‘jij leert het nooit’

NA ZIJN DOOD rees meteen de vraag: wie gaat het doen? Even leek het erop dat niemand zich eraan zou wagen, aan de biografie van de meest controversiële Nederlandse schrijver van deze eeuw: Willem Frederik Hermans (1921-1995). Zijn kennis - vriend is een wel heel groot woord in het Hermans-universum - Hans van Straten, de geletterde journalist en literaire-anekdotenkoning, ordende het beschikbare materiaal en strijkt nu met de eer. Begin jaren tachtig wilde hij er al aan beginnen, maar Hermans wilde er niets van weten.

Hermans: Zijn tijd, zijn werk, zijn leven is een omvangrijke en goede biografie (afgezien van de belachelijke horoscoopbijlage), geschreven in een prettige stijl en met kennis van de hoofd- en bijzaken. Dat Van Straten de schrijver Hermans en ‘zijn tijd’ van het begin af aan zelf heeft meegemaakt, is bij dit laatste een belangrijk voordeel geweest. Voor het grote publiek betekent het boek een gedegen kennismaking met 'de man achter het werk’; voor de echte Hermans-kenners is het een handig naslagwerk zonder veel nieuwe feiten. Van Straten heeft geen opzienbarende documenten of getuigenissen boven water gehaald. En dat zal ook niet gebeuren, zolang het persoonlijke archief van de schrijver Hermans niet vrijkomt. Wel staan er leuke anekdoten in, maar veelzeggend zijn die lang niet altijd. Leuk is het verhaal over de jonge schrijver die niet weet wie hij moet meenemen naar het Boekenbal van 1949. Renate Rubinstein is al door een ander uitgenodigd en Emmy Meurs (zijn latere vrouw), het begeerde mooie meisje van goede komaf, woont in Voorburg en een overnachting in het American Hotel kan hij niet betalen. Het zusje van de dichter Paul Rodenko biedt uitkomst: zij kan wel bij hem in het eenpersoonsbed op zijn gehuurde zolderkamer aan de Apollolaan. Maar Paul waakt vaderlijk over zijn zus, en gaat met het stel mee naar huis. Uiteindelijk gooit Wim hem eruit. Paul bedrinkt zich en belandt in de gracht, waarop Wim zich met schone kleren naar het politiebureau moet begeven. Totaal irrelevant is echter de anekdote over Vab Kuilenburg, de Grote Vier Omnibus-uitgever, wiens streekromanauteurs door Hermans in diens eerste televisieoptreden waardeloos werden bevonden - Van Kuilenburg: 'Hij ging als een tram over mij heen.’ Als deze uitgever een paar dagen later 'een stukje’ gaat eten, met wie, waar, wat - alles wordt vermeld, spuit de kok met ketchup 'De Grote Vier’ op zijn bestelling. Wat moet je ermee? De uitweiding over de cokeverslaving van actrice Sylvia Kristel: wat doet het ertoe? Net als het volgende reisschema: 'Vrijdags verliet Hermans Zuid-Afrika. Om half drie ’s(middags stapte hij in Kaapstad in het vliegtuig naar Johannesburg, om half negen ’s(avonds vertrok hij naar Parijs, waar hij ’s(morgens om tien over negen aankwam.’ ALLES GOED en wel, dit is detailkritiek. Want Hermans is zo'n schrijver over wie je alles wilt weten. En de biografie als geheel biedt wel degelijk een schat aan gegevens. W.F. Hermans is een tragisch figuur. Hij eiste - zie het verhaal 'Het grote medelijden’ - 'meer dan er op deze wereld te vinden is’. Alles zat tegen, inclusief zijn eigen verwrongen persoonlijkheid. Idem: 'Ik ben verlegen, een barbaar, gefrustreerd; ik lijd aan zelfhaat; nihilisme; complexen; ressentimenten; ik ben behept met alles wat de pedagogen veroordelen.’ Diezelfde pedagogen hebben aan het drama van zijn jeugd een voorbeeldige case history. 'Een harde opvoeding’ noemt Van Straten zijn prachtige eerste hoofdstuk, dat leest als het eerste bedrijf van een klassiek noodlotsdrama. Een harde opvoeding: het is zacht uitgedrukt. Hermans’ vader was niets minder dan een tiran, een die rake klappen kon uitdelen. Een zuinige, gierige man die zijn vrouw en dochter, angstvallig gehoorzaam, pal achter hem wist. Alleen Wim lag altijd dwars. Als zijn moeder hem vertelt van het kindje Jezus dat in het stro werd geboren, roept hij uit: 'Wat zal die een vlooien hebben gehad!’ Religieus waren ze overigens niet, net zomin als politiek actief. Ze leefden een teruggetrokken bestaan in de Amsterdamse arbeidersbuurt achter de Overtoom. Het was een stijf-burgerlijk gezin waar nooit iemand op bezoek kwam, behalve de verschrikkelijke grootmoeder, een echte haaibaai, die tot overmaat van ramp aan de overkant van de straat woonde. De kinderen verwerden tot buitenbeentjes. Ze mochten niks, liepen rond in belachelijke kleding en hadden geen speelkameraden. Ze werden, vooral de eigenzinnige Wim, altijd gepest, getreiterd en in elkaar geslagen. Hij vluchtte in reisverhalen (Gulliver’s Travels, Robinson Crusoe, De scheepsjongens van Bontekoe), in zijn fantasie, in zijn dromen. Intussen reageerde de vader, een gefrustreerde schoolmeester, zijn mislukking af op zijn zoon. Van de weeromstuit wist de jonge Willem zijn gehate vader te treffen door zijn lijdzame zus juist níet als voorbeeld te nemen, door níet zijn best te doen op school. 'Schrijven?’ zei Wims lagere-schooljuf, 'jij leert het nooit.’ In de derde klas van het gymnasium bleef hij zitten. Zijn vader gaf het op. Wim niet, hoe ellendig hij zich ook voelde. Hij wist zich tot iets bijzonders voorbestemd. Zijn eerzucht nam groteske proporties aan: hij zou wel eens wat laten zien. Maar wat? Al op zijn zesde vond hij een elektromagnetische rem uit - een onbegrijpelijke omissie in Van Stratens biografie - maar helaas: die bestond al. Hij die later klokken ging verzamelen - nog zo'n omissie, zeker met het oog op de roman Een heilige van de horlogerie - repareerde onder de lessen een kapotte wekker. Hij maakte foto’s, deed wetenschappelijke proefjes en raakte geïnteresseerd in geologie. En hij las. Zijn vader had Nietzsche in de kast staan ('Malletuli’ ontbrak) en ze waren geabonneerd op een leesmap met literaire bladen. Lezen was voor Wim het verdovingsmiddel waardoor men zich 'bedroefd en goed’ gaat voelen. Hij kocht goedkope Duitse pockets, las Heinrich von Kleist en Kafka. Hij ging meewerken aan het schoolblad, maakte slauerhoffiaanse verzen en schreef voor de letterkundige vereniging een prijswinnend verhaal: 'Uitvinder’. De literaire bladen weigerden het op te nemen, het werd gepubliceerd in het Algemeen Handelsblad op 9 april 1940. Een overwinning! Maar het lukte hem vervolgens niet om praeses te worden van de letterkundige vereniging. En als hij pleuritis oploopt wordt hem het hoofdredacteurschap van het schoolblad ontnomen. ZO GING HET en zo zou het altijd gaan. Op elk heuglijk feit volgt een dreun van een teleurstelling. Wanneer Hermans voor de tweede keer voor het Barlaeus-gymnasium de scholenwedstrijd wint in welsprekendheid moet hij de prijs delen met een ander. Maar er is slechts één medaille en die gaat naar die ander. Zijn toegezegde exemplaar ontvangt hij nooit. Commentaar van Van Straten: 'We weten nu aan welke ervaring zijn weerzin tegen prijzen moet worden toegeschreven.’ Zulke aanvechtbare gevolgtrekkingen, even stellig als kort door de bocht, maakt de biograaf vaker. Op Hermans’ achttiende verjaardag valt Duitsland Polen binnen en begint de Tweede Wereldoorlog. Ruim een half jaar later is Nederland aan de beurt. De koningin vlucht en er breekt paniek uit. Dan voltrekt zich ook binnen het saaie gezin Hermans een drama. De voorbeeldige dochter Corrie pleegt samen met hun veel oudere neef Pieter Blind, een bon-vivant met wie zij de politiek besprak, onverwacht zelfmoord. Op slag verandert Wims haat tegen zijn ouders in een, naar zijn zeggen, 'bijna satanisch te noemen’ medelijden. Hun leven lang zal hij ze trouw blijven opzoeken en schrijven; een ontroerend feit dat niet te rijmen valt met zijn reputatie als 'hoogst abjekt individu’ (Gerard Reve). Op aandringen van zijn vader ging Hermans sociale geografie studeren, maar hij stapte al gauw over naar de fysische geografie. Een studie zonder aanzien: hij werd bij de geologiecolleges 'weggekeken’, al was zijn spoedige assistentschap een troost, en een inkomstenbron. Omdat het oorlog was, raakte het lab echter steeds slechter geoutilleerd. In 1944 sloot de universiteit. DE JONGE HERMANS had in die oorlogsjaren tal van toevallige contacten met het verzet, maar hij legde zich vooral toe op het schrijven. De oorlog had hem de ogen geopend voor de alomtegenwoordige chaos, verwarring en geheimzinnigheid. Hij voltooide een roman die door de uitgevers werd afgewezen: Conserve. Hij schreef een verzencyclus voor z'n eerste grote liefde, en werd door haar afgewezen. Maar schrijven bleef hij. In de jaren 1945-46 schreef hij vier, jarenlang verzwegen Klondyke-misdaadboekjes, waarvan Van Straten heel aannemelijk weet te maken dat ze in Indië zijn gedrukt als leesvoer voor soldaten. Felix Hageman, schrijver van tientallen formuleboekjes, stond hem daarbij vermoedelijk als voorbeeld voor ogen: dat wilde hij ook! Maar hij kon het niet. Zijn fantasie en werklust waren er te grillig voor. Hermans: mislukt pulpschrijver! Hermans was de productiefste redacteur van het literaire tijdschrift Criterium; hij leefde zo'n beetje van zijn recensiewerk. Hij schreef er zijn feuilleton: De tranen der acacia’s. Ook begon hij met zijn vaak scherpe, soms gemene polemieken onder het motto: 'Een geschrift dat mij niet bevalt, beschouw ik als een persoonlijke belediging.’ Zonder aanzien des persoons en vol hatelijkheden. Na de oorlog werden ook zijn volgende manuscripten overal geweigerd. Ze werden te somber bevonden, maar vooral te vrijzinnig. 'Nederland was in die tijd nog allerminst geslachtsrijp’, stelt Van Straten niet zonder humor vast. En toen Criterium, zijn levensader, ook nog dreigde te verdwijnen, voegde W.F. zich bij Timmer in Canada om geld te verdienen bij een papierhoutbedrijf. Wanneer Hermans terugkomt, is het tijdschrift opgegaan in een ander blad, waar hij niet echt welkom is. Op dat moment, 1949, is zijn situatie uitzichtloos. Zijn wel uitgegeven werk verkoopt niet. Om te mogen trouwen met Emmy Meurs, een knappe en vrolijke jongedame uit een gegoede Surinaamse familie, hervat Hermans zijn studie. Intussen verdient zij in Voorburg het inkomen met haar Mensendieck-praktijk terwijl hij werkt aan een nieuw boek. Nog een tegenvaller: naar een baan bij Shell in het buitenland kan hij fluiten omdat zijn vrouw niet blank is. Na zijn afstuderen verdwijnt het jonge stel naar Groningen waar Hermans gaat werken aan de universiteit. Ze krijgen een zoon, Ruprecht. Vader Hermans hoopt dat hij voor de scheikunde zou kiezen, het wordt een studie rechten, zoals zijn zus Corrie had gedaan. ALS SCHRIJVER krijgt Hermans landelijke bekendheid door de affaire rondom Ik heb altijd gelijk, waarin de hoofdpersoon een tirade afsteekt tegen de katholieken: 'Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten.’ Het komt vanwege deze belediging van een volksgroep tot een rechtszaak waarin hij wordt vrijgesproken. Het was zijn eerste grote affaire. Hij hoopte dat het gedonder in ieder geval de verkoop van zijn boek ten goede zou komen, maar nee. Pas met zijn volgende boek, De donkere kamer van Damokles brak hij echt door. Vele affaires volgden. De bekendste is de kwestie-Weinreb: Hermans in zijn eentje tegen een kongsi van verblinde intellectuelen als Rudy Kousbroek, Renate Rubinstein en Aad Nuis. In al die geschillen haalde hij (of kreeg hij achteraf) zijn gelijk. Maar hij moest het wel bezuren. Hij werd uitgemaakt voor fascist en racist (vanwege zijn reis naar Zuid-Afrika), en zijn geboortestad verklaarde hem tot persona non grata. Aan de Groningse universiteit werd hij op alle mogelijke wijzen tegengewerkt; het hoogleraarschap werd hem twintig jaar lang onthouden en uiteindelijk nam hij eervol ontslag. Hij week uit naar Parijs en wijdde zich geheel aan de literatuur: romans, verhalen en artikelen. Zijn laatste levensjaren sleet hij in Brussel, wat dichter bij zijn zoon in Nederland. VAN STRATEN vertelt het allemaal soepel en houdt het overzicht. Erg psychologiserend is de biografie niet: een dwingende visie op de man geeft Van Straten niet, en misschien is dat maar goed ook. Van Straten houdt zich aan de feiten, maar de inkleuring is niet altijd even gelukkig. Als hij een foto heeft gezien van de teddybeer uit Hermans’ jeugd (toen zijn 'enige ware vriend’), een opgelapt beest met een bloeddorstige muil en gemene ogen, aldus Van Straten, dan is het voor hem 'geen raadsel meer waar (Hermans’) sadistische fantasieën vandaan komen’. Een lyrische hagiografie is het al helemaal niet geworden. Het boek begint al met 'een waarschuwing’: 'Dit boek is niet alleen geschreven voor hartstochtelijke Hermans-lezers, die alle werken van de meester uit hun hoofd kennen.’ Daarom staan er veel - te lange en verwarrende - uittreksels in van Hermans’ boeken, die bedoeld zijn voor jonge ('soms nog schoolgaande’) lezers opdat zij hun weg kunnen vinden in het omvangrijke oeuvre. Maar overslaan hoeven 'de doorgewinterde Hermansianen’ ze ook weer niet want soms signaleert Van Straten hierin trots 'een krasse blunder (…) die ondanks fanatiek en herhaald correctiewerk van de schrijver aan zijn blik ontsnapt is. (…) De plot van Au pair berust zelfs geheel op een juridische misgreep.’ Desondanks vindt hij het boek Hermans’ 'meest geslaagde boek’ sinds Nooit meer slapen. Toch is het een ongelukkige greep, deze knieval voor luie scholieren. Niet alleen zijn Hermans’ verhalen lastig te comprimeren, ook bestaan er al samenvattingen van. Van Straten had beter kunnen volstaan met korte geheugensteuntjes, maar daarin kon hij moeilijk zijn beuzelarijen kwijt. Je kunt je trouwens afvragen of kritiek op plots en dergelijke in een biografie wel thuishoort. Enfin. Ik wil best geloven dat Van Straten gelijk heeft met zijn gevonden anachronismen, continuïteitsfoutjes en minieme plotgebreken, (het dorp Voorschoten heeft geen 'stadhuis’ maar een raadhuis, jawel); ik vind ze alleen niet zo 'kras’. Interessanter zijn de vraagtekens die Van Straten zet bij de datering van Hermans’ werken. Die lijken vreemd genoeg niet altijd te kloppen. Andere kritiekpunten vind ik onterecht. Ik maak me sterk dat Van Straten bij al z'n oprechte bewondering een hekel had aan Hermans: hij betrapt hem met kennelijk plezier op diens fouten. Over het waarom daarvan heb ik een vermoeden. Van Straten betoont zich in zijn ressentiment een ware Hamlet. Hij is een aloude Forum-man, in zijn vormingsjaren sterk beïnvloed door Du Perron - een invloed waarvan Hermans zich op nietsontziende wijze ontdeed. In zijn scheppende werk ging hij verder dan de persoonlijkheidscultus van Forum kon reiken. In de woorden van Reve bezat Hermans 'als geen ander (…) het belangrijkste vermogen van de kunstenaar: aan het persoonlijke een algemene, niet meer als persoonlijk te herkennen geldigheid te geven’. Oftewel: Forum overtroffen. Hermans komt in deze biografie niet erg sympathiek naar voren. Als schrijver was hij ook niet sympathiek. Maar anders was hij ook niet 'Nederlands grootste schrijver van deze eeuw’ geworden. Hij maakte er immers geen geheim van dat hij schreef om wraak te nemen. De schrijver Hermans was een eerzuchtige tiran die verering eiste en rake klappen kon uitdelen. Die zijn slechte humeur om zijn mislukkingen losliet op zijn lezers. In de strijd met zijn vader behaalde hij een Pyrrusoverwinning.