Jezelf heruitvinden

In de Nederlandse literatuur zijn vrouwen bij mannen vaak het onderwerp van waanzin. Lize Spit draait dat om: een vrouw brengt verslag uit van de psychische stoornis van haar vriend.

In de tv-bewerking van I.M. zit Connie Palmen – gespeeld door Wende Snijders met goed getroffen warrig kapsel – in een bundel helwit licht op een leeg podium te tikken. Palmen is haar geliefde Ischa Meijer verloren en troost zichzelf in haar jaar van rouw door te werken: ‘Vanachter mijn typemachine begroet ik de Ischa die ik aan het schrijven ben. Het zal worden wat ik ervan maak.’

Dat had zomaar een uitspraak kunnen zijn van Leo, de verteller in Ik ben er niet, de tweede roman van Lize Spit. Haar relatie met Simon is gebouwd op een diep gevoel van herkenning toen ze elkaar tien jaar eerder leerden kennen. Leo was een verloren provinciemeisje in de grote stad dat rouwde om haar verongelukte moeder, terwijl de moeder van de stadse Simon op dat moment op sterven lag. Ze versmelten in hun verdriet, kopen een huis in Brussel, kiezen welke recepten ze van welke moeder overnemen, denken over kinderen. All smooth sailing, tot Simon een bipolaire stoornis ontwikkelt. In Ik ben er niet kijkt Leo, een scenarioschrijfster, vanuit die nieuwe werkelijkheid terug op het leven met haar geliefde. Het zal worden wat zij ervan maakt.

Lize Spit debuteerde in 2016 met Het smelt: 200.000 verkochte exemplaren, jubelend onthaald in de pers, nominaties en vertalingen, de Bronzen Uil. Ik was onder de indruk van Het smelt, een hedendaags coming of age-verhaal van een meisje, waarin gruwel en drama in dienst staan van het trauma van hoofdpersonage Eva. Toen ik dat in een felle discussie – er waren ook kritische tegengeluiden – eens als argument aanvoerde, riposteerde een Belgische vakgenoot: ‘Toch is het met al die groteske toestanden net een aflevering van Jambers.’

Qua opzet lijkt Ik ben er niet op Het smelt, met de vrouwelijke ik-verteller, de strakke structuur met effectief verweven tijdslijnen, en het lugubere raadsel dat de spannende plot voortdrijft. ‘Nog elf minuten, winkel’ is de titel van het eerste hoofdstuk. Die elf minuten verstrijken tussen het moment dat Leo een paniekerig telefoontje krijgt over iets vreselijks wat Simon misschien gedaan heeft, en het moment dat ze na een gehaaste fietstocht hun huis binnen stapt. Spit versnijdt korte hoofdstukjes waarin telkens een halve minuut voorbijgaat met hoofdstukken die de periode beslaan tussen 5 mei 2018, de dag dat Simon als voorbode van zijn eerste instorting met een tattoo thuiskomt, en 22 februari 2019, de dag van het telefoontje. Een derde lijntje, een wormvormig aanhangsel van slechts drie hoofdstukken, schetst de ontstaansgeschiedenis van hun relatie.

In de Nederlandstalige literatuur kolkt het van gekte, van Marcellus Emants die een gedegenereerde Willem Termeer zijn vrouw liet vermoorden tot Maarten Biesheuvel en Jan Arends die hun ervaringen in de psychiatrie verwerkten. Ook vrouwen zijn bij mannelijke auteurs vaak het onderwerp van waanzin, denk aan de hysterische Eline Vere van Louis Couperus of aan Michette met borderline uit Moedervlekken van Arnon Grunberg. Spit draait dat om, zij laat een vrouw verslag uitbrengen van de psychische stoornis van haar vriend, en dat is nieuw, althans: ik kan sinds I.M. geen ander voorbeeld bedenken – als je het oorlogstrauma van Meijer tenminste zou willen pathologiseren.

Leo is iemand die de begrafenisspeech al af heeft als haar vriend in de kroeg blijft plakken, maakt ze zich niet onnodig zorgen?

Bij Palmen ging het goed omdat zij Meijer in het relaas van hun zielsverwantschap intact liet. Bij Spit pakt het toch anders uit.

Spit neemt 570 pagina’s de tijd om alle angst, vervreemding, eenzaamheid en wanhoop die Leo ervaart in kaart te brengen. Hoe verder je door leest, hoe meer Ik ben er niet aanvoelt als een apologie voor het te lang meebewegen met de symptomen van Simon. Van alle stadia in dat (soms tergend) trage proces is Leo’s twijfel aan haar eigen beoordelingsvermogen het boeiendst, want natuurlijk is ze niet objectief. Zo vindt ze het lastig dat Simon haar plotseling niet meer zo nodig heeft – wie is zij dan nog? Zelf is ze iemand die de begrafenisspeech al af heeft als haar vriendje in de kroeg blijft plakken, maakt ze zich geen onnodige zorgen? Hoe gekleurd haar waarneming is blijkt mooi als Simon tijdens een vrijblijvend bezoek aan een psychiater fijntjes Leo’s compulsieve trekjes opsomt: ‘Ik zit daar toch ook niet in een boekje notities over te maken?’ Even gun je hem als lezer het voordeel van de twijfel.

Ik verklap niks als ik zeg dat het beklemmendste stuk van de roman begint wanneer Leo na Simons ontslag van de afdeling Psychiatrie een baby in huis krijgt, iemand die alleen maar eet en slaapt en zoveel aandacht nodig heeft dat ze niet eens even rustig naar de wc kan. Nauwkeurig monitort Spit hoe Leo haar liefde voor Simon heroverweegt, en zich daarbij realiseert welke invloed haar blik al die jaren op hem moet hebben gehad. Met terugwerkende kracht ziet ze dat haar behoefte hem altijd tegen kritiek te beschermen háár des te kritischer maakte: ‘Alles wat hij bouwde, bouwde hij op ons gezamenlijke grondgebied en ik had de sloopvergunning.’ Dat ze haar partner nu als patiënt ziet, verandert hen allebei: ‘Het was niet enkel de ziekte die hem ziek maakte, maar ook mijn manier van kijken naar hem. Ik was niet alleen Simon maar ook mezelf verloren.’

De enige manier om zichzelf aan haar haren uit het moeras te trekken blijkt: schrijven. Voor Libelle levert Leo onder pseudoniem een wekelijkse column over het leven met een geesteszieke partner. In het afwentelen van het schuldgevoel daarover legt Spit haar personage een aantal rechtvaardigingen in de mond: schrijven als therapie, schrijven als verdienmodel, en de interessantste, schrijven als bestaansrecht.

Aan de groeiende reeks romans die draait om de vorm die het moederschap in het leven van een hoogopgeleide, grootstedelijke vrouw kan aannemen – bijvoorbeeld werk van Franca Treur, Marjolijn van Heemstra, Niña Weijers – voegt Spit de kwestie toe hoe je een gezin moet stichten met een partner die zelf zorg nodig heeft. Leo is bang dat het vaatje waaruit ze haar geduld voor Simon heeft getapt ‘eigenlijk bedoeld was voor wanneer ik een moeder zou zijn’ en dat ze het allemaal al aan hem heeft weggegeven. Waar in de recente romans vooral de angst leeft dat een kind literaire ambities in de weg staat, fungeert bij Spit het schrijven juist als substituut voor een kind, want ‘lezers waren niet betekenisloos, ze fungeerden als een doorgeefsysteem, ze vormden de bundeling kringen rondom mijn kring op het wateroppervlak’.

Met die columns vergroot Spit haar personage Simon twee keer uit: een keer door te focussen op zijn ziekte, en een keer door hem binnen het verhaal nog eens door Leo te laten fictionaliseren. ‘Ik kon niet anders dan overdrijven’, denkt Leo, ‘schepjes eenzaamheid erbovenop doen, enkel zo controleerde ik de werkelijkheid, die groot en woest was en vaak verdrietig, zo troefde ik haar af en temde ik haar.’ Omdat het zo’n delicaat thema is, de vraag hoe je kunt blijven houden van een partner die in niets meer lijkt op de persoon met wie je intieme herinneringen deelt, hoop je dat de auteur clichés over het ziektebeeld buiten de deur houdt. Maar wat Spit beschrijft, de paranoia, de complottheorieën, de zelfoverschatting, de tics, het bevestigt alles wat we al kennen uit films en series. Ik snap wel dat dit niet de roman is voor een genuanceerd beeld van het leven met een bipolaire partner, en misschien ontgaat me op hondenfluitjesniveau ergens een vorm van ironie. Toch wringt het dat Spit er in dit verhaal, in feite over jezelf heruitvinden na een crisis, voor kiest van Simons psychische onttakeling zo’n schouwspel te maken.

Zeker, Spit schrijft zoals we dan zeggen ambachtelijk: ze doseert haar informatie beheerst, de verhaallijnen vallen als kliklaminaat in elkaar, willekeurige details krijgen later alsnog netjes emotionele betekenis. En absoluut, ze heeft een gave voor oorspronkelijke beeldspraak. Maar dat Spit over dit verhaal het raster van een spectaculaire plot moest leggen, doet krampachtig aan. De eerste paar minuten van de fietstocht zijn nog spannend, maar al snel begint Spit de doorsnijdende hoofdstukjes opzichtig te rekken. We weten dan dat het mogelijk afschuwelijke iets met een pasgeboren baby zou kunnen zijn, wat al licht weerzinwekkend effectbejag is. Vanaf het moment dat we ons door dit boek moeten laten sleuren door de vraag of Simon echt zo’n freak is dat hij de baby hetzelfde aan zou doen als wat hij met de kat heeft gedaan, wordt het zelfs ronduit goedkoop. Dan vervalt Ik ben er niet in een behaagzieke herhaling van zetten, een Jambers-reportage.