Jij geeft me je leven, ik geef jou kinderen

Opeens kwam ze op uit het onbekende en opeens was ze een mythe. Nell Zink. Nu moet iemand haar nog bij de lurven grijpen om de mythe waar te maken.

Opeens was ze daar. De schrijfster van wie je niet wist dat je op haar wachtte. Zo iemand die de boel lang heeft opgepot. De goeie leeftijd heeft bereikt om rücksichtlos te zijn. En geestig. Zo iemand van wie opeens de naam rond zoemt en van wie je je afvraagt: is ze wel echt eigenlijk?

Er is een heleboel wat niet heel geloofwaardig is aan het bestaan en het succes van Nell Zink. Vorig jaar publiceerde The New Yorker een groot profiel van haar: voor een gevestigde schrijver is dat al een eer, maar voor iemand van wie tot een paar maanden daarvoor nog nooit iemand gehoord had, is het een unicum.

Medium zink 2c 20nell 20 c2 a9fred 20filkorn

De biografie die werd opgedist, gaat ongeveer zo: ze groeide op in het zuiden van de VS, in Virginia, in een familie waarvan ‘een buitenproportioneel’ deel lid zou zijn van de Ku Klux Klan. Ze zou Hamlet op haar twaalfde ‘al iets van een miljoen keer’ hebben gelezen, net als T.S. Eliots essays, Dickens, Mary Louise Alcott. Ze beweert dat Nell Zink haar echte naam is, al staat er ‘Helen’ in haar paspoort. Ze studeerde filosofie, was een tijdje dakloos, werkte als stratenlegger en metselaar, leerde zichzelf Frans aan de hand van Sartres memoires Les mots en een woordenboek, verhuisde naar Washington D.C. om secretaresse te worden (‘If you are raised to be submissive’, zei ze, ‘being a secretary is an excellent job. And I was an excellent secretary’), trouwde met een bibliothecaris, scheidde en verhuisde (een paar keer), zwoor alle relaties met mannen af, en belandde uiteindelijk in Duitsland, waar ze als vertaler aan de slag ging.

Je kunt dit allemaal geloven of niet. Je kunt je afvragen of het ertoe doet, of het iets verandert aan hoe je haar boeken leest, maar de mythe doet haar werk. Misschien was het nog het allermooist geweest als ze zonder contouren en gezicht was gebleven, maar daarvoor was er kennelijk toch te veel aardse behoefte aan contact. Het was vanuit Reutlingen, Duitsland, dat Jonathan Franzen een brief van haar ontving, eind 2010, nadat hij een artikel had gepubliceerd over de illegale jacht op zangvogels in het Middellandse-Zeegebied. De brief was twee bladzijdes lang, enkele regelafstand. De brief, zei Franzen, was tegelijkertijd erudiet, spottend, oprecht en informeel; hij ging in op de Balkanoorlogen, op Pierre Bourdieu’s Les règles de l’art, op grote trappen, porseleinhoenen, en bevatte lange onvertaalde citaten in het Duits. De correspondent benadrukte dat ze hoopte dat Franzen zich zou inzetten voor het lot van de bedreigde vogels in de Balkan, want ‘you love them for what they are (tiny little displaced persons)’. Very truly yours, besloot de brief, ‘Nell Zink’.

Er is nog heel veel meer te vertellen over Nell Zink, veel tot de verbeelding sprekende anekdotes en levensverhalen – citaten van vrienden, schrijvers, voormalig geliefden die allemaal uitleggen hoe bijzonder ze is, feministisch, lyrisch, briljant. Franzen schreef haar terug, een correspondentie was geboren. Hij was onder de indruk van haar haterige toon, haar grappige pedanterieën, en drong er bij haar op aan om fictie te schrijven. Waarop zij allerlei uitvluchten had, en zei neer te kijken op de boekenindustrie. En dan toch schreef ze in drie maanden tijd haar debuut – zo wil het verhaal tenminste – The Wallcreeper, vorig jaar hier in vertaling uitgekomen als De rotskruiper. Voor een lousy driehonderd dollar werd het gekocht door een minuscule uitgeverij, Dorothy, die zich focust op literatuur van en over vrouwen. Het werd een majeur succes, er kwamen nominaties, vertalingen, Zink was een fenomeen. Een jaar later had ze haar tweede roman af, Mislaid, nu net in Nederland verschenen als Misplaatst. Deze keer betaalde een grote uitgeverij er een paar ton voor, zijn alle ogen gericht op kwatta. Voilà, Nell Zink, de mythe. Nu dan Nell Zink, de schrijfster.

‘Het eerste wat hij zei was: “Dit is geen afspraakje.” Toen schoof hij in het donker naar haar toe’

In Misplaatst zet Zink een krankzinnig verhaal op. Je zou kunnen zeggen dat ze het gegeven van The Human Stain van Philip Roth, waarin het zwarte hoofdpersonage door het leven gaat als wit, bespot door het om te keren: een witte vrouw laat haar witte dochtertje – en witter is bijna niet mogelijk – doorgaan voor zwart. Maar ik denk niet dat Zink, alle literaire verwijzingen in haar roman ten spijt, een spel wil spelen door een schaduwgevecht met een literaire voorvader aan te gaan. Haar toon mag spottend zijn, er vlak onder klinkt een weerspannig maatschappelijk commentaar. Wit en zwart, man en vrouw, homo en hetero, alle identiteiten die een mens zich maar denkt te kunnen aanmeten of te moeten laten aanmeten, worden in haar roman geïroniseerd. En zwart wordt omhelsd, zeker in een witte omgeving waar altijd wel een subsidieregeling lonkt, en men tuk is op uitzonderingen. Misplaatst begint bedrieglijk gewoon, idyllisch en realistisch. Ergens in het zuiden van de Verenigde Staten ligt een universiteit, zo verscholen en obscuur dat het in zekere zin een goed bewaard geheim is dat hier überhaupt wat te leren valt. Een even geheim wapen van de staf is de aanwezigheid van de beroemde dichter Lee Fleming, die workshops poëzie geeft.

We schrijven jaren zestig, eerstejaarsstudente Peggy wil niets liever dan poëzie leren van Fleming, tot ze begrijpt dat ze dan auditie moet doen. De eerste gesprekken tussen Lee en Peggy, hij gay als een paard, zij er altijd al van overtuigd dat haar identiteit als meisje op een vergissing berust, behoren tot de beste scènes van de roman. Aantrekking en afstoting krijgen een onverhoeds gezicht bij Zink. Wat de postkoets doet voor madame Bovary en haar minnaar, is in Misplaatst weggelegd voor de kano: ‘Een week later nam ze zijn uitnodiging aan om op haar knieën voor in zijn kano te gaan zitten terwijl hij hem met de peddel afduwde van de drassige oever vol bloedzuigers. Het eerste wat hij zei was: “Dit is geen afspraakje.” Toen schoof hij in het donker naar haar toe, trok haar heupen tegen de zijne, liet zijn handen langs haar billen glijden en kuste haar, want als hij helemaal eerlijk tegen zichzelf was (wat hij veel later pas zou worden) wist hij niet wat hij anders in die kano had moeten doen. De kano schommelde heen en weer en Peggy was heel stil en plechtig. Het was zo opwindend dat hij er niets van begreep. Ze was androgyn, net als de jongens op wie hij viel, maar door haar ging hij zich afvragen of hij echt op jongens viel of tot nu toe alleen het verkeerde soort meisjes had ontmoet. Hij dacht aan haar genitaliën en besloot dat het weinig verschil maakte. Haar lichaam was vrouwelijk, vrouwelijk, vrouwelijk. Waar hij haar ook aanraakte, alles welfde zich bij hem vandaan, vliedend. Hij voelde tussen haar benen en alles verdween. De afgrond.’

Een lang citaat, dat goed laat zien waartoe Zink in staat is: het creëren van een sterke atmosfeer, het benoemen van het niet voor de hand liggende, het naderen van de afgrond. Tegelijkertijd toont het een soort ongemak, alsof de schrijfster zelf al commentaar op haar personages aan het geven is, of op de verwikkelingen. Die zelfreflectie is als een constante adem in de nek voelbaar, en breekt de roman naarmate de verwikkelingen wilder, en de personages talrijker worden, enigszins op. Zolang Peggy en Lee nog getrouwd zijn, gaat het goed. In sterke, inderdaad rücksichtloze en geestige oneliners geeft Zink de indicatieve samenvatting van een ten dode opgeschreven huwelijk. Met een homo die tegen beter weten in denkt ‘normaal’ te zijn, en een lesbi die niet weet hoe ze als moeder nog als mens kan functioneren. Hadden ze eerst nog wel een soort vagebonderige modus vivendi, met de komst van de kinderen verandert alles. ‘Moederen was een ander soort bezigheid’, laat Zink haar Peggy even droogjes als wanhopig constateren. Wederzijds geldt: jij geeft me jouw leven en daarvoor geef ik jou kinderen. De ernst en het drama zijn voelbaar, maar Zink rent er na zo’n zestig pagina’s even hard voor weg als ze Peggy na tien jaar van huis en haard laat weglopen. Wat zich dan ontvouwt is een groteske, met ontvoering, speurtochten, verwisseling van identiteiten, drugshandel. Té vermakelijk om ook echt vermakelijk, en boeiend, te zijn.

Iemand zou Zink bij de lurven moeten grijpen, al weet ik niet of dat Jonathan Franzen moet zijn. Uitleggen dat een roman schrijven, lezers beroeren, een tijdgeest vangen, iets anders is dan de kolder te laten zegevieren. De onverdraaglijke absurditeit van het leven willen laten zien, betekent ook het gewone toe te durven laten. Misplaatst lezen heeft iets van een kwelling, omdat de energie, de humor, de subversieve grondtoon voelbaar zijn. Ze zóu zo’n ideale schrijver kunnen zijn, de mythe waar maken. Op zeker moment overdenkt Peggy dat een heleboel gedachten die het leven haar heeft geleerd uit te spreken, niet van haarzelf zijn. En dat veel van haar eigen gedachten onuitgesproken blijven bij gebrek aan een geschikt publiek. Het publiek heeft Zink nu wel gevonden. Nu nog iets meer durven haar gedachtes niet onder te laten sneeuwen door gebeurtenissen.

Nell Zink is op 18 februari te gast bij BorderKitchen in Den Haag


Beeld: In Misplaatst zet Nell Zink een krankzinnig verhaal op (FRED FILKORN)