’s Heilands hoofd

Jezus © Warner Press

Heeft verlossing een gezicht? Voor miljoenen christenen zeker, hij heeft een vlassig baardje en halflang sluik haar. Mede dankzij een gebruinde Zweed uit Amerika.

De Jezus-figuur op deze jurken is gemodelleerd naar het beeld van de verlosser zoals dat sinds de twaalfde eeuw gemeengoed is. Katholieke mis, Boma, Democratische Republiek Congo, 2010 © Rachel Corner

Het was in Racine, Wisconsin, dat een afbeelding van Jezus me trof. De Amerikaanse stad stond onlangs centraal in een fascinerend artikel in dit weekblad, in het laatste nummer voor de verkiezingen in de VS. Het was geschreven door de Amerikaanse Amsterdammer George Blaustein. ‘Een doorsnee gedeïndustrialiseerde stad van gemiddelde grootte’, beschreef hij zijn geboorteplaats, ‘met hoge werkloosheidscijfers en te veel leegstaande winkels.’

Toen ik er was, in de dagen voor de kerst van 1989, was Racine ook doorsnee. Toch was die beschrijving voor mij vooral theoretisch, want destijds vond ik alles spannend aan het land waar ik een jaartje studeerde. Zoals de ontmoeting met Jezus als pasfoto. Een gebedsprentje, leerde ik. De ogenschijnlijk altijd opgewekte en weldoorvoede moeder van mijn kamergenoot op de campus van het college droeg de foto altijd bij zich, in haar portemonnee, tussen de pasfoto’s van haar gezinsleden.

Zo’n alledaagse omgang met de verlosser kende ik nog niet.

Ik was achttien jaar oud, net als Ted Rossing, mijn kamergenoot. We studeerden in Minneapolis, zo’n acht uur rijden van zijn ouderlijk huis in Racine. De foto betrof een reproductie van een portret geschilderd in een stijl die mij destijds als hyperrealistisch voorkwam. Ik dacht direct, herinner ik me, dat mijn ouders het beeld anders zouden categoriseren. Niks hyperrealistisch: kitsch. Tegelijk dacht ik aan mijn oom, een marxistisch geïnspireerde socioloog. Die zou het genre waarin de afbeelding van de tronie van Jezus paste vast ‘hedendaags traditioneel’ hebben genoemd. Hij had me in de zomer voor mijn vertrek naar de VS gevraagd om uit te zoeken hoeveel uitdragerijen, winkels en antiquairs in Nederlands noordelijke provincies hedendaagse traditionele kunst verkochten: recent geschilderde schilderijen in olieverf, meestal landschappen, zeegezichten en vaak gepresenteerd in goudgekleurde, stevige lijsten. Zijn vraag was, anachronistisch geparafraseerd: ‘Hoeveel geld gaat er in Groningen, Friesland en Drenthe om in de verkoop van kunst à la Bob Ross?’

Zoals het ging met nieuwe Engelse woorden die ik destijds leerde: na het zien van het bidprentje in de portemonnee van Teds moeder kwam ik de afbeelding overal tegen, in allerlei maten. Achter het bureau van een docent, in de gang van het admissions office, zelfs aan de muren van meisjeskamers. De oplage van dat ene Jezus-portret moet in de miljoenen hebben gelopen.

Dat blijkt inderdaad te kloppen. Nu, 31 jaar later, ben ik op zoek gegaan naar de geschiedenis van deze populaire Jezus. Lang verhaal kort: de kunstenaar van het portret, Warner Sallman (1892-1968), schilderde het in 1940, vrij naar een fragment uit een negentiende-eeuws schilderij van de Franse kunstenaar Léon Lhermitte (1844-1925). De ymca en het Amerikaanse Leger des Heils gaven tienduizenden christelijke soldaten een reproductie van het werk mee, formaat pasfoto, om bij de hand te hebben in hun strijd tegen de goddeloze Duitsers en Japanners. Na de oorlog kwamen er campagnes om het prentje verder te verspreiden, vooral vanuit de staat Oklahoma. Sallmans Jezus ontpopte zich tot de Christus van de Koude Oorlog, de visualisatie bij uitstek – voor Amerikanen – van het verbond van katholieken en protestanten tegen de atheïstische Sovjet-Unie. De pogingen om Sallmans hoofd als bidprentje te verspreiden (projectnaam: A Christ in Every Purse) kreeg steun uit de hoogste kringen. President Eisenhower zette zijn gewicht erachter. Later zou Lyndon Johnson poseren naast een reproductie van het schilderij.

Dat betekende allerminst dat kunstliefhebbers overtuigd waren. Zij zaten in het kamp van mijn ouders, waarvan één een kunsthistoricus. Kitsch, was hun oordeel. Een criticus verkneukelde zich over de wel heel helder blauwe ogen van de Jezus van Sallman, wiens ouders uit Scandinavië kwamen. Een ander sprak minachtend van ‘a Swede with a suntan’ (een gebruinde Zweed). Maar de motor achter het succes was meer politiek dan esthetisch van aard, al kan het een nauwelijks los worden gezien van het ander. Daarbij ging het overigens vooral om binnenlandse politiek. Midden in de heksenjacht van senator Joseph McCarthy (uit Wisconsin) op Amerikaanse communisten verwoordde een protestantse zakenman, Carl Duning, zijn steun voor de campagne ter verspreiding van de bidprent op tekenende wijze: ‘We gaan alle card-carrying communisten tegenwicht geven’, zei hij, ‘met card-carrying christenen.’ Daarna was de opmars niet meer te stuiten en zeventig jaar na de creatie van Sallmans Jezus waren er van het beeld – copyright Warner Press – meer dan zeshonderd miljoen reproducties verkocht, als we klokken en kalenders meerekenen. Deze Jezus was een winnaar. Theologen spreken wel van de Sallman Head.

een reproductie van Warner Sallmans Christus-portret uit 1940, omhooggehouden tijdens een dienst voor de slachtoffers van een aardbeving. Port-au-Prince, Haïti, 2010 © Mario Tama / Getty Images

Sallmans Jezus-visualisatie is natuurlijk allesbehalve nieuw. Ze bevestigt het beeld van de verlosser zoals dat zo’n beetje sinds de twaalfde eeuw in Europa had postgevat. Sallman heeft dat standaardbeeld misschien alleen nog iets verzacht, versuikerd zo je wilt. Bob Ross zou zijn Jezus wellicht ‘a little friend’ hebben genoemd. De kunsthistoricus zou eraan kunnen toevoegen: ‘Hij is niet majesteitelijk, maar nederig, de stijl schatplichtig aan Amerikaanse reclames uit die tijd.’

Historici denken dat Jezus’ fysiek onaanzienlijk was. Een indrukwekkende verschijning, zo is de gedachte, dat zouden tijdgenoten hebben vastgelegd

De populariteit van het beeld heeft er in Amerika voor gezorgd dat het nagenoeg onmogelijk is om een Jezus ten tonele te voeren die te ver afwijkt van dit lijzige, tikje esoterisch ogende hoofd: een man met een vlassig baardje, sluik haar en amandelvormige ogen. Zie Ted Neeley in de Hollywood-verfilming van de rockopera Jesus Christ Superstar. Zie de Jezus uit allerhande kinderbijbels. Kunstcritica Wieteke van Zeil noemt de geijkte Jezus in haar dit jaar verschenen boek Altijd iets te vinden een ‘Kaukasische proto-hippie’. En zo is het. Goed, de kaak kon nog wat hoekiger dan bij Sallman, zo bleek toen Mel Gibson in 2004 acteur Jim Caviezel aan het kruis liet spijkeren in het langdradige The Passion of the Christ. Maar Paul Verhoeven was vast op een muur van onbegrip gestoten als het hem was gelukt wat hij wilde: een film over het leven van Jezus maken met Arnold Schwarzenegger in de hoofdrol. Kleine indicatie van dat voorspelbare onbegrip is de opwinding die ontstond, op het wereldwijde web, over een foto van Christus met het torso van een bodybuilder in een beeldentuin in Yeongcheon, Zuid-Korea. In spierwit steen en opgepompt hangt hij daar niet aan het kruis, hij lijkt zich eraan op te trekken.

Met Schwarzenegger zou Verhoeven het Christus-beeld wel meer in lijn hebben gebracht met het ideaal van tieners in de Midwest, zoals van mijn roommate Ted en zeker van zijn broer, destijds een marinier. In Racine’s William Horlick High School zou iemand met de trekken van Sallmans Christus waarschijnlijk als ‘homo’ van het schoolplein zijn verjaagd. Beweerde Ted. Maar hij zei ook: ‘Hé, Dutchy, het gaat hier wel om Jezus hè? Niet je average Joe uit de klas.’

Vraag is natuurlijk: waar komt de Kaukasische proto-hippie vandaan? Niet uit de werkelijkheid, zoals zelden het geval is met krachtige beelden die eeuwen meegaan. Dat weten we omdat er nogal wat onderzoek is verricht naar de historische Jezus, een man waarvan historici aannemen dat hij inderdaad heeft bestaan. De wetenschapper Joan E. Taylor, met een leerstoel christelijke oorsprong aan King’s College in Londen, heeft zich daarbij in What Did Jesus Look Like uit 2018 expliciet op zijn uiterlijk gericht. Ze komt tot de conclusie dat de man die al eeuwen voor miljoenen mensen de belofte van verlossing in zich draagt waarschijnlijk leek op de joden die tot enkele jaren geleden in Irak woonden. Zijn haar was kort, beweert Taylor. Misschien droeg hij een baardje – maar zeker geen lange baard. En net als orthodoxe joden vandaag de dag droeg hij vermoedelijk een witte onderjurk, een zogenoemde talliet, met minstens vier tsietsiet eraan, witte kwastjes die joodse mannen herinneren aan hun religieuze plichten.

Taylor gebruikt de woorden ‘rough’ en ‘scruffy’ om de historische heiland te beschrijven. Ze baseert zich op indirect bewijs, onderstreept ze zelf, omdat Jezus’ tijdgenoten nooit iets over zijn uiterlijk hebben geschreven. Eén evangelist, Johannes, heeft het over zijn voeten. Die zagen eruit als ‘fijn koper wanneer dat in een oven gloeit’ (Openbaring 1:15), maar dat is het dan.

Juist vanwege het ontbreken van beschrijvingen denken historici dat Jezus’ fysiek onaanzienlijk was. Een indrukwekkende verschijning, zo is de gedachte, dat zouden tijdgenoten hebben vastgelegd. Of anders Paulus wel, in zijn brieven. Want juist in hun tijd was het gangbaar om hoog op te geven van het uiterlijk van profeten of indrukwekkende leiders. Behalve dan, vermoedelijk, als dat al te zeer vloekte met de werkelijkheid.

Theologen vinden, op hun beurt, deze onaanzienlijkheidsthese aantrekkelijk omdat het de bijbelse logica versterkt. Waarom anders moest Judas zijn geestelijk leidsman in Gethsemane aanwijzen? Zonder Judas’ kus konden de mannen die hij had meegenomen kennelijk onmogelijk zien wie de leider was van het groepje in de tuin. Een onaanzienlijk uiterlijk vervult bovendien de profetie van Jesaja. Enkele eeuwen voor Christus’ geboorte stelde de profeet dat het uiterlijk van de Messias ‘noch zijn schoonheid’ het ‘bekijken waard’ zou zijn. In de Willibrordvertaling (Jesaja 53:2) is hij ‘geen verschijning die bewondering wekt’.

Het duurde lang voor Jezus het dromerige tiepje van Sallman werd. Aanvankelijk bleef hij in talloze streken zelfs eeuwenlang geheel zonder uiterlijk, omdat vroege Christenen het beeldverbod serieus namen. Ze verbeeldden Jezus daarom slechts als teken. Als een visje, oftewel het Ichtus-teken, of als anker, soms ook wel als pauw (randgevalletje). In de vroege vierde eeuw kwam keizer Constantijn met het zogenoemde Chi-Rho-symbool, die P waar een X doorheen loopt, de eerste twee letters van het Griekse woord voor Christus. Als Jezus al als mens werd afgebeeld, dan vaak als inwisselbare herder, met een schaap op zijn schouders, meestal gladgeschoren en met kort haar, helemaal in de stijl van de antieken. Vraag is wel of mensen dit als de historische Jezus opvatten. De consensus onder oud-historici is dat ze zo’n figuur als ‘symbool’ zagen voor ‘de goede herder’. Concurrerende theorie: het ging om de herder van Hermas, naar een populair literair werk uit de tweede eeuw.

Gnostici uit diezelfde tijd gingen nog verder en beweerden dat Jezus een kameleon was, iemand die elk gewenst uiterlijk kon aannemen. Hoe was het anders mogelijk dat twee van zijn discipelen hem bij Emmaüs niet hadden herkend? (Maar van gnostici hebben we niet veel meer gehoord, omdat ze al spoedig werden vervolgd.)

En dan is er in Ravenna natuurlijk die fascinerende grote Jezus in de Sint-Andreuskapel. Een man die als strijder, of zelfs als Romeinse keizer, tussen 99 vogelsoorten een leeuw en een slang vertrapt. Zonder baardje, in militair gewaad. Het mozaïek is van rond de vijfde eeuwwisseling. De man heeft iets van Schwarzenegger, niks van de Sallman Head. Hoe heeft die laatste dan toch gewonnen? Dat heeft te maken met het Byzantijnse mannelijke schoonheidsideaal uit grofweg de vijfde tot de tiende eeuw. Dat bepaalde daar het beeld van de verlosser, en historici menen dat in het oosten van de christelijke wereld het pleit al in de zesde eeuw zo’n beetje was beslecht: Jezus had standaard een vlassig baardje, donkerblond haar en een lijzig hoofd, lang en dun. In het westen dook hij nog tot zeker in de twaalfde eeuw gladgeschoren op, maar daarna was het klaar. De Byzantijnse Christus sloeg de klok.

Tot het Laatste Oordeel zullen schoolklassen, op bezoek in het Vaticaan Museum, kakelen van ongeloof als hun gids ze Christus in 'Het laatste avondmaal' aanwijst

Kortom, de standaardisering, of Europeanisering, van het Jezus-beeld is een langdurig proces geweest. Tegelijk bleek ze onomkeerbaar. Toen Michelangelo in 1541 in de Sixtijnse Kapel Christus als een gladgeschoren krachtpatser schilderde kreeg hij, ondanks zijn roem, geen navolging. Tot het Laatste Oordeel zullen schoolklassen, op bezoek in het Vaticaan Museum, kakelen van ongeloof als hun gids of leraar ze de Christus-figuur in Het laatste avondmaal aanwijst (en iets murmelt over de klassieken als voorbeeld).

Niet ver van de kapel in het Apostolisch Paleis ligt bovendien het bewijs voor veel katholieken dat de Byzantijnse Jezus de echte is. Het is een doek, bewaard in een beeld van de heilige Veronica. Met die doek wiste de heilige Veronica het zweet en bloed van Jezus’ hoofd toen ze hem, zeulend met zijn kruis, voorbij zag komen op de Via Dolorosa. In sommige versies van het verhaal nam deze christen uit Jeruzalem zijn hoofd zelfs even in haar armen, een korte onderbreking in de lange weg die hij ging, lijdend voor de mensheid, op weg naar Golgotha.

De naam van de heilige weerlegt alle mogelijkse scepsis. Veronica is een spel met de woorden ‘vera’ en ‘icon’, oftewel ‘waar beeld’. Eeuwenlang heette de doek daarom simpelweg ‘de Veronica’, de non-fictie bij alle fictie. De factcheck. Kunstenaars als Albrecht Dürer maakten er talloze afbeeldingen van. Begrijpelijk, want hier ging het om niets minder dan het ‘ware’ gezicht van Jezus Christus. En dus versteende het beeld van de verlosser in de late Renaissance, hoe zacht ook zijn gelaatstrekken.

een portret van Jezus. Kinshasa, Democratische Republiek Congo, 2010 © Rachel Corner

Alleen in verre uithoeken van de wereld doken nog Christus-figuren op met andere trekken dan die van Veronica, Sallman en de EO-kinderbijbel. Bekende voorbeelden komen uit Ethiopië, Korea, China en uit koptische kloosters in Egypte. Tegenwoordig ook uit West-Afrika en Haïti. Op al die plaatsen is de Jezus omgebogen naar gelijkenis van de gelovigen, al is hij in Korea een Aziatische man mét vlassig baardje en soms ook lang haar. Dat is niet onmogelijk, wel ongewoon. (Tegelijk: zo gewoon was de ‘Swede with a suntan’ ook niet in het Amerika van Teds moeder.) Verder schilderen Polen sinds de visioenen van de non Faustina Kowalska in de jaren dertig van de twintigste eeuw steeds vaker een Jezus die vanuit zijn hart twee kleurbundels de wereld in stuurt: eentje rood en eentje wit, de kleuren van de Poolse vlag. Zo had Jezus zich immers aan haar geopenbaard.

Postmoderne wetenschappers geven hoog op van deze verscheidenheid (joepie, een gecontextualiseerde Jezus). Toch valt ze tegen. Regionale verschillen bestaan, maar zijn niet spectaculair. Niet elke regio heeft zijn eigen Christus; Byzantium, Veronica en Sallman zijn maatgevend. Het beeld van Jezus is een product van globalisering. Of misschien is het beter om ‘glocalisering’ te zeggen, een lelijke term die bedrijfskundigen gebruiken voor een bekende praktijk van multinationals. Om hun mondiale dominantie in stand te houden, geven ze een draai aan hun producten om in te spelen op lokale behoeftes, gewoontes en eigenaardigheden. Denk: McKroket.

Glocalisering is een marginaal gegeven in vergelijking met mondialisering of globalisering: een multinational brengt een aantrekkelijk alternatief voor een lokaal product. Vanaf het vroegste begin was de katholieke kerk hier erg goed in. Missionarissen wisten van specifieke voorouders internationaal vereerde heiligen te maken. Inmiddels weten evangelisch aangedreven protestanten ook wat ze doen. Zo neemt het verzet tegen zwarte Christus-visualisaties binnen beide geloofsgemeenschappen snel af. In een zeer gelovig land als Ghana is, in schilderingen, een zwarte Jezus zelfs standaard en ook gelovigen in Nederland namen geen aanstoot aan, bijvoorbeeld, Dwight Dissels, een zwarte zanger die als Jezus optrad in het jaarlijkse EO-megaspektakel The Passion. (Limburgers namen overigens een paar jaar daarvoor nog wel aanstoot aan een Marokkaanse Nederlander als Jezus, in de Passiespelen van Tegelen.)

De theologische onderbouwing is helder: als Jezus aan de kant van de onderdrukten stond, is het logischer hem als zwart dan als wit af te beelden. Maar macht doorkruist logica. Regisseur Spike Lee liet dat zien met een prominente Sallman Head in Jungle Fever (1981). Om de macht te breken riep de burgerrechtenactivist Shaun King deze zomer op om alle beelden ‘die Jezus tonen als Europeaan’ weg te halen, samen met de standbeelden van generaals en soldaten uit het zuidelijke leger in de Burgeroorlog. Probleem is wel, voor King en anderen die wijzen op het ‘beschadigende effect’ (King) van witte Christus-figuren, dat vele zwarte gelovigen hechten aan de Jezus-figuur zoals kunstenaars als Sallman die in het nationale bewustzijn hebben geëtst. Dat geldt voor voor- én tegenstanders van een zwarte Christus. Zoals de zwarte theologe Anthea Butler, die onlangs zei: ‘Sallmans Jezus was de Christus die je zag in zwarte Baptistenkerken.’ Wis zo’n ingesleten beeld maar eens uit.

Voor de Christus van Kerstmis maakt het niet veel uit. Door het renaissancistische verlangen naar waarheidsgetrouwe weergaves is het kindeke Jezus met de eeuwen een steeds realistischer ogende baby geworden – en gebleven. Rafaël, Rubens, Rembrandt; ze schilderden mooie maar tamelijk inwisselbare baby’s. (Alleen in de ogen van ouders zijn baby’s uniek.) Deze piepjonge Jezus-figuren zullen weinig problemen opleveren voor Taylor en andere wetenschappers die op zoek zijn naar de historische Christus. Een boreling uit het Midden-Oosten verschilt uiterlijk niet spectaculair van eentje uit Italië of Duitsland, al zal de kans klein zijn dat het kindje in de stal van Bethlehem met blauwe ogen naar de wereld keek. Een ‘Levantijnse Semiet’ noemt Taylor hem.

Maar er is nog iets met Jezus als baby. Zo’n schattig kleintje vraagt weinig van het geloof, net als het hele kerstfeest het geloof niet echt op de proef stelt. We vieren de geboorte van een man die later bijzondere dingen gaat doen. Oké. Natuurlijk, deze baby draagt in zich de belofte de mensheid te verlossen, maar dat komt pas met Pasen. Dan wordt hij vermoord én staat hij weer op, een gebeurtenis die op zijn zachtst gezegd wel iets vraagt van gelovigen. Een lief baby’tje… zijn komst op aarde vieren is eenvoudig.

Eigenlijk is dat jammer. Gelukkig bestaan er afbeeldingen van het Christus-kind die wel serieus geloof vereisen. Meestal zijn ze van voor de Renaissance. Te zien is een vroegrijp mannetje, met de afmetingen van een baby, die op eigen kracht rechtop staat in de schoot van Maria. Hij houdt zijn rechterhand de lucht in, zijn wijsvinger majesteitelijk omhoog. De kleine Jezus kijkt je recht aan, om zelfbewust aan te kondigen dat hij het is: koning der koningen. Let maar op.

Kun je geloven dat zo’n tafereel heeft plaatsgevonden? Zo jong nog, en dan zo’n gebaar? Met Sallmans Swede zou je een kaartje kunnen leggen, ik geloof heus dat z’n proto-hippie heeft rondgelopen. Maar zo’n mini-mannetje, dat is een eng wezen. Een geval uit dromen. Alleen wie echt gelooft, knielt voor hem.