Jijbakken en stromannen

HOE KOM JE als politicus geloofwaardig, eerlijk en integer over? Dat is niet de eerste vraag waar het tijdens verkiezingscampagnes om draait. Veel belangrijker is: hoe maak je duidelijk dat de tegenpartij die eigenschappen ontbeert. Sterker nog: dat de opponent onzuivere motieven heeft, zichzelf tegenspreekt, onlogisch redeneert, of simpelweg als persoon niet deugt. In De Sophisticis elenchis liet Aristoteles al zien dat de politicus daartoe een heel scala aan tactieken kan inzetten. Men hoeft de campagne voor de Tweede-Kamerverkiezingen van vorig jaar slechts globaal gevolgd te hebben om te constateren dat de klassieke retorische sofismen - drogredenen - nog altijd worden gehanteerd.

Bolkestein gaf een aardig staaltje retorica weg in NRC Handelsblad eind april vorig jaar, even voor de Tweede-Kamerverkiezingen. Aanleiding was de beschuldiging van Hirsch Ballin dat het liberalisme moreel verval in de hand werkte. Bolkestein zei toen: ‘Ik begrijp uit uw toespraak dat u het Verlichtingsdenken verantwoordelijk acht voor zowat alle euvels van de huidige samenleving: de criminaliteit, het misbruik van overheidsvoorzieningen, de stijging van het zelfmoordcijfer en verslaving aan alcohol en verdovende middelen. Al deze “zegeningen” - zoals u ze noemt - zijn volgens u gebracht door het Verlichtingsdenken, waarvan u de liberalen de belangrijkste erfgenamen noemt. Strikt genomen zou deze passage erop wijzen dat u terugkeer wenst naar het ancien regime en naar de verstikkende werking van het conformistische klerikalisme. Maar voor een dergelijke zwarte reactie zie ik u toch ook weer niet aan. Ik moet dus wel aannemen dat deze onbegrijpelijke uitspraak u is ingegeven door de huidige teloorgang van uw partij.’
Het procede is duidelijk. Je chargeert het standpunt van de tegenpartij en verbindt er een conclusie aan. Het is geenszins noodzakelijk dat deze logisch uit de premissen volgt. Het mooiste is wanneer de opponent dan verschijnt als onbetrouwbaar of dom. Om je gehoor te overtuigen van je eigen integriteit is een scheutje ethos noodzakelijk: een blijk van welwillendheid tegenover de tegenpartij. Het echte venijn moet in de staart zitten: Hirsch Ballins onbegrijpelijke uitspraken moeten wel voortkomen uit zijn besef dat zijn partij ten dode is opgeschreven.
OOK BIJ DE OVERIGE partijen lagen de voorbeelden voor het oprapen. Zo was de rol van Lubbers bij de afgang van Brinkman retorisch gezien bijzonder interessant. Lubbers bediende zich hier van de 'Dat heeft u mij niet horen zeggen’-tactiek, waarin hij zich gedurende zijn twaalfjarige premierschap had bekwaamd. Want ook al had Lubbers beweerd dat 'Kok als premier niet slechter was dan Brinkman’, men mocht daar niet uit afleiden dat hij Brinkman liet vallen. Lubbers: 'Men heeft met ogen op steeltjes zitten kijken; het papegaaiencircuit heeft zijn werk weer eens gedaan.’ Hij had immers nooit gezegd 'Hier staat de nieuwe premier’? Hoewel enig archiefwerk uitwees dat Lubbers wel degelijk woorden van die strekking had gebezigd, onttrok hij zich aan de impliciete boodschap van zijn uitspraak: uiteraard laat iemand die zich niet expliciet achter zijn opvolger schaart, hem vallen als een baksteen.
Brinkman wist trouwens wel raad met Lubbers’ aanval. De premier was volgens hem 'aan het afkicken’; hij had gewoon 'moeite om het stokje door te geven’. Slimme zet: Brinkman speelt op de man door Lubbers’ persoonlijke frustraties als motief aan te voeren. En Brinkman had niets te vrezen van Lubbers: 'Ik geloof niet dat er een handvol mensen is dat een vierde kabinetsperiode met hem in wil gaan.’ Een klassiek gebruik van een argumentum ad populum: 'het volk’ heeft geen vertrouwen meer in Lubbers.
Ook een klassieker is de jijbak, het zogeheten tu quoque-argument (letterlijk: 'jij ook’). Zo merkte het PvdA-kamerlid Van Zijl fijntjes op dat Brinkman Lubbers weliswaar verweet moeite te hebben met afscheid nemen, maar dat hij zelf al vier jaar lang bewees dat het nog veel moeilijker was 'een beetje fatsoenlijk te beginnen’. Daar had Brinkman niet van terug.
Voor de aanval op het verkiezingsprogramma van de PvdA had Lubbers er kennelijk ook de retorische handboeken op nageslagen. Op dreigende toon sprak hij van een 'gevaarlijke zwenking naar links’. Hij had zich trouwens al veel langer zorgen gemaakt over 'het talent om zaken over de verkiezingen heen te tillen’ (let op de subtiele ironie: de aanval wordt verpakt in een pseudo-compliment waardoor het contrast wordt versterkt).
Volgens Lubbers werd er trouwens te veel naar personen en opiniepeilingen gekeken en was het hoog tijd om weer eens 'een stevig politiek-inhoudelijk verhaal neer te zetten’. Maar eerder had Lubbers zich nog volmondig achter het partijprogramma van de coalitiepartner geschaard. Vanwaar die plotseling ommekeer? Daar had Lubbers wel een verklaring voor: 'Toen was de PvdA nog tien tot vijftien zetels kleiner.’ Wel eerlijk, maar politiek-inhoudelijk?
Van Mierlo had de CDA-strategie door: 'Twee maanden geleden zaten we in een kabinet met de PvdA en werd Bolkestein in de hoogste boom gehangen, en nu bedenkt Lubbers opeens dat de combinatie met de VVD beter is en bungelt Kok in de hoogste top. Of nee, de op een na hoogste, want hij staat immers boven alle partijen, vooral boven de zijne.’ Van Mierlo wist als geen ander het instrument van de beeldspraak te hanteren. De boodschap liet aan duidelijkheid niets te wensen over: je kunt Lubbers niet vertrouwen.
Uit Bolkesteins mond kwam de kritiek op het CDA net iets harder aan, en ook de PvdA kreeg terloops een veeg uit de pan. Bolkestein: 'Nog niet zo lang geleden was Lubbers vriendelijk over de PvdA. Hij zei toen dat het voor de hand zou liggen dat de huidige coalitie, aangevuld met D66, door zou regeren. Dat hij nu vraagtekens zet bij het PvdA-verkiezingsprogramma kan ik begrijpen. Dat zou ik ook doen. Als hij vervolgens zegt dat hij bevreesd is dat de goede resultaten wegspoelen de komende tijd, ben ik zo vrij te vragen: welke goede resultaten?’ Het venijn zit hem opnieuw in de staart.
De veelgeplaagde Brinkman slaagde er telkens in om vragen van journalisten te ontwijken of kritiek zo te simplificeren dat ze onmogelijk op het CDA van toepassing kon zijn. Vanwaar het commentaar in de media op de 'veramerikanisering’ van de campagne, vroeg Brinkman zich af. Er liepen toch geen meisjes in korte rokjes op hoempamuziek voor de verkiezingskaravaan uit? Brinkman bediende zich hier van de drogreden van de stroman. Daarmee schuif je iemand een fictief standpunt in de schoenen, of je verdraait dat standpunt zodanig dat de tegenpartij belachelijk wordt gemaakt of in de verdediging wordt gedwongen.
De vraag aan Brinkman of hij er misschien goed aan deed zijn biezen te pakken, nu bleek dat de kiezer zo bedroevend weinig vertrouwen in hem had, verschoof hij naar Kok: 'De heer Kok heeft in zijn leven al een stuk of vier, vijf verkiezingsnederlagen geleden, maar die is nog steeds, voor zover ik dat kan taxeren, de eerste man.’ Zo, dat leidde de aandacht in elk geval af.
Brinkman benadrukte verder de verdeeldheid binnen de Partij van de Arbeid om de kwaliteiten van het CDA beter tot hun recht te laten komen. Brinkman: 'Ik ga met een programma de boer op dat eenduidig wordt uitgelegd door onze verschillende kandidaten. Dat is wel anders bij de heer Kok. Hij mag dan een groot vertrouwen genieten, maar hij is onduidelijk en moet voortdurend verschillende geluiden in zijn achterban de kop indrukken als het gaat om de koers. Dan leef ik toch veel gelukkiger omdat ik in ieder geval een goed programma heb, dat goed wordt gesteund. Wij hebben bewust niet een campagne ingezet zoals de PvdA “Kies Kok”. Onze campagne gaat over een programma van een partij met bestuurservaring, met een verhaal over eerlijkheid en koersvastheid.’
Voor de hogere logica kunnen we bij Lubbers terecht. Hij wist onomstotelijk aan te tonen dat het noodzakelijk was dat het CDA opnieuw zou regeren. Zijn partij was namelijk niet geschikt voor de getuigende oppositie (zoals de kleine christelijke partijen en GroenLinks), omdat het CDA 'nu eenmaal een typische verantwoordelijkheidspartij’ was. Inderdaad, een 'verantwoordelijkheidspartij’ is niet geschikt voor de oppositie. Maar Lubbers’ bewijsvoering toont niets anders aan dan wat hij in zijn standpunt reeds verwoordde. Een prachtig voorbeeld van de drogreden petitio principii: de cirkelredenering - het CDA moet regeren omdat ze nu eenmaal moet regeren.
DAT POLITICI BEKEND zijn met de regels van het discussiespel, bleek vooral wanneer men de tegenpartij terecht wees. Zo raakten de gemoederen oververhit toen Hirsch Ballin tijdens een spreekbeurt in Breda zijn 'angst voor de gevolgen van een paarse coalitie’ kenbaar maakte. Stel je voor dat er een situatie ontstond waarin ernstig zieke mensen zich te veel zouden gaan voelen en ouders van mongooltjes zich moesten excuseren dat ze het niet hadden laten wegmaken. Van Mierlo reageerde woedend: 'Als Hirsch Ballin dit zegt waar ik bij ben, trek ik hem de oren van het hoofd.’ Hirsch Ballin: 'Dat was dus een aanval ad hominem, in de meest letterlijke, fysieke zin van het woord: op mijn oren, ad aures hominis als het ware.’ Hij toonde zich verongelijkt; men had de christendemocraten volgens hem ten onrechte in de schoenen geschoven dat ze bepaalde onderwerpen aan de orde stelden omdat ze bang waren de macht te verliezen. 'Dat ervaar ik als kwetsend. Ik heb mijn opmerking in Breda gemaakt in een poging onszelf als politieke beweging te hervinden. Dat is in de media onvoldoende overgekomen.’
Met behulp van een bescheiden dosis pathos speelde hij in op het gevoel: er is volgens hem sprake van een stroman, een vertekende weergave van een standpunt. Maar sterk was dat niet. Want Lubbers had eerder gesproken van 'een ramp voor het land’ als er een paarse coalitie zou aantreden, en gedreigd met een kabinetscrisis als de euthanasieregeling zou worden versoepeld. Brinkman had gezegd dat de financiele beurzen 'onrustig’ zouden worden, en Hirsch Ballin had gewaarschuwd dat het onderwijs 'lijkbleek van kleur zou verschieten’ bij een paars kabinet.
Hoe het ook zij, Hirsch Ballins excuses werden geaccepteerd en de kwestie leek opgelost. Totdat Van Thijn in een interview met Het Parool Hirsch Ballin nogmaals van onder uit de zak gaf. Hij noemde de uitlatingen van Hirsch Ballin het dieptepunt in de campagne: 'Het is een fundamentalistische uitspraak die je zelden tegenkomt. Wie kaatst kan de bal terugverwachten.’ Nu ont stak Lubbers in woede: 'Als je een zo eenzijdige blik hebt op je collega en je hart wilt luchten in een interview, dan vind ik dat je uit je bol gaat.’ Van Thijn maakte luchtig duidelijk dat men Lubbers niet serieus hoefde te nemen: 'De premier valt op zijn persconferentie elke week wel een PvdA'er aan. Vandaag was ik aan de beurt.’
Lubbers liet het niet alleen bij deze uithaal naar een PvdA'er, prompt vereerde hij Hirsch Ballin met zijn stem in plaats van zijn gedoodverfde opvolger Brinkman. Lubbers: 'Ik weet geen andere manier om een prima man die Hirsch Ballin is duidelijk te accentueren, dat dat niet zomaar iemand is; dat we onze Lieve Heer op onze blote knieen mogen danken dat die mensen er zijn, al zegt hij misschien wel eens iets verkeerds.’ Lubbers nam het met deze zet weliswaar op voor Hirsch Ballin, zijn besluit werd toch vooral opgevat als een trap na voor Brinkman. Bolkestein sprak van een 'verbijsterende stap’, en Van Mierlo maakte van de gelegenheid gebruik om nog eens te benadrukken dat het CDA 'volkomen de kluts kwijt’ was: 'Als dit een voorkeursactie is, lijkt het wel een poging om een nieuwe lijsttrekker in het leven te roepen.’
De affaire ontaardde in een slaande ruzie. De werkelijke oorzaak van het conflict school in de IRT-zaak, meende Lubbers. Daar was Hirsch Ballin, die op het punt had gestaan om af te treden, uit 'collegialiteitsoverwegingen’ de barricaden op gegaan, waardoor ook Van Thijns positie werd gered. Getuigde het dan niet van een ongekende lafhartigheid dat Van Thijn zijn collega 'in de rug had geschoten’?
Lubbers had met dit pathos weinig succes. Kok kaatste de bal terug: 'Het CDA is bezig zichzelf in de voet te schieten. Dan ga je hinkelen. Ik dacht toen ik hoorde dat Lubbers op Hirsch Ballin zou stemmen: daar komt nog een verklaring voor. Nou, dat is dit blijkbaar. Ik reken dat maar tot de CDA-folklore.’
Tussen Hirsch Ballin en Bolkestein zou het ook nooit meer goed komen. De laatste had een pleidooi gehouden voor de herinvoering van christelijke normen en waarden, maar Hirsch Ballin vond deze woorden 'ongeloofwaardig en ongerijmd’ uit de mond van een liberaal. Hirsch Ballin: 'Er is bij de persoon Bolkestein geen sprake van een waarachtige bekering, maar van een bekering die is ingegeven door nuttigheidsoverwegingen. Met de aanvaarding van het christelijke geloof zou het liberalisme in strijd raken met zichzelf en daardoor zichzelf aan de kant zetten.’
Maar daar had Bolkestein wel van terug: 'A contrario komt uw betoog erop neer dat de openbare moraliteit het beste aan de christendemocratie kan worden toevertrouwd. Maar is dat ook zo? Nederland kan uw morele pretentie nauwelijks staven. Het CDA, en daarvoor de KVP, is in Nederland sinds de Eerste Wereldoorlog (met uitzondering van de Tweede) onafgebroken aan het bewind geweest. Als er al iets mis is met de openbare moraal - en op zichzelf zouden wij dat niet willen tegenspreken - dan moet de oorzaak toch allereerst bij uw partij worden gezocht.’ Een schoolvoorbeeld van tu quoque-argumentatie.
Ook als persoon had Hirsch Ballin volgens Bolkestein geen enkel recht van spreken: zijn beleid op justitie had gefaald, en zijn optreden in de IRT-affaire getuigde bepaald niet van politieke moed, noch van politieke eerlijkheid. Bolkestein had dan ook een effectief wapen om zijn opponent de mond te snoeren: 'U doet er beter aan te kijken naar uw eigen beleid dan vanuit een glazen huis stenen naar anderen te gooien.’