangevallen. Was het dus nog erger dan Arie Kleiwegt vermoedde? Dat Loe de Jong er soms naast zat, is inmiddels wel duidelijk. Maar daarmee hebben we nog geen antwoord op de vraag hoe het gesteld was met het morele gehalte van zijn analysen. Evenmin weten we hoe het kwam dat zijn buitenlandcommentaren, die veelal zeer doortimmerd waren, niet altijd spoorden met de werkelijkheid. Zijn eerste grote artikel over buitenlandse politiek, 'Waar blijft Engeland?’ (26 maart 1938), was een zeer ernstige, objectief bedoelde analyse van Engelands positie in het internationale krachtenveld. Zonder zich te buiten te gaan aan allerlei waardeoordelen constateerde De Jong dat Engelands belangen vooral gericht waren op het koloniale rijk en dat Europa veel minder belangrijk was. Twee maanden later schetste hij even kalm de drijfveren achter Hitlers buitenlandse politiek. Centraal in zijn beschouwingen stond de economische analyse. Op 16 en 30 april 1938 wijdde hij zelfs twee artikelen aan 'Een nieuwe economische crisis?’ De Jong was duidelijk sterk beïnvloed door Sam de Wolff en diens theorie van de lange conjunctuurgolven. Het marxisme was zijn richtsnoer, zoals bleek uit zijn reactie op de Tsjechoslowakije-crisis. Op 17 september gaf hij wederom een zeer nuchtere analyse van de stormachtige ontwikkelingen. Hoewel Duitsland uiterst agressieve taal uitsloeg zou de oorlog niet uitbreken, aangezien 'in het algemeen immers groote conflicten slechts (uitbreken) op het hoogtepunt van of vlak na een periode van economischen voorspoed’. Nu wilde De Jong niet beweren dat politieke crises altijd veilig gepasseerd werden, 'maar wanneer er inderdaad een zeker verband bestaat tusschen oorlog en conjunctuur (…) dan is het waarschijnlijker dat de tweede wereldoorlog nog een geruim aantal jaren op zich zal laten wachten, dan dat hij thans uitbreekt’. DAT DE HISTORICUS Loe de Jong de politiek van het Derde Rijk nogal eens verkeerd inschatte, had verschillende oorzaken. Allereerst was daar de, bij veel commentatoren aanwezige, neiging politici als Hitler te beoordelen met maatstaven die waren ontleend aan de westerse democratieën. Onlangs hebben we met betrekking tot Kosovo weer hetzelfde kunnen zien. In het geval van De Jong kwam daar nog iets bij, namelijk zijn marxisme. Wie bestudeert wat er in de jaren twintig en dertig is geschreven over de opkomst van fascisme en nationaal-socialisme kan constateren dat de toen nog zeer talrijke marxistische theoretici de minst waardevolle en verhelderende analysen hebben geschreven. Door zich blind te staren op economische ontwikkelingen en klassentegenstellingen verloren zij uit het oog dat het fascisme nog tal van andere oorzaken had. Zo trok Sam de Wolff na het aan de macht komen van Hitler Marx’ brochure Die Achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte uit de kast en concludeerde: 'Elk woord een woord over Hitler, elke trek een trek van de leider van het Derde Rijk.’ Aan allerlei politieke, nationalistische, sociaal-psychologische , culturele en ideologische factoren schonken de meeste marxistische theoretici geen aandacht. Wat betreft de buitenlandse politiek van Hitler in de jaren 1938-1940 zien we bij De Jong eenzelfde eenzijdigheid. Zijn analysen waren zeer bedaard en uiterst rationeel - helaas was Hitler dat niet. Maar afgezien hiervan, hoe zat het met De Jongs buitenlandcommentaren? Was deze marxist nu, zoals Arie Kleiwegt beweert, ook nog een 'appeaser’, iemand die hoopte dat met het doen van concessies aan Hitler de vrede behouden kon blijven? Was hij de parapludrager van Chamberlain? Als absoluut dieptepunt van de appeasement-politiek geldt het gesol met Tsjechoslowakije, dat culmineerde in de beschamende conferentie in München op 29 en 30 september 1938. Reeds op 17 september had De Jong er in het artikel 'Tsjechoslowakije: “Die verkaufte Braut”(’, geen twijfel over laten bestaan hoe hij erover dacht: 'De vrede schijnt te winnen - de democratie heeft verloren. Het eerste is op zichzelf een reden tot vreugde, maar ieder die weet dat in de huidige verhoudingen de zaak der democratie de zaak van den vrede is, heeft reden tot bezorgdheid door deze jongste nederlaag.’ Een week later hekelde De Jong het 'verraad’ van Engeland en Frankrijk. De gevolgen van dit laffe optreden kon men wat hem betreft 'niet zwart genoeg zien’. De 'pokerpolitiek’ van Duitsland en Italië had alleen succes gehad omdat de democratische landen 'nog nimmer zoo lang zijn blijven meebieden’. Tot slot van dit artikel wendde De Jong zich rechtstreeks tot zijn publiek: 'Lezer! Ook uw blik is misschien enkele dagen geleden gevallen op het bericht, dat de Tsjechische gezant te Parijs in tranen het ministerie van buitenlandsche zaken heeft verlaten. Ook gij hebt wellicht die krant ineengefrommeld en weggesmeten, uit verontwaardiging over een diplomatie, die door eigen lafheid van blunder tot blunder strompelt, uit deernis met het lijden van een man die het land dat hij jaren diende, verkocht ziet en verraden. Wij vragen u: beheersch uw gevoelens. Zet ze om in practische energie. Werk, ondanks alles, wat gij kunt, voor de versterking der collectieve veiligheidsgedachte. Beïnvloed de menschen die gij spreekt, op reis en in zaken, in de tram, in den trein of op den hoek van de straat, en wijs hun op het gevaar dat schuilt in het voortdurende wijken voor de chantage-strategie der dictatoren. En voor alles: wantrouw de profeten van het egoïstisch en kortzichtig isolationisme in uw eigen land, die de roofzucht sanctioneeren en in tijden van aperte rechtsverkrachting niets beter weten te doen dan voor een verzameling goedwillenden te bazelen over ethiek en naastenliefde.’ Nog een week later, na 'München’, constateerde De Jong dat zijn analyse correct was geweest: ondanks het wapengekletter was de oorlog niet uitgebroken. Tegelijkertijd distantieerde hij zich van het zelfgenoegzame en smakeloze gejubel over 'peace in our time’, waarover Ter Braak op 8 oktober in De Groene zijn woedende 'Het verraad der vlaggen’ zou schrijven. Volgens De Jong zagen de meeste mensen over het hoofd dat Duitsland een eclatante overwinning had behaald. Dit was beschamend, maar het betekende overigens nog niet dat De Jong ervoor pleitte dat de westerse mogendheden alsnog de wapens tegen Hitler zouden opnemen. Het opofferen van Tsjechoslowakije had voorkomen kunnen worden, maar nu was er weinig meer aan te doen. HOEWEL CHAMBERLAIN voor De Jong altijd al het symbool van een kleingeestige, zelfzuchtige conservatieve politiek was geweest, werd zijn afkeer van de man nu steeds sterker. Op 21 januari 1939 schreef hij: 'Het moge toeval zijn, dat Neville Chamberlain als mensch een goedgeloovigen indruk maakt die weinig past bij de bruuske hardheid van dezen tijd (…), dat deze Chamberlain op het oogenblik eerste minister is - en blijft! - van, laat ons zeggen een van de drie sterkste mogendheden ter wereld, kan men bezwaarlijk toeval noemen.’ In een poging Chamberlains politiek te verklaren somde hij in zijn artikel van 15 april een aantal factoren op. De marxist in De Jong verloochende zich wederom niet, zodat hij naast de karakterzwakte van Chamberlain de gewijzigde economische structuur - er zou sprake zijn van een sterke 'ver-renteniering’ van Engeland - aanwees als een van de belangrijkste oorzaken van de onwil om krachtdadig tegen Hitler op te treden. Het defensieve karakter van het Franse leger, de Engelse belangen die voornamelijk in de 'dominions’ lagen, de weerstanden in beide landen om met de Sovjetunie in zee te gaan en de vrees dat een eventueel verslagen Duitsland communistisch zou worden - dat waren volgens De Jong de belangrijkste oorzaken van de appeasement-politiek. Al vrij snel signaleerde hij dat de Sovjetunie zich van het Westen begon af te keren, en het Molotov-Ribbentrop-pact leek hem dan ook niet erg te verbazen. Opvallend in De Jongs analysen is echter dat hij keer op keer de mening verkondigde - hij beriep zich hierbij op geluiden uit de Duitse legertop - dat de Wehrmacht de eerstkomende jaren nog niet gereed was voor de oorlog. Toch was hij allerminst optimistisch. Op 16 augustus 1939 schreef hij: 'Blijvende vrede is minder dan ooit te verwachten.’ Misschien zou de ramp nog enige tijd op zich laten wachten, maar 'zij voor wie de democratie de eenige mogelijke levensvorm is, gaan zware jaren tegemoet’. Je kunt van De Jong veel zeggen, onder meer dat zijn voorspellingen - ook na de oorlog - soms wat potsierlijk aandeden, maar een appeaser was hij niet. Zijn toon was erg somber, verontrust, hij wilde duidelijk geen paniek zaaien. Zijn stukken getuigen van een enorm verantwoordelijkheidsbesef, en af en toe vergeet je dat ze door een jonge man zijn geschreven. Veel vertrouwen in de toekomst had hij niet. Het slot van zijn stuk van 2 september luidde dan ook: 'Als het Derde Rijk in de ruim zes jaren van zijn onheilvol bestaan (…) één ding heeft aangetoond, dan is het wel dit: dat men beter kan bouwen op zand dan op het woord van den Duitschen “Führer”.’