God in China - Hoe de kruisen verdwenen uit Wenzhou

‘Jezus, we hebben u nodig!’

In de miljoenenstad Wenzhou – ‘China’s Jeruzalem’ – ondergaan protestanten de onderdrukking door de autoriteiten lijdzaam. ‘Wij zijn de zwakke kant, en zij zijn de sterke.’

Medium hh 20899360

‘Jezus, we hebben u nodig!’ De knielende man roept het met dichtgeknepen ogen. Om hem heen klinken instemmende geluiden. ‘Halleluja!’ Na een uur psalmen zingen is de gemeente nu op de knieën gezakt, en zit omgedraaid, met de onderarmen op bankjes. Achter hen, boven het altaar, hangt een vlammend rood kruis.

Op deze zondagochtend zitten er om acht uur slechts enkele tientallen ouderen in de bankjes – mannen rechts en vrouwen links. Dat hoort zo, legt iemand later uit, niemand weet waarom. De vrouwen bladeren driftig in beduimelde psalmenboekjes. Het ene na het andere lied wordt vibrerend gejubeld. Twee microfoons zijn uitgedeeld, één aan een vrouw en één aan een man met een opvallend zware bas.

In de kerk hangt dat eerste uur op zondag een ongedwongen sfeer. Een vrouw staat halverwege een lied op om te kletsen met een vriendin die een paar bankjes verderop zit. Een bezoeker rochelt even stevig, staat rustig op, begeeft zich naar een mintgroene prullenbak in het zijpad en deponeert de fluim erin. Steeds meer mensen wandelen binnen. Jongeren, ouders met kinderen, vrouwen in smaakvolle jassen, met hoeden en fleurige handtasjes, steken af tegen de donker geklede mannenhelft. Het hoogtepunt van de dienst moet dan nog komen.

Gezien vanaf de snelweg die rond en door de stad loopt, voldoet Wenzhou op geen enkele manier aan de verwachtingen die de geuzennaam ‘China’s Jeruzalem’ wekt. Nergens een kerktoren te zien. Landinwaarts wordt de stad aan drie zijden begrensd door de heuvels van Zhejiang, aan de oostkant ligt de zee. Tegen uitlopers van de heuvels en de pijlers van de snelweg zijn moestuintjes aangelegd. Wenzhou is een ‘zakenstad’ – al noemt bijna iedere miljoenenstad zich tegenwoordig zo. Van de ruim negen miljoen inwoners van de prefectuur Wenzhou is zo’n elf procent, één miljoen mensen, christelijk. Het is daarmee de stad met de grootste concentratie christenen in China. Maar dat betekent niet dat het er goed geloven is.

In Wenzhou zijn de afgelopen jaren zo’n driehonderd kruisen van kerken gesloopt, en er zijn enkele tientallen kerken met de grond gelijk gemaakt. Het meest tragische geval: de Sanjiang-kerk, die na jaren nét opgeleverd was, meer dan 3,5 miljoen euro had gekost en plaats moest bieden aan drieduizend gelovigen.

Net als de andere gesloopte kerken zou de protestantse Sanjiang-kerk niet voldoen aan bouwvoorschriften die zijn aangescherpt na de verwoestende aardbeving in Sichuan, in 2008. Volgens de autoriteiten werd er tot juli 2014 1,3 miljoen vierkante meter illegale bebouwing weggehaald die gebruikt werd voor religieuze doeleinden. Daarvan zou slechts 2,3 procent een christelijke signatuur hebben. Zulke cijfers zijn even onbetrouwbaar als oncontroleerbaar. Bovendien verklaren ze niet waarom er ook zoveel kruisen moesten wijken. Ook de leden van de Christus-kerk in Shangcai, in het Wenzhouse district Ouhai, zingen, preken en bidden onder een koepel waarop het kruis schittert door afwezigheid.

Volgens sommigen probeert de regering de opmars van het christendom in China een halt toe te roepen. Anderen zeggen dat het gaat om de zichtbaarheid van de kerk in het straatbeeld. Niemand weet het precies, al liggen een aantal verklaringen voor de hand. De regering in Peking keurt de campagne in ieder geval goed: Chen Yixin, de partijbaas die naar verluidt een leidende rol speelde in de anti-kruisencampagne, kreeg eind 2015 een nieuwe baan als adviseur van president Xi Jinping. Voor iemand die geen ervaring heeft buiten de provincie Zhejiang is dit overduidelijk een beloning voor bewezen diensten.

Het protestantisme is sinds de jaren zeventig een geaccepteerd geloof, mits de gemeente lid is van de door de staat erkende Drie Zelf Kerk, de officiële protestantse staatskerk die de regering in staat stelt te controleren wát Chinezen geloven. Hetzelfde geldt voor het katholicisme, dat alleen legaal is als het beleden wordt in de officiële Chinese Patriottische Katholieke Vereniging.

In werkelijkheid is het christelijke landschap echter zeer onoverzichtelijk. Sommige kerkgangers gaan zowel naar een ‘officiële kerk’ als naar een ‘ondergrondse’. Van de kerk in China bestaat bij de buitenwereld een ingewikkeld beeld. Regelmatig verschijnen er berichten in westerse media over onderdrukte christenen, en toch zijn in Shanghai op de avond van Eerste Kerstdag de kerken versierd met lampjes, kerstbomen, kransen, sterren en kerststallen.

Het geloof als een cultureel fenomeen, daar is de regering alleen maar voorstander van. Neem het boeddhisme in Tibet en de islam in Xinjiang: van de tradities, de klederdracht en de feestdagen wordt met fotoreportages uitgebreid verslag gedaan in de staatskranten. Het mag allemaal, zolang het maar leuk blijft. Vooral wanneer het op organisatie aankomt, heeft de regering het er moeilijk mee. Hoe kun je een religie accepteren als er geen afspraken mee te maken zijn? Wie heeft de leiding? De centrale regering in Peking laat de banden met geloofsgemeenschappen over aan de provincies. Zo kwam het dat er binnen de provincie Zhejiang, waar het christendom floreert, verschillend met geloofsgemeenschappen wordt omgegaan. Waar de autoriteiten het kruis van de grote, beroemde rotskerk in Hangzhou kwamen weghalen, mocht het kruis van een andere kerk blijven staan. In Wenzhou werden kruisen van zowel Drie Zelf Kerk-kerken als clandestiene kerken gesloopt.

De Sanjiang-kerk, die nét opgeleverd was en 3,5 miljoen euro had gekost, werd met de grond gelijk gemaakt

Als de liederen voorbij zijn, neemt een man met een zwarte bodywarmer plaats op het spreekgestoelte. Hij begint te praten, en houdt pas een uur later weer op. De vrouwen in de bankjes maken driftig aantekeningen in hun zondagse schrijfboekjes. Kinderen rennen giechelend door de gangpaden, onaangedaan door de boze blikken van een aantal oudere dames. Een van de vrouwen staat halverwege de preek op om het kind en haar moeder aan te spreken op het misplaatste gedrag.

Hier en daar wordt luid gegaapt als de pastor preekt over de geboorte van Jezus. Die geboorte, aldus de spreker, had tot doel de ‘schuldigen te redden’. Hij sluit af met ‘God zij met ons’. Dan is hij eindelijk klaar. Nog één keer wordt (in het Chinees) het Gloria in den hoge gezongen en dan begeven de bezoekers van de inmiddels bomvolle kerk zich naar de zaal op de begane grond.

De Christus-kerk ligt aan de verste rand van een wijkje naast een grote weg. Het complex is vijf verdiepingen hoog en torent boven lage huisjes uit. Rode, gele en groene vlaggen sieren de omlijsting van het dak. Het massieve gebouw is amper te herkennen als kerk.

Aan weerszijden van de binnenplaats zijn de tafels gedekt en verschijnen grote schalen met geroerbakte groenten, soep, visballetjes, noedels, varkensvlees, garnalen en harige krabbetjes. De gemeente doet zich te goed aan de gratis lunch. Jonge meisjes arriveren voor een dansclubje dat zo dadelijk op een hogere verdieping zal beginnen.

Met een stapeltje metalen bakjes in zijn hand komt Cai Congzheng, een man van middelbare leeftijd, vragen of iemand rijst wil. Hij is van de derde generatie gelovigen, vertelt hij: ‘De eerste generatie christenen mag dan misschien een reden hebben gehad om te geloven, maar ik ben de derde generatie. Wie anders kan ik geloven als ik niet in de ware God geloof?’

Samen met andere vrijwilligers komt hij wekelijks koken voor de gemeente. Cai is nauw betrokken bij de kerk en herinnert zich nog goed wat hij voelde op de dag dat het kruis van de kerk werd gehaald: ‘De regering moet wel toestemming van God hebben gekregen om het kruis, het teken van Jezus, weg te halen.’ Het is de plicht van de gelovigen om het kruis te beschermen, weet Cai. Maar hoezeer hij ook tegen de beslissing in wilde gaan, hij kan weinig anders doen dan bidden. ‘In onze harten zullen we voor altijd protesteren. Toch kunnen we de regering daar niet mee confronteren. Wij zijn de zwakke kant, en zij zijn de sterke.’

Aan tafel breekt een vrouw in een felgele jas de schaal van een krabje. Mei Chonghua is pas tien jaar christen, en ze komt iedere week om ‘bij te blijven’. De meeste leden van deze gemeente waren hier, op de dag dat de hoogwerker voorreed en het kruis werd weggehaald. ‘We konden niets doen.’ Sinds die dag is er weinig meer gebeurd, zegt Mei: ‘De regering probeert ons niet tegen te houden of zo.’

Officieel zijn er vijf erkende godsdiensten in China: boeddhisme, katholicisme, taoïsme, islam en protestantisme. Artikel 36 van de Chinese grondwet voorziet zelfs in vrijheid van godsdienst, op één kanttekening na: alleen ‘normale religieuze activiteiten’ zijn toegestaan. Dat betekent expliciet ‘geen activiteiten die de publieke orde verstoren, die de gezondheid van burgers in het geding brengen of die een inmenging betekenen in het onderwijssysteem van de staat’.

Verder dan de scheiding tussen katholieken en protestanten gaat de Chinese staat niet, en voor het gemak worden alle protestanten op één hoop gegooid: christenen. Het aantal katholieken groeide ook, maar loopt inmiddels tegen personele problemen aan. China Daily schreef in november 2015 dat China zes miljoen katholieken telt, die geleid worden door 3316 priesters. Vermoedelijk komen nog eens zes miljoen katholieken samen in ‘ondergrondse’ kerken. Dat is fors minder dan het aantal protestanten.

Het probleem is dat niet zomaar iedereen een parochie mag leiden, zegt Bas Plaisier. Hij werkte een aantal jaar voor Kerk in Actie als theologisch docent in Hongkong en bezoekt China nog regelmatig. ‘De katholieken hebben zich heel duidelijk geprofileerd als katholieken, en zijn nauw verbonden met Rome.’ Hun aantal verschilt per provincie, maar Plaisier schetst een somber beeld. ‘Er zijn betrekkelijk weinig mannen die nog priester willen worden. Mensen hebben problemen met het celibaat. Protestanten hebben een opener, meer toegankelijke manier van christen zijn: ze werken vanuit de gelovigen zelf, die samen een gemeenschap vormen.’

Welgestelde zakenlui willen hun nieuw verworven rijkdom en sociale status ook in de kerk te gelde maken

De priesters die worden opgeleid in het Nationale Seminarie van de door de overheid erkende Patriottische Katholieke Kerk in Peking hebben moeite om de lessen te volgen. Terwijl ze soms niet verder zijn gekomen dan het eindexamenniveau van de middelbare school staan de westerse, theologische boeken vol met terminologie die hun niets zegt.

Omdat het aantal priesters minder hard groeit moet één pastoor soms kilometers reizen om de mis op te dragen, en heeft hij soms meer dan vijfduizend parochianen. Dan is het protestantisme aanmerkelijk eenvoudiger, meent Plaisier: ‘Zonder priester is er geen kerk, maar bij protestanten heb je niet meer nodig dan wat mensen, de bijbel, het liedboek en de mogelijkheid om hardop te kunnen bidden. Dat sluit aan bij de wens van Chinezen om in kleine gemeenschappen iets op te zetten.’ In kleine groepen is het ook makkelijker samenkomen en heb je bovendien een grotere kans dat de autoriteiten zich er niet mee bemoeien.

Het gevaar van een miljoenenbeweging die de oren laat hangen naar een paus, in plaats van naar de Chinese president, is evident. ‘Terwijl religieuze leiders en kerkleden misschien geen intentie hebben om de partij te ondermijnen, is alleen al het idee van een dreiging voldoende voor een mogelijke confrontatie tussen de kerken en de staat’, schrijft Eleanor Albert op de website van de onafhankelijke, internationale denktank Council of Foreign Relations.

Ondanks tegenwerking van hun eigen regering kiezen toch steeds meer Chinezen voor het geloof in God. Dat zou wel eens het gevolg kunnen zijn van een morele crisis. ‘Christendom is ook een manier van leven waarin nadrukkelijk wordt gewezen op levensstijl: wat doe je voor de ander?’ zegt Bas Plaisier. ‘Het christendom wordt ervaren als het vullen van een leegte: waarom ben ik eigenlijk op aarde? Veel mensen vinden de kerk na een tijd waarin ze stuurloos waren.’

En stuurloos, dat zijn velen in China. Er werd nog nooit zo veel geld verdiend, de middenklasse blijft groeien, ook met minder dan zeven procent economische groei. Maar wat zijn die huizen, auto’s en Louis Vuitton-tassen waard als je kind ziek wordt? Het individualisme viert hoogtij. Nergens is dat duidelijker dan op straat. Automobilisten geven niemand voorrang, wanhopig loeiende ambulances wordt de weg afgesneden, en wie wordt aangereden hoeft geen hulp te verwachten van omstanders. Het communisme, dat ooit zo op collectivisme was ingesteld, is leeggezogen door corrupte leiders, die alleen iets voor je doen wanneer ze daar persoonlijk voor beloond worden.

Dat er iets moet worden gedaan om de saamhorigheid en de moraal wat aan te zwengelen, zien de autoriteiten ook wel. Via de media doen ze dappere pogingen. Zo berichtten kranten en nieuwssites in september 2015 uitentreuren over de zuster die tijdens het maken van haar trouwfoto’s op het strand geconfronteerd werd met een drenkeling. In haar blauwe jurk met roosjes zeeg ze neer in het zand en gaf ze de man eerste hulp. Heel China keek dagenlang met open mond naar de foto’s van ‘China’s mooiste bruid’ in actie. De drenkeling redde het niet, maar het nationale moreel was weer even opgevijzeld.

Dit soort acties zijn een mooie poging tot herstel van het moreel kompas, maar het is niet genoeg. ‘Het moderne China is te voorschijn gekomen als een rijkere en beter opgeleide samenleving met een hernieuwde interesse in religie’, schrijft Eleanor Albert van de Council on Foreign Relations. De verklaring van antropoloog Cao Nanlai gaat nog wat dieper. Cao doceert aan de Universiteit van Hongkong en onderzocht de christelijke samenleving in Wenzhou. Hij schreef er het boek Constructing China’s Jerusalem over, waarin hij onder meer een verband legt tussen de snelle verstedelijking en het christendom in die nieuwe steden. Waar de kerkganger op het platteland vaak een oudere, ongeletterde vrouw was, komen er in de steden steeds meer goed opgeleide, jonge mannen naar de kerk.

Urbanisatie is niet de enige reden voor de opkomst van de ‘nieuwe christen’. Geslaagde zakenmannen willen iets teruggeven aan de gemeenschap waar ze deel van uitmaken. ‘De actieve betrokkenheid van de maatschappelijk stijgende stedelijke klasse duidt binnen het kerkelijk leven niet alleen op een trend, maar op een waarschijnlijke toekomst van het Chinese christendom, terwijl China de wereldmarkt omarmt’, schrijft Cao.

Hij omschrijft hoe de handelaars uit Wenzhou overal ter wereld inspiratie opdoen en die mee terug nemen naar hun eigen gemeente. Er ontstaat een nieuw verschijnsel, meent de wetenschapper: Boss Christians. Het zijn de welgestelde zakenlui die hun nieuw verworven rijkdom en sociale status óók in de kerk te gelde willen maken. Hun donaties zorgen voor grote, nieuwe gebouwen, en automatisch nemen ze een leiderspositie in binnen de gemeente.

Tegelijkertijd vieren ze met hun aanwezigheid het pragmatisme en groeiend individualisme. De Boss Christians zoeken volgens Cao een bovennatuurlijke rechtvaardiging voor hun nieuwe rijkdom en willen graag laten zien dat ze moderne, beschaafde christenen zijn, net als hun zakenpartners in het Westen. Boss Christians vinden een nieuwe identiteit die het midden houdt tussen ondernemen, het burgerschap in Wenzhou, christendom en de nouveaux riches die ze óók zijn.

De Drie Zelf Kerk ziet dat morele vacuüm en organiseert volop projecten die erop inspelen. Zo werden er deze zomer kralenarmbandjes geregen door de leden van de Allerheiligenkerk. Met Kerstmis werden ze in een stalletje verkocht. De opbrengst (11.500 yuan, dat is 1620 euro) was voor de stichting Tainai, die in arme gebieden onderwijs- en zorgprojecten opzet. Een collecte door christenen in Shanghai leverde een half miljoen yuan (70.476 euro) op, die gedoneerd werd aan de Shanghai Charity Foundation, de grootste hulporganisatie van de stad. De stichting gaat het geld gebruiken voor hulp aan mensen met hiv of aids.


Beeld: Een zondagsdienst in een door de staat erkende Drie Zelf Kerk, de officiële protestantse staatskerk in Wenzhou, 2014 (Sim Chi Yin / NYT / HH)