JFK junior

Als jonge politicus kun je maar beter zwijgen over je voorbeelden. Helemaal als het John F. Kennedy betreft, Jesse Feras Klaver.

Iedere politicus begint als junior, de kunst is zo snel mogelijk senior te worden. Dat doe je door een paar aanvaringen te hebben, een geschaafde knie, een tand door je lip – maar niet weglopen. Blijven staan. Je doet het niet door te zeggen: als ik later groot ben, wil ik net als die-en-die zijn. Churchill, Kennedy, De Gaulle. Je vous ai compris. Je kunt alleen onder eigen vlag varen, nooit onder die van je voorbeeld. Voorbeelden zijn voor op het schoolplein.

Enfin. Dit is nu al een te onsympathieke manier om het over Jesse Klaver te hebben, en daar voel ik me vervelend over. Maar ik heb al tijden het gevoel dat GroenLinks een Jesse Klaver-probleem heeft. Ergens klopt een optelsom niet.

Die som begon in 2017. Als mijn sociale-mediabubbel representatief zou zijn geweest voor heel Nederland, dan had GroenLinks bij de Kamerverkiezingen toen zo’n 196 zetels moeten winnen. Het werden er maar veertien, wat nog steeds een knappe score van plus tien was. Maar de helft van mijn vrienden stemde met de kanttekening: ‘Maar ik heb trouwens niet per se iets met Jesse Klaver.’

Dat ze toch GroenLinks stemden was voor velen een onvermijdelijkheid. Omdat als je nu nog je stem laat bepalen door welke partij je de beste hypotheekrenteaftrek geeft, of nog erger, je het goedkoopst laat rijden, je aan de verkeerde kant van de geschiedenis staat. Het ene politieke onderwerp dat alle andere politieke onderwerpen triviaal maakt is het klimaat, en op dat gebied heeft GroenLinks de laatste twintig jaar permanent vooropgelopen.

Op nog veel meer punten heeft de partij haar gelijk gekregen – al lang waarschuwde ze voor de uitstoot van boeren, voor het kaartenhuis dat de financiële sector bleek, als geen ander pleitte ze tegen discriminatie en voor diversiteit. Eigenlijk alle grote maatschappelijke onderwerpen van nu. En hier faalt dan die optelsom: de peilingen blijven achter, het lukt de partij blijkbaar niet haar gelijk te claimen.

Alles wat je als politicus over Kennedy zegt, komt als een boemerang terug

Wat is dan het Jesse Klaver-probleem? Dat hij begin december een foto van zichzelf op Instagram plaatste met een leestip: Portretten van moed, van John F. Kennedy. Ooit raakte hij helemaal verslingerd aan dit boek, schrijft hij erbij. ‘Ik leerde hoe je via de politiek de levens van mensen écht kunt verbeteren, dat je trots mag zijn op linkse ideeën en dat ik (Jesse Feras Klaver) dezelfde initialen heb als John F. Kennedy.’

Probleem is dat het een soort wetmatigheid is dat alles wat je als politicus over Kennedy zegt, uiteindelijk als een boemerang op je voortanden terugkomt. Alles in zijn geschiedenis heeft een dubbele deur. Zijn legende is zo groot dat de werkelijkheid altijd tegenvalt. Ook Portretten van moed. De fraaie nieuwe Kennedy-biografie van Fredrik Logevall, JFK: 1917-1956 (in vertaling verschenen bij Spectrum), houdt zo’n beetje op bij Profiles in Courage. Dat is in 1956, vier jaar voordat Kennedy zijn succesvolle gooi naar het presidentschap doet. Profiles is een pleidooi voor politieke oprechtheid en idealisme, geschreven in de vorm van acht portretten van senatoren die op cruciale momenten in de Amerikaanse geschiedenis tegen hun eigen partij durfden in te gaan en hun eigen idealen volgden.

De recensies waren vrijwel allemaal enthousiast. In Boston, Kennedy’s thuisstad, werd het boek direct opgepikt als vast onderdeel van het geschiedenis curriculum op middelbare scholen. Kennedy werd ineens gefêteerd op literaire avondjes, waar hij werd gefotografeerd tussen dichters als W.H. Auden en John O’Hara. Een jaar na verschijning werd het boek bekroond met de Pulitzerprijs. Profiles in Courage verhief Kennedy van een jonge senator, schrijft Logevall, naar de status van voorvechter voor politieke integriteit. Natuurlijk inspireert het Klaver.

Het probleem met het boek kwam in het najaar van 1957, toen de politieke columnist Drew Pearson bij een populaire talkshow zei dat het boek inderdaad een hele prestatie was. Het was namelijk voor het eerst dat iemand een Pulitzer won voor een boek dat hij niet zelf had geschreven. Pearson maakte zijn aanval af met een klinkende oneliner: ‘Er is een grapje in de Senaat, sommige van zijn collega’s zeggen tegen Kennedy: “Jack, I wish you had a little less profile and more courage.”’

De Kennedy’s wilden Pearson voor vijftig miljoen aanklagen, zagen de verdachtmaking als schadelijk voor zijn presidentiële ambities – wat niet wegnam dat de verdachtmakingen klopten. Vele jaren later zou Ted Sorensen, Kennedy’s vaste speechschrijver, in zijn memoires erkennen dat hij inderdaad het boek had geschreven. Kennedy was betrokken bij de ideeën, maar Sorensen werkte er een half jaar lang aan, vaak twaalf uur per dag. Hij tekende een verklaring dat hij over zijn werk zou zwijgen, kreeg een cheque van honderdduizend dollar en werd door Kennedy bedankt voor zijn ‘onschatbare hulp’.

In principe hoeft deze kennis geen afbreuk te doen aan het boek. Een boek kan inspirerend zijn ongeacht wie het geschreven heeft. Maar Kennedy deed alsof hij het had geschreven, haalde in z’n eentje die Pulitzer op, speelde de schrijver die hij niet was. En Jesse Klaver, zeventig jaar later, gelooft hem blijkbaar. Dat voelt zo junior.