Fred Papenhove publiceerde Zweep je beste been voor. Die woordspeling in de titel is een beetje ongemakkelijk. Het is moeilijk dat beste been als een zweepslag naar voren te zien komen, hoe elastisch de bezitter van dat been ook is. Het doet denken aan kindertaal en dat is het domein waar deze bundel zich in ophoudt. Papenhove’s protagonist is een kind. Dat wordt consequent volgehouden, de hele bundel lang, en dat doet even denken aan Uitzien met D, ook een serie korte gelijkvormige gedichten, waarin Mischa Andriessen een scène of zomer tussen een hoofdfiguur en D opvoert die het balkon niet af komt.

Maar Andriessen is stukken strakker in zijn taal. Fred Papenhove gebruikt in het begin van de bundel een beetje onhandig geformuleerde uitdrukkingen, als ‘het is een wolf in klotsen’. Daar staat tegenover dat er een mooie opmerking na komt: ‘geen golf ligt verkeerd’. ‘bijtmonsters’ is ook geen juweeltje van precisie, maar het is een voorstelbaar woord voor een kind. Jammer is dat bij de zin ‘oog in oog met het oordeel raak je spierwitte tanden aan’ het door dat oordeel als persoon abstract blijft en onduidelijk wordt welke of wiens tanden.

Een lastig iets in Zweep je beste been voor is dat de hele bundel in de jij-vorm is geschreven. Zoiets is een ziekte, zoals iemand ooit opmerkte. Jij is een vervelend vehikel. Bedoelt de dichter de lezer, een specifiek aangesproken persoon of toch zichzelf. Dat laatste is geen mooie vorm, ik bedacht er ooit de ook al lelijke term ‘de ver-jij-de ik’ voor. Als Papenhove naar de gebiedende wijs schiet wordt het ongemakkelijk, als een zelfaansporing. Als de je toch een ander zou zijn, hoe weet de auteur het dan allemaal zo goed wat hij over die je opschrijft. Ik doe het helaas ook vaak in het spreken, je zeggen als ik mezelf bedoel. Je kunt opvoeren dat Papenhove in Zweep je beste been voor iets anders doet: hij spreekt het kind toe, het kind dat hij geweest is, en dat noemt hij ‘je’.

Als er even een klasgenootje wordt opgevoerd, is de taal directer. Maar de juf drijft ze uit elkaar. ‘Voor je gevoel ben je niet langer blootgesteld aan grote mensen, er daalt iets vredigs neer’, is een kernachtige regel in de bundel. Het zijn snapshots, de gedichten, losse herinneringen. Later worden die meer staccato en gaan een beetje als proza klinken, wat de bundel goed doet. De volwassenen worden er niet bepaald rooskleuriger op: ‘hun adem ruikt sterker dan de vuilnisemmer.’ Een kerstboom in de kamer mist wolken boven het bos om hem te troosten - het is misschien geen prangend beeld maar past heel nauw in de kinderbeleving van de bundel. Papenhove springt van Kerst, begrafenis, voorjaarsvakantie naar buiten spelen en naar de domper van de gewenste hond niet krijgen want ‘je dwaalt teveel af van de straat’. Een onduidelijke want dubbelzinnige regel waarvan ook de je-figuur de wijsheid ontgaat. Als het sneeuwt is er een bloedspoor in de duinen. Dat is dreigend en suggestief als slotregel. Die sneeuw ‘een goudmijn om in te spelen’ noemen, klinkt weer iets te veel naar een brochure. Neemt niet weg dat Papenhove iets anders doet of in ieder geval probeert te doen dan al die duizenden inzenders van de Turingprijs die zoals Rob Schouten terecht in zijn column in Awater schrijft allemaal ongeveer hetzelfde ding lijken te doen en daarmee het begrip poëzie en de notie ervan zo doodsaai maken.

Achter in de bundel heeft Papenhove het over een vrouw ‘die zomer en winter naakt in de zee zwemt’. De je-figuur noemt haar een zeemeermin van wie de oceaan het echte huis is. Het wonderlijke is dat je in de bundel verder niets als verzinsels leest en je zo ook geneigd ben dit te geloven. Dat heeft Papenhove wel bereikt, hoezeer hij ook in het slotgedicht zijn eigen onderneming van de bundel op losse schroeven zet. Het je-kind wil niet groeien zoals ieder kind, trekt de schouderbladen naar achteren en weigert, terwijl de ouders hun gezicht tot een valse lach plooien. Toch in de gaten blijven houden, die Papenhove.


Fred Papenhove, Zweep je beste been voor. Van Gennep, 38 blz., € 17,90