Jij, jouwer jouwst

Theo van Doesburg/Kurt Schwitters, Holland’s bankroet door dada: Documenten van een dadaistische triomftocht door Nederland, uitgeverij Ravijn, 186 blz., f24,90. Kurt Schwitters, Merz: Teksten uit de jaren 1919-1923, vertaald door Jan Oegema, uitgeverij Perdu, 128 blz.,f35,-
In 1916 manifesteerde zich in Zurich voor het eerst een groepje kunstenaars en schrijvers onder de nonsensicale noemer dada. De strijdkreet zou zich al snel over de wereld verspreiden. Begin 1923 werd ook Nederland dada. De klaroenstoot daartoe werd gegeven door Theo en Nelly van Doesburg, Kurt Schwitters en Vilmos Huszar met een dada-tournee door het land. Toen sprak men er eensgezind schande van, nu doen de papieren verslagen ervan nog het meest aan een bonte avond denken.

De soirees volgden een vast programma: Theo van Doesburg hield, in smoking gekleed, een monocle boven de neus, een ‘inleiding in de dadasofie’. Ondertussen slingerde Kurt Schwitters, achter in de zaal gezeten, dierengeluiden, nondescripte kreten en onzinnige aforismen de zaal in. Na de inleiding droeg Schwitters voor uit eigen werk. Zijn optreden werd gekruid met geratel van castagnetten en getoeter. Nelly van Doesburg vertolkte op de piano stukken van de modernste componisten en Huszar liet een constructivistisch schimmenspel zien.
Het publiek raakte van het vertoonde zo van de kook dat het even hard dierengeluiden produceerde, dada scandeerde en dadaistische teksten van eigen makelij ten gehore bracht. Schwitters schreef in zijn manifest Groote koe dat heel Nederland dada was. 'Ons publiek voelt dat het DADA is en vindt dat het dada moet krijsen, schreeuwen, lispelen, zingen, huilen, schelden. Amper had een van ons, de dragers van de dadaistische beweging in Nederland, het podium betreden, of in het publiek ontwaken de ingeslapen dadaistische instincten en worden wij getrakteerd op dadaistisch gehuil en tandgeklapper.’ Of, zoals Van Doesburg met dadaistische overdrijving schreef: 'Het dadaisme bracht Holland den genadeslag toe. Twee maanden achtereen at Holland dadabloedworst, dronk dadabier en hield uitverkoop zijner geestelijke inventaris tegen dadaprijzen.’ En dat terwijl de dragers van de Nederlandse beweging zelf niet echt dada waren. Van Doesbug en Huszar zijn immers in de eerste plaats constructivisten, Schwitters is leider van de eenmansbeweging Merz.
Over de dadaistische kruistocht van Van Doesburg en de zijnen schreef K. Schippers twintig jaar geleden het onovertroffen en inmiddels onverkrijgbare boek Holland Dada. Een aantal van de Nederlandse dadaistische manifesten is al eerder, te midden van surrealistische, futuristische en constructivistische beginselverklaringen, gebundeld in De historische avant- garde. Toch vormen de onlangs bij Ravijn en Perdu verschenen boeken een vrolijke en noodzakelijke aanvulling.
Holland’s bankroet door dada bevat een volledige documentatie van alle geschriften van Van Doesburg en Schwitters die tot het programma van de dada-soirees hoorden. Van Schwitters zijn de teksten in de oorspronkelijke, meestal Duitse, taal opgenomen. Merz bevat heldere vertalingen van Schwitters’ tekstcollages, die nog niets aan geestigheid en grilligheid hebben ingeboet.
Zoals het hartverwarmende 'Aan Anna Bloem’:
'Oh jij, geliefde van mijn zevenentwintig zinnen, ik/ hou van jij! - Jij jou jouwer jouwst, ik jij, jij mij./ - Wij?/ Dat hoort hier niet thuis (maar dit terzijde)./ Wie ben jij, ferme ongetelde tante? Jij bent/ - ben jij? De mensen zeggen dat je -/ laat ze praten, ze weten niet hoe je kerktoren staat./ Jij draagt je hoed op je voeten en je wandelt/ op de handen, op je handen wandel je./ Hallo, je rode kleren, in witte plooien gezaagd./ Rood hou ik van Anna Bloem, rood hou ik van jij! - Jij/ jou jouwer jouwst, ik jij, jij mij. - Wij?…’