Van der Laan, kind van Schaefer

‘Jij bent net zo direct als ik’

Net als leermeester Jan Schaefer kreeg Eberhard van der Laan middels blazen en boos worden zaken voor elkaar. Beiden lieten zich niet wegbluffen en waren mateloos in vrijwel alles wat ze deden. ‘Van der Laan was hard op de inhoud, maar zacht op de relatie.’

Medium hh 9774214
Januari 2011. Eberhard van der Laan op werkbezoek in Amsterdam-West © Co de Kruijf / HH

In een vergaderkamer van het stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal zitten ze, de mogelijke nieuwe collegepartners pvda, d66, cda en cpn. Het is begin juni 1978 en de gemeenteraadsverkiezingen zijn net een paar dagen achter de rug. In Amsterdam is de pvda met grote voorsprong de machtigste partij gebleven. Jan Schaefer is als lijsttrekker voor de pvda ‘teruggehaald’ uit de Tweede Kamer en heeft de verkiezingen gewonnen met de leus ‘Schaefer komt’. De andere winnaars zijn d66 en het cda, die er één of twee zetels bij hebben gekregen. De rest heeft verloren of is gelijk gebleven. Namens het cda zit fractievoorzitter Enneüs Heerma aan tafel en d66 wordt vertegenwoordigd door lijsttrekker Gerrit Jan Wolffensperger en zijn rechterhand Roger van Boxtel. Op tafel: kopjes koffie en een blikken koektrommel met kaakjes.

Tegenover Jan Schaefer zit zijn fractievoorzitter Pelle Mug, een wat klein ogende man met zwart haar en een grote bril. Formeel is Mug de baas van Schaefer. Over elke zin en komma wordt gesteggeld, want het kan niet goed zijn als het niet lang geduurd heeft. ‘Wij willen best praten over het loslaten van de portefeuille Volkshuisvesting. Dat hoeft niet zo’, zegt Mug. Schaefer pakt zijn koffiekopje en smijt dit langs Mugs hoofd. Het kopje spat tegen de muur uiteen. ‘Nu is het genoeg! Mee naar buiten jij!’ schreeuwt Schaefer. Hij staat op, zet zijn stoel hard neer en loopt naar Mug, met wie hij de kamer uit loopt, de deur dicht knallend. De achtergebleven onderhandelaars kijken elkaar vertwijfeld aan, terwijl ze het gebekvecht vanuit de gang horen.

De gangruzie gaat een half uur door, waarna de sociaal-democraten terugkomen. ‘Ik voer vanaf nu het woord’, zegt Schaefer. Mug knikt en stemt toe. De anderen knikken ook. ‘Goed. Laten we de onderhandelingen dan nu maar weer hervatten’, zegt cda’er Heerma. Zo gaat het dus in de politiek, denkt de jonge Van Boxtel. De portefeuille Volkshuisvesting blijft bij de pvda en wordt voortaan vervuld door Schaefer zelf.

De scène met het kapotgegooide koffiekopje werd mij toevertrouwd door Roger van Boxtel, die als jonge d66’er eind jaren zeventig en begin jaren tachtig op het Amsterdamse stadhuis rondliep – destijds gelegen in het Prinsenhof aan de Oudezijds Voorburgwal, waar nu Hotel The Grand gevestigd is. Het schreeuwen, intimideren en met deuren smijten was bij Jan Schaefer (1940-1994) niet ongewoon. Niet dat hij alleen maar als een hork door het leven ging, maar volgens Van Boxtel en anderen die met hem hebben gewerkt kon het er bij Schaefer behoorlijk hard aan toe gaan.

Zo ook bij Eberhard van der Laan, die als burgemeester van Het Parool de bijnaam ‘Eber de Harde’ kreeg vanwege zijn reputatie binnen de Stopera – het huidige Amsterdamse stadhuis. Net als bij Schaefer waren er momenten waarop Van der Laan middels blazen en boos worden zaken voor elkaar kreeg. Een goed voorbeeld van zo’n explosieve situatie ervoer Petra Nijmeijer, een van zijn trouwste ambtenaren. Nadat hij het idee voor de Top600 had gelanceerd – een integrale aanpak voor het decriminaliseren van de zeshonderd meest criminele Amsterdammers – ging hij onder meer met haar aan de slag. In het begin vergeleken Nijmeijer en de mensen van het Openbaar Ministerie de Top600 met een experiment in Amsterdam-Zuidoost dat zij eerder hadden opgezet, maar dit kon het enthousiasme en de verbeeldingskracht van Van der Laan niet drukken. ‘Nee, ik verzeker je, het plan voor de Top600 is écht nieuw’, zei hij geregeld tegen haar.

Er was vaak sprake van verbaal getouwtrek tussen hen en bij Nijmeijer groeide het gevoel dat de burgemeester haar geen ruimte gaf. Na verloop van tijd ontaardde dit tijdens een stafvergadering in een verbale explosie, waarbij een collega het voor haar opnam. Van der Laan ging staan en zei tegen de collega: ‘Nee! Jij hoeft niet tussen ons te bemiddelen, want tussen ons zit het wél goed!’ Nijmeijer kreeg de wind van voren en kreeg te horen dat ze ‘echt moet luisteren nu!’ Pas later in de week zocht Nijmeijer Van der Laan op, ze was rustig maar wel boos. ‘Je kunt de burgemeester zijn, maar bij mij heb je een grens overschreden. Ik wil geen ambtenaar worden die telkens met een kramp in de maag zit. Het enige wat ik wil is jou zo goed mogelijk informeren en adviseren. Als jij A beslist, gaan we dat doen. Maar ik moet wel de ruimte krijgen om B te beargumenteren’, zei ze.

Van der Laan durfde zijn baas tegen te spreken en gaf tegengas bij diens ochtendhumeur. Schaefer vond dat leuk

Daar keek Van der Laan van op. Hij zei: ‘Jij bent net zo direct als ik. Daarom praat ik soms tegen jou alsof je mijn buurvrouw bent. Ik vind het prima als je zo terug doet, want we zijn gelijkwaardig.’ Nijmeijer: ‘Jij bent hier de burgemeester en ik ben hier de ambtenaar. We zijn wel gelijkwaardig als persoon, maar niet in functie. Ik zal altijd zeggen wat ik vind, maar nooit op een manier zoals jij dat in die vergadering tegen mij hebt gedaan.’ Van der Laan: ‘Dit was niet oké van me. Ik hoor dit wel vaker van mensen en vind het fijn als we dit soort dingen kunnen bespreken.’ Er volgde geen excuus, maar de lucht bleek geklaard en het moment veranderde in een dialoog over alle plannen die ze nog met de Top600 hadden. Achteraf ervoer Nijmeijer de botsing en toenadering als ‘een kantelmoment’ waardoor de samenwerking gesmeerder ging lopen. Ze bleven pittige discussies voeren, maar het werd nooit persoonlijk. Er werd ook veel gelachen. De ambtenaar had het idee dat ze zich eerst bij Van der Laan inhoudelijk had moeten bewijzen en dat de onenigheid nodig was om hem beter te leren kennen. Hij was hard op de inhoud, maar zacht op de relatie.

Het aanbieden van excuses was niet altijd de sterkste kant van Van der Laan en ook zeker niet altijd van Jan Schaefer. Volgens ingewijden gebeurde dit bij hen mondjesmaat en als het al gebeurde, was het enigszins voorzichtig. Schaefer was een man van de straat, iemand uit een middenstandsmilieu van banketbakkers die zich als ‘ongestudeerde’ moest bewijzen in de politiek waar universitair geschoolden zich manifesteerden. Mogelijk verklaart dit deels zijn emotionele gedrag waarbij er intimidatie aan te pas kwam. Immers, jezelf kwetsbaar opstellen kan je politieke status verzwakken en is dus een risico voor je positie – jezelf niet kwetsbaar kunnen opstellen is overigens iets waar veel politici last van hebben.

Tegen ambtenaren kon Schaefer in zijn wethoudersjaren (1978-1986) bikkelhard zijn: wie niet op zijn niveau meedraaide kreeg er verbaal van langs. Sommigen duwden terug, zoals directeur Jan Nieuwenweg van de dienst Bouw- en Woningtoezicht. ‘Als je nu een stropdas had gehad, had ik je over het bureau getrokken’, zei hij tegen Schaefer tijdens zijn eerste kennismakingsgesprek, waarna de twee jarenlang uitstekend door een deur konden.

De jonge Van der Laan werd in 1982 gepolst of hij tijdelijk assistent van Schaefer wilde worden; diens vaste assistent, Frans van de Ven, wilde zijn proefschrift afronden. Van der Laan parkeerde zijn rechtenstudie aan de Vrije Universiteit en ging voortaan dagelijks naar het stadhuis om Schaefer te dienen. Schaefer kende de twintiger al uit de pvda en zag hem als een soort leerling. Al op zijn eerste werkdag riep de politicus de nieuwe assistent bij zich, vijf minuten voor een moeilijke vergadering. Hij moest weg en vroeg zijn jonge partijgenoot voor hem in te vallen en het besluit te nemen om vijfhonderd verkrotte woningen te laten slopen. ‘Doe het’, zei Schaefer, waarna Van der Laan de vergaderkamer in liep en het besluit in zijn plaats nam.

Vooral schrijven werd een belangrijke taak voor Van der Laan. Zijn baas was licht dyslectisch en dicteerde zijn stukken graag aan zijn assistent. Ook moesten dikke nota’s worden samengevat tot één A4’tje. Daarnaast waren er vergaderingen met onder meer de wethouders en hun assistenten. Op Schaefers kantoorkamer praatten de twee veel met elkaar. ‘Je moet dit vak leren. Als jij later daar zit moet je het goed doen’, zei hij, terwijl hij naar zijn eigen bureaustoel wees. Het vertrouwen dat hij uitstraalde, stimuleerde Van der Laan om nog beter zijn best te doen. Op een gegeven moment had zijn baas genoeg geloof in hem en mocht hij vaker als zijn plaatsvervanger aanschuiven bij de vergaderingen. Dat moest ook wel, want Schaefer had suikerziekte waardoor hij niet de hele dag op topniveau kon functioneren. Tijdens vergaderingen ging hij staan zodat het bloed beter doorstroomde en soms lag hij zelfs op de grond of op een bankje. De komst van Van der Laan in de vergaderingen bracht iets teweeg: een aantal wethouders en assistenten had het gevoel met een nieuwe wethouder te maken te hebben, onder meer omdat de vervanger van Schaefer overal serieus bovenop bleek te zitten. Hij had veel kennis en was niet bang om mee te discussiëren met de wethouders. Dit wekte zowel wrevel als bewondering op.

In collegevergaderingen was Schaefer dominant aanwezig en vulde hij figuurlijk een groot deel van de ruimte. Aan het einde van de middag was hij meestal niet te genieten omdat hij dan last had van zijn suikerspiegel. Door zijn mentale gebruiksaanwijzing hadden ambtenaren en collega’s soms moeite om met hem om te gaan. Ze waren onder de indruk van zijn straatvechtersmentaliteit en lieten zich dus geregeld intimideren. Wethoudersassistent Van der Laan liet zich niet wegbluffen. Hij durfde zijn baas tegen te spreken en gaf tegengas bij diens ochtendhumeur. Schaefer vond dat wel leuk, want er waren maar weinig mensen die hem durfden te tarten. Vol overgave liet hij aan zijn jonge assistent zien ‘hoe politiek maken moet’. Zo vertelde hij dat je eerst draagvlak moet creëren onder de bevolking voordat je beleid uitvoert. Samenwerken met bewoners was zijn devies. ‘Wil je tien problemen tegelijk oplossen, dan heb je er elf. Begin gewoon bij de eerste twee, los die op, en schep zo draagvlak om probleem drie en vier aan te pakken.’

‘Die Van der Laan kenden wij eerst niet, maar we waren erg blij dat hij onze zaak in stapte. Cohen is hier nooit geweest’

Van der Laan knoopte het in zijn oren en zag dat de aanpak van de wethouder werkte. Dat kwam onder meer door de heldere communicatie van Schaefer. Als voormalig banketbakker had hij geleerd hoe hij zijn taartjes in de etalage moest zetten. ‘Begin de stadsvernieuwing op de hoek van de straat. Dan zien de mensen in twee straten dat de vernieuwing op gang komt’, zei hij tegen Van der Laan. Die kreeg vertrouwen in ‘de kracht van de samenleving en de voortrekkersrol die de overheid soms kan hebben’.

Namens Schaefer ging hij ook de stad in. Op de Oostelijke Eilanden, een volkswijk, speelde in 1982 een discussie over saneren of renoveren. Van der Laan kwam op inspraakbijeenkomsten in wijkcentrum Kattenburg, waar hij in debat ging met boze bewoners. Buurtactiviste Marie Altelaar beklaagde zich na afloop: ‘We hebben er een tweede Jan Schaefer bij.’ Door anderen werd hij ‘het kind van Schaefer’ genoemd. Op het stadhuis werd Van der Laan ook als de kleine Schaefer gezien. Hij werkte hard en werd ervaren als hyperactief, mensen die het daar moeilijk mee hadden kregen nauwelijks de gelegenheid om bij te komen, omdat Van der Laan er dan juist een schepje bovenop leek te doen.

Toen Van de Ven was teruggekeerd en Van der Laan zijn rechtenstudie hervatte, bleven leermeester en gezel, die elkaar ‘Bolle’ en ‘Eppie’ noemden, contact houden. Begin jaren negentig, toen Van der Laan raadslid en fractievoorzitter van de pvda werd, werkten de twee opnieuw samen. Schaefer was inmiddels geen wethouder meer en had de landelijke werkgroep ‘sociale vernieuwing’ zonder groot succes geleid – minister Ien Dales van Binnenlandse Zaken draaide de werkgroep de nek om – maar in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 werd de oude rot door Van der Laan mede ingezet om een banenplan te schrijven. Onder meer met dit plan voor gesubsidieerde banen won Van der Laan de verkiezingen tegen alle verwachtingen in. Schaefer maakte deze overwinning niet mee. Hij overleed op 30 januari 1994 op 53-jarige leeftijd aan de gevolgen van zijn suikerziekte. ‘Liever woest veertig, dan lullig tachtig’, was een uitspraak van Schaefer. Tijdens de begrafenis was Van der Laan een van de kistdragers.

Eberhard van der Laan werd vast ook geïnspireerd door de directe mensentaal die Jan Schaefer bezigde en de manier waarop hij zich met ‘gewone’ burgers wist te verstaan. De gewezen wethouder had dit in zijn jeugd meegekregen in de Amsterdamse volkswijken en had als voortrekker van zijn Werkgroep De Pijp veel ervaring opgedaan met het spreken met gewone mensen over heikele politieke onderwerpen. Ooit was hij lid van de Communistische Partij Nederland (cpn) en eind jaren zestig werd hij lid van de pvda, waarvoor hij in 1971 al in de Tweede Kamer kwam. In het parlement ontpopte Schaefer zich als een groot criticaster van toenmalig chu-minister Bé Udink van Volkshuisvesting. Toen in 1973 het progressieve kabinet-Den Uyl aantrad, werd Schaefer staatssecretaris van Volkshuisvesting. Mensen om hem heen noemden hem ‘straatssecretaris’ omdat hij vrijwel altijd op straat te vinden was om met burgers te spreken over zaken als innovatie en nieuwbouw. Het kabinet-Den Uyl viel voortijdig in 1977 en werd na een lange formatie opgevolgd door het eerste kabinet van cda-voorman Dries van Agt, waarna Schaefer terugkeerde naar Amsterdam.

Van der Laan zou dertig jaar later min of meer in Schaefers voetsporen treden als minister van Wonen, Wijken en Integratie. Eind 2008 volgde hij de geplaagde minister Ella Vogelaar op. Elke maandag trok zij het land in om een van haar ‘Vogelaarwijken’ (later ‘Krachtwijken’ genoemd) te bezoeken. Vanwege haar plotselinge vertrek en zijn snelle komst moest Van der Laan haar agenda overnemen, er stonden al veel werkbezoeken gepland. Net als Jan Schaefer ging hij dus het land in en net als zijn leermeester probeerde hij op eigen, authentieke wijze contact te maken met burgers. Zo bezocht hij in 2009 de Eindhovense krachtwijken Bennekel en Doornakkers. De minister moest een zaal vol boze Brabanders te woord staan, die met hun armen over elkaar ontevreden voor zich uit staarden. Hij toonde begrip, maar duwde ook terug waar het moest. Na afloop rookte hij buiten een sigaretje met de bewoners. Een meisje kwam op hem af om te klagen over de criminaliteit die in de wijk steeds groter werd. Van der Laan luisterde en nam haar beklag mee. Achteraf zei hij voor een tv-camera: ‘Dat was een leukerd.’

Net als Schaefer had Van der Laan al op jonge leeftijd ervaring opgedaan met de woonproblematiek. Waar Schaefer zich in de toenmalige volkswijk De Pijp op straat inzette voor het verbeteren van de buurt werkte Van der Laan als juridisch ombudswerker van de pvda in de Kinkerbuurt en de Admiralenbuurt. Een sociaal gezicht tonen en jezelf nuttig maken voor de gemeenschap, dat had hij al van zijn vader meegekregen, die als huisarts in het Zuid-Hollandse dorp Rijnsburg dag en nacht klaarstond voor zijn patiënten. In tegenstelling tot Schaefer, die zich onzeker voelde tussen de universitair geschoolden, had Van der Laan als afgestudeerde jurist op dit gebied juist weinig last van aarzeling. Wel konden politici hem in het debat op de kast krijgen wanneer ze durfden te twijfelen aan zijn integriteit. Dan kon hij verbaal hard van zich af slaan.

Eberhard van der Laan zal worden herinnerd als ‘de mensenburgemeester’. Zelf herinner ik me de beginmaanden van Van der Laan als burgemeester nog. In het voorjaar van 2010 moest ik voor de krant aan Amsterdammers vragen wie zij het liefst als hun nieuwe burgemeester zouden zien. Job Cohen was net vertrokken om de pvda in Den Haag als lijsttrekker aan te voeren en de gemeenteraad had de procedure voor het vinden van een nieuwe burgemeester ingezet. Met drie foto’s ging ik op stap: die van Ahmed Aboutaleb, Guusje ter Horst en Eberhard van der Laan. Ik kwam onder meer bij Sien Blommers-Ruwaard (nu negentig jaar oud) terecht, alias Blonde Sien, de caféhoudster van de Jordanese kroeg Rooie Nelis. ‘Doe mij maar Aboutaleb’, zei ze, want Ter Horst zag zij niet zitten en Van der Laan kende ze niet. Nadat Van der Laan als burgemeester was benoemd trok hij de wijken in en bezocht hij ook de Jordaan. Zijn gevolg kwam langs café Rooie Nelis, dat niet op het programma stond. ‘Daar moeten we even naar binnen’, vond de burgemeester. In het café knoopte hij een gesprek aan met Blonde Sien en haar man Zwarte Gerrit. De drie dronken een biertje en gingen met elkaar op de foto. Nog geen twee maanden later bezocht ik de kroeg opnieuw. Sien keek me aan en zei: ‘Die Van der Laan, die kenden wij eerst niet, maar we waren erg blij dat hij zomaar onze zaak in stapte. Want Job Cohen is hier nooit geweest. Die nieuwe burgemeester is een topburgemeester!’

Van der Laan was mateloos in vrijwel alles wat hij deed. Als hij lief was, dan was hij erg lief en als hij boos was, dan was hij erg boos. Net als Schaefer werkte hij keihard. Werkweken van zeventig uur waren niet ongewoon. En net als Schaefer eiste hij evenveel inzet van zijn mensen als van zichzelf. Evenals Schaefer pleegde Van der Laan helaas roofbouw op zichzelf. Waar Schaefer problemen had om op gewicht te blijven en aan suikerziekte leed, rookte Van der Laan dagelijks vele sigaretten. Maar voor hem gelden evenzeer de woorden die burgemeester Ed van Thijn op de begrafenis van Schaefer sprak: ‘Jan Schaefer is eigenlijk 106 geworden. Bij alles wat hij aanpakte, wat-ie ook deed, bracht hij tweemaal meer tot stand en dan welk ander mens ook in hetzelfde tijdsbestek.’ Zo bezien is Eberhard van der Laan 124 geworden.


Kemal Rijken publiceerde vorig jaar bij Ambo/Anthos Van der Laan: Biografie van een burgemeester