Het verhaal van de Indo’s

‘Jij hebt geen land’

Al zestig jaar lang vragen veel Indo’s in Nederland zich af: wie zijn wij en wie willen wij zijn? Vijf prominenten onder hen doen hun ‘Indische verhaal’. ‘Ik snap Wilders wel, dat hij zijn afkomst wil verbergen.’

IS HET ZO dat migranten uit Nederlands-Indië een hang hebben naar rechts? Hoe stond en sta je zélf tegenover rechtse en linkse politiek? Deze vragen stelde ik aan Dane Beerling, Joty ter Kulve, Theodor Holman, Wieteke van Dort en Peter Bouman – eerste en tweede generatie Indische migranten. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze zich al langere tijd in de openbaarheid begeven met hun ‘Indische verhaal’.
Het resultaat van de gesprekken werpt een verhelderend licht op het moeilijke begrip ‘identiteitspolitiek’. Dane Beerling vertelt bijvoorbeeld hoe hij schrok, op de boot naar Holland, omdat hij door Nederlandse soldaten met een ‘inlander’ werd vergeleken. Op zee besefte hij pas dat hij Hollander moest worden, te beginnen met het anders leren schillen van de aardappels. Peter Bouman zag als vijfjarige hoe zijn moeder om haar kleur gediscrimineerd werd door de melkboer, maar hij werd toch opgevoed met de melkboer als ideaalbeeld.
Het meest indringend aan deze interviews vond ik dat ze een kijkje gaven in een onvermoede continuïteit. Een continuïteit van het niet-gezegde: van de ‘andere weg’ die Joty ter Kulve’s Indische moeder in 1933 moest inslaan na het overlijden van haar blanke echtgenoot, naar het lied over de backpay dat Wieteke van Dort in 1979 van de Vara niet mocht zingen. Van het Indonesische vriendje van Dane Beerling dat in 1945 tegen hem zei: ‘Jij hebt geen land’, naar het in 2009 door Theodor Holman opgemerkte ‘verbergen’ door de politicus Geert Wilders van diens Indische afkomst.
Op 27 december is het zestig jaar geleden dat Nederland de soevereiniteit overdroeg aan Indonesië. Die overdracht was het startsein voor de grote uittocht van Indo’s, die zich in alle windrichtingen verspreidden. De Indo’s die in Nederland terechtgekomen zijn, hebben ongetwijfeld het meest van alle Indo’s over zichzelf moeten nadenken – net als later hun kinderen. Wie waren zij, wie werden zij, wie wilden zij zijn?

Dane Beerling (75) is beeldend kunstenaar, publicist en verteller. Hij lanceerde in 1999 de website www.tjaberawit.nl.
‘In het begin van de jaren zestig werkte ik bij een reclamebureau. Een Chinees-Indische collega haalde me over om een abonnement te nemen op het Indische blad Tong-Tong (nu: Moesson – red.). Maar niet voor lang! Dat blad was een rechts bolwerk, dat viel me direct op, hoewel ik in die tijd zeker niet politiek bewust was – wat rechts en wat links was, daar had ik nog weinig besef van. In de jaren vijftig was dat zelfs nog minder, toen maakte mijn chef me eens goedmoedig uit voor “ware communist”. “Wat is dat, communist?” vroeg ik.
Ik kwam in die tijd op voor Indonesiërs en voor arbeiders. Dat was niet gewoon voor Indo’s. Je moest als Indo neerkijken op arbeiders – en op Indonesiërs al helemaal. Dat deed ik niet. Ik ben de oorlog doorgekomen door met mijn broers mijn moeder te helpen, die praktisch zonder geld een groot gezin moest voeden. Wij waren de hele dag door Batavia aan het zwerven en hadden veel contact met Indonesiërs. Ik had last van stinkende wonden aan mijn voeten, tropenzweren, en daarom bleven mensen uit mijn buurt. Ik had een beschermende stankcocon. Ik merkte dat Indonesische bedelaars mijn stank geen probleem vonden, ze stonken zelf ook. Ik bleef zelfs bij ze slapen als ik te ver was afgedwaald van mijn buurt Kemayoran.
De bersiap kwam als een complete verrassing voor me. Ik had een Indonesisch vriendje dat me langzamerhand ging mijden. Hij zei ineens: “Jij hebt geen land.” Ik zei: “Jawel, ik heb Holland.” “Nee, jij bent Indo, jij hebt geen land.” Als ik wilde spelen, zei hij: “Ik moet oom helpen, die vecht tegen Hollanders.”
Vóór de oorlog speelde je als Indo-kind niet met Indonesische kinderen. Mijn vader, een totok, was onderofficier bij het KNIL – mijn moeder was een Indische. Als Indo-kind speelde je meestal alleen met andere Indo’s. Totok-kinderen mochten van hun ouders niet met ons spelen. Het kwam ook voor dat Indo-kinderen van hun ouders niet met totok-kinderen mochten spelen. Dat besef van standsverschil is bij veel Indo’s gebleven. Ik weet van Indo’s die zijn verhuisd omdat er te veel Turken en Marokkanen in hun straat kwamen wonen. Het deed ze ook zeer dat gastarbeiders zo luxe zijn gemigreerd, terwijl Indo’s alles tot de laatste cent moesten terugbetalen. Ook op de komst van Surinamers hadden Indo’s veel aan te merken.
Dat Indo’s nooit in opstand zijn gekomen tegen hun behandeling in de kolonie komt doordat ze altijd apart gehouden zijn. Ze kregen geen behoorlijke opleiding en ze mochten ook geen land bezitten, anders zouden ze bij de Indonesiërs gaan horen. Er was dus totale afhankelijkheid van totoks. Al heel vroeg kreeg je daardoor een splitsing onder Indo’s: aan de ene kant had je de paria’s, aan de andere kant de strebers. Indo’s werden vanouds gezien als onbetrouwbaar: ze zouden het slechtste van de twee rassen in zich verenigen. Blankheid stond boven alles.
In de jaren vijftig waren de meeste Indische Nederlanders rechts. Dat uitte zich in kankeren op Indonesiërs en schelden op Soekarno. Ook het imiteren van Indonesiërs was in trek, dat deden Indo’s als ze onder elkaar waren. En Indonesiër-moppen vertellen. Zoals deze: een Indonesiër loopt op een spoorrail boven het ravijn. Daar hoort hij een trein aankomen. Snel laat hij zich tussen de bielzen naar beneden zakken en met zijn handen hangt hij aan de rails, te wachten tot de trein voorbij is…
Waarom Indo’s zo rechts zijn heeft een eenvoudige verklaring. Omdat ze zich in Nederlands-Indië sterk aan de totoks wilden aanpassen, namen ze ook de zeer rechtse en conservatieve houding van hen over die je bijvoorbeeld vond bij de Vaderlandsche Club. Totoks voelden zich in de kolonie constant bedreigd en daardoor werden ze zeer behoudend. De status-quo moest behouden blijven. Indo’s kopieerden die houding om erbij te horen. Zelfs fysiek: rechtop lopen! Niet srèt-sròt! Eenmaal in Nederland aangekomen bleven Indo’s zich conformeren aan die rechtse standpunten, aan dat koloniale. Mijn vader vertelde bijvoorbeeld altijd dat je je bediende nooit méér moest geven dan een beetje rijst en een visje, anders verdween hij voor een paar dagen in de kampong. Een typisch koloniaal verhaaltje, waar ik de pest over in had!
Toen ik na drieënhalf jaar mijn vader eindelijk terugzag, na de oorlog – hij had in een jappenkamp gezeten – en na een slopende fietstocht op een fiets met massieve banden, had ik binnen een minuut mijn eerste, keiharde lel van hem te pakken. Omdat ik Maleis gesproken had. “Spreek Hollands!” commandeerde hij. Mijn respect veranderde in angst. Tijdens de Japanse bezetting was Hollands spreken levensgevaarlijk geweest. Maar ik ben nooit anti-Indonesisch geworden, wat ze ook geprobeerd hebben.
Op de boot naar Holland werd ik me wel van iets bewust. Ik moest in het ruim aardappelen schillen te midden van Hollandse soldaten en dat deed ik op z’n Indisch: met het mes van me af. Een soldaat zei toen: “Je lijkt wel een inlander!” Dat kwam hard aan. Toen ben ik dat schillen anders gaan doen, om me aan te passen; ik wilde ook Hollander worden. Nu kan ik niet meer schillen zoals vroeger.
Uiteindelijk ben ik me behoorlijk gaan ergeren aan dat rechtse van Indo’s. Bijvoorbeeld aan Tjalie, die was zó conservatief. Hoe hij tekeerging in dat blad Tong-Tong, die toon: Ordnung muss sein! Dat kwam vaak in zijn teksten terug. Ik hou ook niet van troep op straat, maar je kunt het ook positief brengen. Waar ik me aan stoorde in Tong-Tong was dat djago-gedrag, dat macho-achtige in de toon. Altijd weer werd de ander als slap, als een lafaard of zwakkeling neergezet. Dat is de kern van reactionair gedrag: het gaat altijd ten koste van een ander. De ander is minder, die mag niet meedoen. Het uitsluiten, dát is dus rechts. Al in Indië had Tjalie een kinderrubriek in de krant waarin het voor jongens luidde: je móet aan sport doen, je móet stoer zijn. Hij leidde eigenlijk djagootjes in de dop op, toen al. Het is jammer dat de zelfspot, die Indo’s óók hebben, alleen onder elkaar naar boven komt.’

Joty ter Kulve-Van Os (82) is bedrijfsjurist en medeoprichter en adviseur van de Stichting Vrienden van Linggarjati. In het huis van haar ouders te Linggarjati vonden in 1946 de onderhandelingen plaats die leidden tot het Akkoord van Linggarjati, de later omstreden grondslag voor een nieuwe staatkundige verhouding tussen Nederland en Indonesië. Dat huis is nu een nationaal monument; de stichting hoopt het als ‘museum van de dialoog’ tot gemeenschappelijk cultuurbezit van Indonesië en Nederland te maken.
‘Indische mensen zijn heel verschillend van elkaar, ik hou niet van etiketten plakken. Mammie was apolitiek, zij hield zich alleen bezig met haar drie kinderen. In de jaren dertig was er een jeugdbeweging van de NSB in Koeningan, waar wij woonden. Volgens mijn zusje ben ik daar een blauwe maandag lid van geweest. Ik herinner me er niets van, behalve wat ik aan moest: een zwart rokje, een wit bloesje en een langwerpig mutsje met embleem. Mijn zus – drie jaar ouder dan ik – is maar één keer geweest, ze vond het veel te militaristisch. Hoogstwaarschijnlijk dacht mammie dat het om een soort padvinderij ging.
Pappie was overleden in 1933, hij was een flamboyante totok die veel ondernam. Hij heeft bijvoorbeeld een waterleiding voor Linggarjati aangelegd. Daar hadden mijn ouders een mooi huis laten bouwen. Pappie was ondernemer. Mammie was een bruine Indische. Toen we kort na pappie’s overlijden op school Sinterklaas vierden, kregen mijn zusje en ik geen cadeautjes, als enigen in de klas. Mammie was woedend. Toen ze verhaal ging halen bij de juf hoorde ze: “Kijk eens Lizzy, je kan de kinderen nu niet meer opvoeden zoals het Koos voor ogen stond. Je moet een andere weg ingaan.” Dat heeft haar hartzeer gedaan, want dat sloeg op haar Indisch-zijn.
Mammie had het moeilijk, ook door de crisistijd. Toen ze weduwe werd zijn familieleden van haar bij ons komen inwonen, tantes en neven. Het werd een gezellige Indische boel. Sociaal-maatschappelijk degradeerden we daardoor, maar mammie was vastbesloten om ons goed onderwijs te geven, ons te laten studeren. Ze schreef haar schoonouders in Holland regelmatig brieven, maar ze heeft nooit een antwoord terug gehad. Van mijn vaders sterfbed herinner ik me nog dat hij tegen mammie zei: “Liz, zorg ervoor dat de kinderen nooit lipstick en poeder gaan dragen.” Gek, dat heb ik altijd onthouden.
Indo’s, alle schoolkinderen eigenlijk, werden geïndoctrineerd met Hollandse cultuur, ik moest alle Hollandse liedjes leren maar begreep er niets van. Wat was bijvoorbeeld een duintop? Ik ben nu nóg Oranjegezind, dat is er gewoon ingestampt. Ik weet nog dat ik bij de geboorte van Beatrix door de straten van Bandoeng heb gehost. Het werd er in gegoten: White is beautiful! Ook mijn Indische grootmoeder bezwoer me om later met een Hollander te trouwen.
Na dat Sinterklaas-incident had ik me voorgenomen, zo klein als ik was, om wél wat te bereiken. Na de oorlog ging ik Indisch recht studeren in Utrecht. Daar heb ik in 1947 gedemonstreerd voor het behoud van Nederlands-Indië. Maar in december 1949 was onze kolonie weg! In Utrecht studeerden veel mensen uit Indië, de meesten van ons hebben later keihard aan de opbouw van Nederland meegewerkt. In Utrecht heb ik ook mijn tweede moment van discriminatie beleefd. Ik leerde daar een heel knappe medestudent kennen: Tom, uit Laren. Hij reed op een motorfiets, had zijn eigen privé-vliegtuigje. We waren smoorverliefd. Toen hij eens bij mij thuis was, zag hij het portret van mijn moeder. De keer daarop vertelde hij me dat het nooit iets zou worden tussen ons, dat hij me na die dag niet meer kon zien. Zijn moeder had verordonneerd dat het nooit iets kon worden met een Indisch meisje. Dat voelde als een dolkstoot. Toen besloot ik dat ik niet in dit land wilde wonen. Ik ben naar Parijs gegaan en wilde gaan werken bij de Unesco, het begin van een lang internationaal avontuur. Ik ben in de tijd van McCarthy in Amerika geweest en ik heb de segregatie gezien in Atlanta, ik ben in Frankrijk naar de armste wijken gereisd, samen met een communistische vakbondsleider. Al die ervaringen hebben me gevormd. Ik word strijdvaardig van discriminatie en onrecht.
Rond 1960 werd ik lid van de VVD. In de jaren zeventig richtten we het ICTO op, het Interkerkelijk Comité Tweezijdige Ontwapening, als tegenhanger van het IKV. De Russen moesten toch ook ontwapenen? Jim Janssen van Raay was voorzitter. Ik was vice-voorzitter.
Wat ik wil, is dat mijn kinderen wereldburgers zijn. Bewust van hun eigen geschiedenis én die van anderen. Mensen die zeggen dat ze niet gevormd zijn door het verleden, dat vind ik zo’n onmogelijke zaak. Hier in Nederland loopt men weg voor het koloniale verleden. Op de internationale school in Nederland leert mijn kleinkind meer over het kolonialisme en over Indonesië dan op een gewone school, heb ik ontdekt. Ik had een Indo-vriend in Indië, die is getjintjangd tijdens de bersiap, omdat hij een Hollandse vlag wou hijsen over de demarcatielijn, in pemoeda-gebied dus. Hij wou stoer zijn, we hadden hem nog gewaarschuwd. Ik kreeg daar zo’n buikpijn van. Wie weet hier nog van de bersiap?
Indo’s zijn gehersenspoeld met het Hollandse, ze zien het zelf niet. Ik ontmoette op een pasar malam laatst een vrouw, ik zag meteen dat ze Indisch was, dat voel ik. Ik zei tegen haar: “Wat gezellig om weer iemand uit de Gordel van Smaragd te ontmoeten!” Ze zei: “Ik ben Belgisch. Mijn ouders komen wel uit Nederlands-Indië, maar ze waren allebei Nederlander.” Ze vertelde dat ze president was van een internationale organisatie. Ik nodigde haar uit voor een seminar van de Indonesische ambassade, maar nee, ze kon niet komen. Later had ze een gemeenschappelijke kennis verteld dat ze daar nou echt niets mee had, met zulke mensen…
Als je zoals ik in een kamp hebt gezeten, wil je alleen nog maar harmonie, geen haat en bitterheid. Ik kan niet tegen verdeeldheid zaaien, zoals wordt gedaan door de charismatische PVV-leider, die gekweekt is in de VVD. Ik kan niet tegen het aanvallen van mensen, dat heb ik te vaak meegemaakt. Ik heb geleerd van vroeger. De koloniale geschiedenis is zo belangrijk, er moet meer kennis over komen. Daarmee kunnen we de minderheidsgroepen in dit land iets aanbieden.’

Theodor Holman (56) is schrijver, radiopresentator en columnist. Zijn laatste roman heet Tjon (2007), over een jongen die niet opgewassen blijkt tegen het Indische oorlogstrauma van zijn ouders.
‘Ik ben altijd redelijk links geweest, tot de moord op Theo van Gogh. Ik was een sociaal-democraat. Nu noem ik mezelf een anarcho-liberaal – ik vind rechts een verkeerde term. Ik voelde me ook een geëngageerd kunstenaar. Maar ik kijk kritisch naar mijn eigen engagement, dat hangt als het ware van het seizoen af. Wat er met de Indische gemeenschap is gebeurd, is natuurlijk zeer onrechtvaardig. De boosheid daarover kreeg ik al jong mee. Maar tegen die boosheid heb ik me ook weer afgezet. Ik kreeg mee dat ik trots moest zijn dat ik een Indo was. Later merkte ik dat je het daar niet ver mee schopte. Tjalie heeft laten zien: niet assimileren, wel integreren. Hou alles binnenskamers! Dat vind ik nog steeds een mooie boodschap. Door Tjalie ben ik opgevoed. Als mensen mij vragen naar mijn identiteit, dan zeg ik: “Ik ben Amerikaan.”
Toen de Indo’s hiernaartoe kwamen, voelden ze zich verhevener dan de Nederlanders. Ze voelden zich beleefder, ze waren beschaafder, ze hadden een betere keuken. Maar Nederlanders waren blanker.
Over identiteit en vervreemding kan ik niets zeggen. Je keuzemogelijkheden in het leven zijn even groot, of je nu verwarring over je identiteit hebt of niet. Afkomst zegt mij niets, niets over gedrag of politieke keuzen. Wanneer ben je trouwens nog Indisch? Wat ik wel zie, is dat Wilders moeilijk doet over zijn Indisch-zijn. Net als Dick Berlijn, die is nota bene generaal… en Indisch. Weet niemand!
Ik geloof meteen dat Indische Nederlanders een conservatieve groep waren. Ze kwamen uit Indië en wilden behouden wat er te behouden viel. Dat zag je ook in het blad Tong-Tong, dat had een heel behoudende mentaliteit, waardoor ik het verschrikkelijk vond om te lezen, afschuwelijk. Mijn ouders – mijn vader was Indo, mijn moeder totok – zie ik als intellectuelen, die waren niet conservatief. Mijn vader was Indisch bestuursambtenaar. Aan hem werd gevraagd: “Waarom zat jíj niet bij de NSB?” Onder Indo’s zijn veel Wilders-aanhangers, daar ben ik van overtuigd.
Vanaf het begin wilde ik niet bij de Indische schrijvers ingedeeld worden. Altijd dezelfden, ik werd er gek van. Ik kwam zulk náár proza tegen. Ik ben een oorlogsauteur! Ik weet niets van zaken als identiteit. Oké, de typische Indo? Dat is een jongen van 23 jaar met een elektrische gitaar, hij heeft een Marshall-versterker en hij speelt rocknummertjes. Verder heeft hij een leren jasje, houdt hij van grote auto’s en rookt hij Marlboro. Hij praat de ene helft van de tijd over muziek en de andere helft van de tijd over eten. Eten is toch het enige wat overgebleven is?
Er is zoveel weggestopt. Er is zo enorm veel kennis uit Indië verloren gegaan, vooral kennis over de islam. Snouck Hurgronje, de grote internationale islamkenner, wie heeft er hier van gehoord? Al die kennis over hoe je met de islam moet omgaan, had nú toegepast kunnen worden. Ik verklaar die onwetendheid uit het feit dat er alleen maar slecht over het kolonialisme wordt gedacht. Het woord alleen al moet je diep haten, je moet dan denken aan executies, aan gruwelen… Maar het kolonialisme was ook een ontwikkelingsmodel. Ik weet dat het gevaarlijk is om te zeggen, maar ik denk dat het koloniale model, naast de onderdrukking, ook goeie punten heeft gehad. Als ik dit soort dingen zeg, krijg ik altijd te horen: “Zitten er ook goede kanten aan het fascisme?”
Sinds de onafhankelijkheid is alles achteruitgegaan in Indonesië. De bruggen stortten in, de laatste Nederlandse gebouwen zijn sinds de recente aardbeving weg. En hier is het Indische verleden verkitscht, het is Marken en Volendam geworden. Alleen het leuke mag voortbestaan.
Mijn vader was ook islamoloog. Hij las Arabisch en hij vertelde over het grote verschil tussen het christendom en de islam, die hij zag als een gewelddadige ideologie. Niet als een achterlijke religie, maar wel als politiek gevaar. Dat zie ik ook zo, door het antisemitische, de grootheidswaan en ook de moordzucht van de islamitische leer… anti-homo, anti-vrouw. Mijn vader had achteraf gelijk. Ik heb niets met religie, maar met de islam wel het minst, die is weerzinwekkend. Tegen de mensen heb ik trouwens niks, ze mogen eruitzien zoals ze willen, dat vind ik allemaal prima. Daarin verschil ik van Wilders. Ik wil eigenlijk niet op hem stemmen, maar wat blijft er nog over?
De integratie van Indo’s is voorzover ik weet goed geslaagd, ze zitten nu dus ook in de politiek! Van oudsher zitten ze ook in het leger en de financiële wereld, op het pluche van de samenleving. Indo’s maken zich alleen niet als zodanig bekend. Als míj wordt gevraagd: ben je Indo?, vind ik dat een vervelende vraag, omdat ik niet altijd weet wat mijn gesprekspartner daarmee wil suggereren. Welke betekenis geef jij daaraan? denk ik dan. Hij kan van alles denken – treinkaper…
Ik zeg altijd: ik ben Nederlands en heb een Nederlands paspoort. Dan houden ze op te vragen of ik Indo ben. Ik snap Wilders wel, dat hij zijn afkomst wil verbergen. Als hij beleid wil voeren waarin het niet altijd wenselijk is om vreemdelingen toe te laten, is het niet handig als tegen hem gezegd kan worden: je bent een Indo, je bent niet raszuiver. Ik weiger om te denken langs etnische lijnen. En bij de vraag: ben jij Indo?, weet je nooit of mensen redeneren volgens etnische lijnen in plaats van culturele of historische.’

Wieteke van Dort (66) is actrice, zangeres en theatermaakster, ook bekend als de Indische ‘Tante Lien’ die in de jaren zeventig en tachtig een aantal Late Late Lien Shows presenteerde op televisie. Van Dort werkt nu aan de televisieserie De atlasvlinder, een cultureel programma over de Gordel van Smaragd.
‘Dat Indische mensen conservatief zijn, dat begrijp ik. Toen er een tijd terug veel asielzoekers naar Nederland kwamen, kreeg ik zoveel brieven van mensen. Van Indischen. Ze waren verontwaardigd en geschrokken dat die asielzoekers, Tamils waren het geloof ik, van alles zomaar kregen: een huis, geld, werk. Zíj waren hier heel anders onthaald, terwijl zíj Nederlanders waren. Dus die mensen waren erg boos op de regering. Boos en teleurgesteld. “Tante, u moet daar wat aan doen!” vroegen ze me in die brieven. Ik heb iedereen teruggeschreven dat ik daar niets aan kon doen. Dat de tijden veranderd zijn, de omstandigheden anders. Ook kreeg ik brieven van mensen die bang zijn voor Marokkanen en die het verschil benadrukken: “Wíj zijn Nederlanders.”
Ik heb altijd brieven gekregen van Indische mensen die problemen hadden, zich niet begrepen voelden. Duizenden brieven. Maar sinds 1992 lukt het me niet meer om alles goed te beantwoorden. In dat jaar overleed mijn moeder. Zij hielp me altijd met antwoorden, ze kon zaken goed uitleggen: dat er een andere regering was, dat er een andere tijd was aangebroken. Ik was een soort Ombudsman voor Indische mensen. Nu krijg ik veel e-mails met problemen, vaak over sterfgevallen, ook van Hollanders.
Mensen waren vroeger wel eens boos dat ik aan het Vara-kinderprogramma J.J. de Bom voorheen De kindervriend meedeed. Vanuit Indische kringen werd me wel gevraagd of ik per se bij de Vara programma’s moest maken. Het is waar dat de meeste fans van Tante Lien bij de Avro zaten, en daar ben ik uiteindelijk ook terechtgekomen. Bij de Vara moest ik voor de Late Late Lien Show elke opmerking, elk detail van tevoren overleggen met de regie. Ik had ook enorm m’n best moeten doen om überhaupt een Indisch programma te mogen maken.
Ik kreeg bij de Vara te maken met dingen die niet mochten, misschien was het censuur. Zo moest ik bijvoorbeeld Het lied van de schuld uit het programma halen. Dat was voor mij en voor veel anderen een erg belangrijk lied. Dat ging over de backpay, de nooit uitbetaalde Indische pensioenen en salarissen uit de oorlog, over het grote onrecht dat Indische mensen is aangedaan. Dat mocht niet. Ik heb erom gehuild! Toen kwam er een compromis: ik mocht één couplet van het lied ten gehore brengen. Niet meer.
In een latere uitzending werd ik min of meer gedwongen om een lied te laten horen van Odile Janse, dat heette Baboe Ona, over de uitbuiting van een baboe in Indië, een soort aanklacht eigenlijk. Dat lied wilde ik helemaal niet in mijn show. Want zo wás het niet, vroeger in Indië, met de bedienden. Die werden niet uitgebuit. Uiteindelijk kreeg ik voor elkaar dat ik commentaar op het lied mocht leveren in het programma. Dat was dan het compromis.
In die tijd waren veel Indischen trouwens nóg kwaad vanwege de uitzending van Indisch ABC (Vara-documentairereeks uit 1970 over het leven in Nederlands-Indië – red.), waarin Indische Nederlanders zo totaal vals en verknipt werden neergezet. Ik vond dat schandelijke programma’s.
Er is zo veel onwetendheid bij Hollanders en zo weinig begrip. Tijdens de Japanse bezetting werd mijn vader gedwongen om door te werken op de suikerfabriek, dat móest van de Japanners. Een familielid in Holland noemde hem daarom een collaborateur. Collaborateur! Pa is later in de bersiaptijd vermoord. In Nederland weet niemand hoe de Indonesiërs hebben gemoord en gemarteld. Foute soldaten van Nederlandse zijde zijn voor de krijgsraad geweest en gestraft, maar aan de Indonesische kant is er niets aan gerechtigheid gedaan. Mijn broer van tachtig heeft het opgegeven hierover nog iets uit te leggen aan Hollanders. Hij zegt: “Ze begrijpen het nooit, ze wíllen het niet weten.”
Ik ken een oudere Indische man die bij het KNIL heeft gediend. Hij kon niet zonder ruzie met zijn kinderen en schoonzoon praten over zijn diensttijd. Hij werd uitgemaakt voor koloniaal. Als heel jonge soldaat had hij executies moeten uitvoeren onder Westerling. Dat was op verzoek van de dorpshoofden, die te lijden hadden van plunderende criminele bendes. Die criminelen waren door de Japanners losgelaten uit de gevangenis, om plaats te maken voor krijgsgevangenen. Maar wat weet zo’n schoonzoon ervan? Je zou op z’n minst interesse mogen verwachten in de andere kant van het verhaal.
Veel mensen keken zaterdagavond trouw naar de Late Late Lien Show, ook Hollanders. Het is waar dat sommige Indische mensen het programma niet konden waarderen. Vanuit bepaalde Indische kringen, bijvoorbeeld rond het blad Moesson, werd ik gewantrouwd. Ze vonden dat ik door mijn programma te veel “macht” had over de Indische gemeenschap. Ze hadden moeite met het Indische accent, dat ik dat zo benadrukte. Maar dat moest wel! Vroeger mocht je niet Indisch zijn, je kon dat beter niet laten blijken. Nu wordt dat minder.
Het kolonialisme in Indië was heel anders dan waar dan ook. Er was eens een Indischman die tegen een Amerikaan daarover zei: “Jullie hebben Amerika gekoloniseerd en wij hebben Indië gekoloniseerd. Vroeger waren er zoveel indianen en zo weinig Indonesiërs. En nu: geen indianen en zoveel Indonesiërs.”
Dat is toch zo? Al die spoorlijnen die zijn gebouwd, die ziekenhuizen, scholen en fabrieken, maar ook zoveel adat-studies, al die kennis. Er is zoveel opgebouwd. Indië kun je niet vergelijken met andere koloniën, omdat er direct een vermenging plaatsvond van de bevolkingsgroepen, Nederlanders huwden met Indonesische vrouwen. Vroeger was het rustig in Indië, alles ging samen: christenen en moslims leefden vreedzaam naast elkaar. Dat vind ik jammer, dat dat weg is.”

Peter Bouman (55) is medewerker van de Indische welzijnsstichting Pelita en coördinator van het Indisch Netwerk, een Indische sociëteit op los-vaste basis. Hij verzorgt ook de Nieuwsbrief, een digitale update met Indische nieuwtjes, gebeurtenissen en publicaties.
‘In de jaren tachtig was ik extreem links. Ik nam deel aan de kraakbeweging en harde acties, wilde principieel niet bij de overheid of het bedrijfsleven werken. De Indo’s om me heen in die tijd waren erg burgerlijk, mavo-types en kantoorklerken. Zo wilde ik niet worden.
In de kraakbeweging was veel solidariteit en autonomie, je kon overal terecht, je kreeg overal hulp. Totdat de punkers kwamen. Toen merkte ik dat ik niet zo tolerant was. Ze vernielden en verstoorden wat wij hadden opgebouwd, muren zaten onder de graffiti. Ze stalen ook. Ik vond dat vreselijk. Hoewel mijn huisgenoten toegeeflijk waren, joeg ik ze het pand uit. Toen kreeg ik van sommigen te horen dat ik burgerlijk was, niet anti-autoritair genoeg.
Als krakers waren we betrokken bij het emanciperen van Turken en Marokkanen, vanuit mijn Indische achtergrond vond ik dat ik daaraan een speciale bijdrage kon leveren. Ik ging aan het werk met Surinamers, we haalden bijvoorbeeld James Baldwin naar de Bijlmer. Uiteindelijk heb ik mijn eigen clubje activisten verzameld, daar zaten ook Indische mensen bij. We voerden antiracistische acties uit waarmee we de landelijke kranten haalden, zeg maar. Het was vooral anti-Janmaat, anti-Centrumpartij. Ik voelde me steeds vaker een eenling vanwege mijn achtergrond en kleur, bijvoorbeeld bij het opzetten van het krakersblad Bluf! Met stenen gooien bij acties keek ik ook altijd uit, want ik was die ene donkere, weet je wel – herkenbaar.
Pas toen ik in 1990 bij een Indische welzijnsorganisatie ging werken kreeg ik een compleet ander beeld van de multiculturele samenleving. Ik moest buurten in waar ik zelden was geweest, zoals de verloederende tuinsteden in Amsterdam-West. Daar woonden van oudsher veel Indischen. Door de gezinshereniging stroomden die wijken vol met Turken en Marokkanen. Ik maakte vervelende dingen mee op straat: werd niet teruggegroet, kreeg een grote bek van kinderen, vriendinnen werden voor hoer uitgemaakt. De Indische ouderen die ik moest bijstaan hadden het heel erg moeilijk in die buurten, er was constant rotzooi op straat, brutaliteit. Soms was er ook sprake van bedreiging. “Dáárvoor hebben we Nederland toch niet opgebouwd?” – die vraag kwam steeds weer terug. Ze voelden zich onveilig. De oude generatie heeft een ingebouwde angstreflex, veroorzaakt door de bersiap, men is bang dat dingen uit de hand lopen als moslims in groepjes bij elkaar zijn. Als mijn cliënten groepjes luidruchtige Marokkaanse jongens zien, denken ze aan de pemoeda’s die genadeloos mishandelden en moordden, vooral Indo’s.
Ook is er de frustratie over hun eigen komst naar Holland, die ze vergelijken met de ontvangst van asielzoekers. Zíj moesten alles wat ze hadden geleend van de overheid tot de laatste cent terugbetalen. Zíj moesten met ik weet niet hoeveel mensen op twee kamers wonen. Maar asielzoekers kwamen in een gespreid bedje terecht!
Mijn beide ouders zijn Indisch, ik heb een Javaanse grootmoeder. Vanuit de Indische achtergrond ben je gewend dat je op je kleur wordt beoordeeld. Mijn moeder werd vroeger elke keer als laatste geholpen door de melkboer. Altijd. Daar was ik als vijfjarige al boos over. Maar in Twente, waar ik ben opgegroeid, leerden de Indische mensen hun kinderen: “Maak je bangsa niet verlegen.” Dat betekende dat je schoon naar de kerk ging, dat je netjes at, dat je niet vloekte of gilde op straat. Je moest zo Hollands mogelijk zijn. Door je goede rapport op school liet je als jongen zien dat je daaraan meewerkte. Dit herken ik niet terug bij Marokkanen. Die worden niet gecorrigeerd. Dat ik me daaraan erger, associeer ik met een soort rechtsheid in mezelf. Marokkanen mogen liegen van hun godsdienst, dat zit in hun cultuur. Bij Indischen gaat het om fideelheid en oprechtheid – dat heb ik van mijn ouders meegekregen.
Ik stem denk ik niet op Wilders, zijn invalshoeken zijn me te smal. Wel goed vond ik zijn grap over de hoofddoekjesbelasting. Je voelt je toch niet gelukkig als je in een tram zit met alleen maar hoofddoekjes? De ene is de andere niet, dat weet ik ook wel, maar het is voor mij hoe dan ook een teken van afgeslotenheid, van niet-communiceren.
Nu ik m’n haar heel kort draag, ben ik soms bang dat de mensen me aanzien voor Marokkaan. Dat had ik vroeger niet. Ik merk dat vrouwen hun tasjes vastklemmen als ik langsloop. Ook toeristen doen dat, in m’n eigen buurt nota bene. Mensen willen niet naast me zitten in de tram. Dat gebeurde vroeger nooit. Dat vind ik erg.’


Woordenlijst
adat – Indisch gewoonterecht, dat werd toegepast door koloniale bestuursambtenaren
baboe – hulp in de huishouding
backpay-kwestie – na de oorlog weigerde de Nederlandse regering de achterstallige salarissen en pensioenen van krijgsgevangen Indisch overheidspersoneel uit te betalen. Alle andere geallieerde overheden hebben dat wel gedaan. Door deze pertinent volgehouden weigering kwamen vele migranten uit Nederlands-Indië in armoede terecht
bangsa – volk
bersiap – gewapende opstand van jonge, politiek en/of crimineel gemotiveerde Indonesiërs, de zogenaamde pemoeda’s, die plaatsvond vlak na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945. Er ontstond toen een machtsvacuüm, dat vooral voor duizenden Indo’s noodlottig bleek
djago – haantje, macho
KNIL – Koninklijk Nederlands Indisch Leger
pemoeda – zie bersiap
srèt-sròt – sloffen
Tjalie – Tjalie Robinson, bekende Indische schrijver, journalist en voorman van de Indo-cultuur
tjintjangen – in mootjes hakken
totok – blanke koloniaal, meestal van de eerste generatie (een ‘komer’)