Nieuwe regie van klassieke Poesjkin

Jevgeni twittert niet

Jevgeni Onegin komt naar Nederland, naar Carré! De opera over de Russische aristocraat is een moderne bewerking geworden, maar geen contemporaine: Jevgeni draagt negentiende-eeuwse kleding en heeft deftige allure. Kijken we in de ziel van een volk?

Waarom is Jevgeni Onegin het ultieme Russische verhaal? Hoe raakt Poesjkins beroemde gedicht-in-verzen de ziel van het Russische volk?

In haar kleedkamer in de Stanislavski Opera in Moskou heeft Natalia Petrozhitskaja zichzelf tegen haar kledingkast gedrapeerd. Ze staat met haar borst tegen de kast, laat haar hoofd achterover vallen, parmantig, zodat haar blanke hals op haar langst wordt uitgerekt. In het gezelschap van artistiek leider Alexander Titel speelt ze Tatjana, Onegins amour fou. Petresjka heeft donker haar en een lelieblanke huid, haar leeftijd is moeilijk te schatten, ergens tussen de zestien en veertig: ‘Tatjana is mijn lievelingsrol. Ze is mijn lotsbestemming, mijn leven, mijn liefde, mijn toekomst, mijn dichteres, mijn geschiedenis, de trots van ons land.’

Dan Dmitri Zuev, Jevgeni himself, die de journalisten ontvangt in een spijkerbroek en een wit T-shirt met daarop een afbeelding van een jonge Johnny Depp. Zijn dikke, donkere haar zit ongeveer hetzelfde, en hij komt ook in zijn wat stoere, soms onverschillige doen eerder over als een rockster-celebrity dan als een operazanger. Zuev: ‘Het verhaal van Jevgeni is en zal altijd contemporain blijven. Jevgeni houdt van Tatjana, en zij van hem, en toch is het niet meant to be. Ook in het echt sterft liefde soms, niet alleen op het toneel. Misschien is dat typisch Russisch.’

Bestaat er wel zoiets als de ziel van een volk?

In een documentaire over Abba werd Björn (of was het Benny? Die met de baard) eens gevraagd naar de Zweedse volksziel. Hij kreeg een wat duivelse blik. Nou, je weet wel hoe Zweden zijn, zei hij, we worden verliefd, krijgen kinderen, maar uiteindelijk gaat het stuk omdat we diep van binnen eenzame, melancholieke mensen zijn. We treffen elkaar op verjaardagen en gedragen ons vriendelijk en beleefd, maar elke keer als we onze voormalige geliefden zien, worden we herinnerd aan het geluk dat niet voor ons weggelegd bleek. Daarna barstte hij in lachen uit en zette hij Waterloo in.

Poesjkin was in ieder geval de oorspronkelijke Russische genius, de slijpsteen voor de geest van alle dichters en schrijvers na hem, zoals Shakespeare dat was bij de Britten en Montaigne bij de Fransen. Zijn verzen waren bij de literatoren al vroeg opgevallen, zoals hij ook al snel opviel bij de autoriteiten, die hem verdachten van het schrijven van opruiende verzen onder pseudoniem (hij ontkende, al bestaat er onder kenners weinig twijfel over zijn auteurschap). Tsaar Alexander I verbande hem uiteindelijk, niet naar Siberië, maar naar het landgoed van zijn ouders, waar hij zich stierlijk verveelde. Hij vulde zijn dagen met ‘lezen en schrijven, paardrijden, een boerenmeisje zwanger maken, de freules van een naburig landgoed het hof maken, af en toe een bezoek aan Sint-Petersburg’ (uit: Geschiedenis van de Russische literatuur, door Karel van het Reve). Toen Alexander overleed, in 1825, en de decembristenopstand uitbrak, zou Poesjkin zich naar Moskou hebben gehaast, maar historici zijn er onzeker over waarom hij nooit daadwerkelijk aan de opstand deelnam. Hoe het ook zij: de nieuwe tsaar, Nicolaas I, hief zijn verbanning op en tussen 1825 en 1831 publiceerde hij in etappes, en met veel succes, Jevgeni Onegin. Hij trouwde, verspilde veel geld, raakte vaak jaloers op zijn vrouw en na geroddel heen en weer belandde hij in een duel met een Franse officier, die hem doodschoot. ‘Bravo!’ schijnt Poesjkin nog geroepen te hebben, toen hij met een kogel in zijn milt op de grond viel.

Misschien is het naïef, maar je kunt Jevgeni Onegin niet lezen zonder de titelheld met Poesjkin te vergelijken. Ook hij is stuurs en trots, lijkt niet te geven om de aandacht van de vrouwen, geeft de freule Tatjana een standje als zij hem haar liefde verklaart, om pas jaren later te beseffen dat hij altijd van haar gehouden heeft. Ze beantwoordt zijn liefde, maar keert terug naar haar echtgenoot. Tatjana, in de vertaling van W. Jonker:

Je moest dit nu eens gaan bepeinzen;

Ik ken de fierheid van je hart,

je eergevoel. Bedwing je smart.

Ik heb je lief – waartoe nog veinzen? –

Maar ’n ander kwam; ik ben zijn vrouw.

en levenslang blijf ik hem trouw.

Dat Onegin net als Poesjkin duelleert, met zijn beste vriend, Lenski (die sterft), maakt het lot van Poesjkin alleen maar treuriger, omdat het voor hem nog eens benadrukt hoe futiel zijn leven is, hoeveel schade hij niet alleen zichzelf heeft berokkend:

Zij gaat. Jewgeni, als geslagen

door ’t hemelvuur, blijft roerloos staan.

Emoties tuimelen en vlagen

hem door de ziel als een orkaan.

Karel van het Reve schrijft: ‘Ik ben er nooit in geslaagd deze laatste strofen zonder grote ontroering te lezen, maar menige student in de Russische letteren leest ze met grote onverschilligheid, omdat Jevgeni Onegin nu eenmaal op zijn literatuurlijst staat.’

De Jevgeni Onegin die naar Carré komt, nog ter ere van het 125-jarig bestaan van het Koninklijk Theater, is relatief nieuw. In het theater zelf zijn tal van foto’s te zien van hoe het er vroeger uitzag: enkele zuilen domineren een klein podium, zuilen die niet opzij konden dus alle scènes in de opera, ook de buitenscènes, moesten tussen de zuilen door gespeeld worden.

Toen was het, voluit, Stanislavski en Nemirovitsj-Dansjenko Academisch Muziektheater in Moskou nog klein, een soort veredelde repetitieruimte van het beroemdere Bolshoi-theater, een paar honderd meter verderop. Nu is het een slag groter dan Carré, en op zaterdagavond tot de nok gevuld met gezinnen – ouders met kinderen in de puberleeftijd die keurig naar de voorstelling kijken, zonder er doorheen te kletsen. Je weet niet wat je ziet. Je weet ook niet wat je ziet als je backstage loopt: bij Carré werken zo’n 150 man, in het Stanislavski zo’n elfhonderd. De lange gangen zijn bevolkt door vrouwen van middelbare leeftijd, achter strijkplanken in de weer met de kostuums. Bij de artiesteningang staat niet één portier, maar een stuk of wat, wier enige Engels ‘Passport! Passport!’ lijkt te zijn – een laatste, hardnekkig restje sovjetmentaliteit. Het theater is, natuurlijk, vernoemd naar acteur en regisseur Konstantin Stanislavski (1863-1938) die nog steeds geldt als een van de grondleggers van het moderne acteren, met zijn ‘methode’ waarbij acteurs niet louter hun rol verbeelden, maar hun eigen emoties en ervaringen in hun rol verwerken. Het was Sta­nislavski die hier een regie maakte van Tsjaikovski’s opera-adaptatie van Jevgeni Onegin, een regie die tachtig jaar in dit theater werd gespeeld, tot een paar jaar terug.

En nu is er dus een nieuwe, van Alexander Titel. Het eerste wat opvalt, is dat de zuilen van weleer terug zijn. Maar deze keer is het podium ruim en kunnen de zuilen bewegen – halverwege de voorstelling staan ze scheef, misschien als een symbool voor een kanteling in het karakter van Onegin.

Het is een moderne bewerking geworden, maar geen contemporaine; Jevgeni twittert niet; hij draagt negentiende-eeuwse kleding, zijn gebaren en motoriek zijn deftig, ouderwets. Als het stuk opent zitten drie vrouwen in lange jurken opgewonden te wachten tot Lenski komt, en raken nog meer opgewonden als ze horen dat hij Onegin bij zich heeft, terwijl Tatjana een damesromannetje leest over gepassioneerde liefde (in die zin is ze familie van Emma Bovary). De scène duurt lang, is verrassend statisch. Aanvankelijk is het moderne ver te zoeken, helemaal als er ineens een jongetje met een hondje over het toneel rent en het publiek dubbel ligt en begint te klappen – why? (of het hondje door Carré wordt ingevlogen is vooralsnog onbekend). Maar dan komt de balscène en krijgt het stuk een nieuwe, andere toon, bijna ironisch. De regie is nu speels; de pak ’m beet vijftig man op het toneel dansen vlot, er wordt veel in koor gezongen en de nadruk wordt meer op het acteren gelegd. Hun geroddel is over the top (‘hij is een vrijmetselaar!’), en opeens verandert Jevgeni Onegin van een eigenzinnige aristocraat in een celebrity, iemand wiens persoonlijke levensstijl aan de mening van de massa wordt onderworpen. Dmitri Zuev belichaamt die ironie: hij is Onegin niet, hij speelt hem, dat wil zeggen, zijn bewegingen krijgen iets vettigs, zijn mimiek is iets te dik aangezet. Zijn Onegin is nogal een toffe baas, overdreven zelfgenoegzaam. Hij zet zich af tegen het geroddel, benadrukt zijn stuursheid. Wanneer alle andere balgasten ineens bevriezen, verandert hij hun houdingen. Kin iets meer omhoog, deze arm iets meer opzij. Er zit zowel iets teders in als iets superieurs.

Het is een fraai stukje regie: opeens valt alles stil, de wervelende, dansende menigte verandert in een beeldenpark, alleen Onegin en Tatjana bewegen, alone in the crowd.

Op het bal beledigt Onegin Lenski dus­danig (hij danst met zijn verloofde) dat een duel onvermijdelijk is en ook die scène heeft een gekke dubbele lading. Lenski, een vrolijk, geliefd figuur, sterft; het publiek op het toneel kijkt toe, geschokt, maar verlekkerd. Drama! Niet alleen Tatjana houdt dus van romantische verhalen. Het is aan Onegin om de schuld van de dood van Lenski op zich te nemen. Jaren later keert hij terug in de maatschappij – de mensen zijn hem niet vergeten, maar hij is nu nog meer een outsider dan hij al was.

Carré, Amsterdam. Stanislavski Opera, ­Jevgeni Onegin, vrijdag 1 en zaterdag 2 februari (20.00 uur), en zondag 3 februari (14.00 uur). ­Stanislavski Operaconcert: 3 februari (11.00 uur). Op 2 februari om 19.00 uur en 3 februari om 13.00 uur geeft artistiek leider Alexander Titel een inleiding. carre.nl