Jiskefet in een roeiboot

Halverwege de jaren vijftig werden de wereldkampioenschappen roeien op de Bosbaan gehouden. Jammer voor mijn vader, die daar op karper placht te vissen. Zijn leed bleef draaglijk doordat hij roeien de mooist denkbare sport vond. Niet dat een kaartje kopen voor ons soort was weggelegd, en sport had de televisie nog niet bereikt, net zomin als de televisie onze huiskamer, maar hij mocht de jongens en meisjes daar graag zien trainen.

Ja, roeien had wat: de ranke bootjes, de achterwaartse verplaatsing, de combinatie van kracht en techniek, waarbij de grootste inspanning nog elegantie behield, de soepelheid waarmee de bladen haast zonder spatten in het water verdwenen, de gelijktijdigheid waarmee twee, vier en zelfs acht individuen de riemen door het water haalden, alsof ze het lichaam van een geheimzinnig waterinsekt waren, de fleurige shirtjes in een tijd waarin kleding voornamelijk schutkleuren had (naast het geruis van de bandjes op de baan maakte ook de kleurenpracht wielrennen zo feestelijk), de meefietsende coaches met hun toeters waardoor ze aanwijzingen riepen, die ver klonken door de zomerse avondlucht, en bij internationale wedstrijden het ‘Etes-vous prets? Partez!’ dat die sport een extra adel verleende in een toen al Angelsaksischer wordende wereld.
Bij wedstrijden werden delen van het Amsterdamse Bos afgesloten. Op rijweg en fietspad langs de baan reden trainers en supporters luid schreeuwend mee. Voor ons, jongens, was er het publiek toegankelijke fietspad langs de andere kant, waar we de boten vanaf de start tot bijna 1500 meter konden volgen. Daarna verdwenen ze achter bomen, maar we fietsten door, met tinteling in de buik vanwege het toenemende gejuich van het tribunevolk dat de roeiers in het gezicht kreeg. Je hoorde de uitslag via luidsprekers; en de volksliederen natuurlijk. Dat van Sovjetunie en DDR konden we dromen. Dan raceten we in onze eigen wedstrijdjes terug naar de start voor de volgende finale, ons wijsmakend dat we heel wat beter af waren dan de rijkelui die alleen de finish zagen. Want rijk waren ze, de Hollandse roeiers en hun publiek. Daarin lag, begreep ik later, de ambivalentie van m'n karpervissende vader: socialist van huis uit en door klasse, maar hopend op een mooie toekomst voor z'n zoons als advocaat of arts, waarin zelfs een lidmaatschap van corps en Nereus niet was uitgesloten.
Het zou anders lopen, want klassegevoel bleek erfelijk, en wat eens zo geinig leek - de jongens met hun clubdassen die na de race te water gingen - werd symbool voor alles wat niet deugde. Zuipen deden wij ook, maar hun gezuip was weerzinwekkend - als u begrijpt wat ik bedoel.
Maar wat zou die ouwe genoten hebben van de gouden medaille in het mooiste aller nummers, de acht. Zoals ik genoot. Tot aan de finish. Toen waren er weer die zwemmers en dassen. En dan miste ik nog de nabespreking in Studio Atlanta, waarin de heren Jiskefets Van Binsbergen tot slap aftreksel moeten hebben gemaakt. Toen nog brons en goud voor 'hackie’.
Leve Bart Brentjens wil ik maar zeggen.