Joan Didion in Londen, 2011. Haar bekentenis een pestkop te zijn was bevrijdend © Dorothy Hong / Eyevine / ANP

Het is een eigenaardigheid van Joan Didions werk dat haar meest ironische formuleringen nu vaak als oprecht worden gezien en haar meest oprechte provocaties met een korreltje zout worden genomen. Misschien, als je onderwerp is hoe mensen zichzelf iets wijsmaken, en je wilt belichten en definiëren hoe ze dat doen, dat mensen zichzelf juist iets wijs gaan maken. Hoe kunnen we anders uitleggen hoe haar inzichten omgekeerd worden?

Neem ‘We tell ourselves stories in order to live’, de openingszin van Didions The White Album. Een zin die bedoeld was als een veroordeling is inmiddels getransformeerd tot een persoonlijk devies. Hetzelfde geldt voor ‘magisch denken’. Magisch denken is een gedachtestoornis. Het ziet causaliteit die er niet is, ziet persoonlijke emotie aan voor de algehele realiteit, het legt ‘verhaallijnen over als los zand aan elkaar hangende beelden’ – zoals Didion dat perfect verwoordt in The White Album.

Op haar rouw na was dit niet een stoornis waar Didion doorgaans aan leed. Didion was buitengewoon alert op de woorden en zinnen die we gebruiken om onze diepste wensen en overtuigingen uit te drukken. Alert, zo niet achterdochtig. Ze upgradede Hemingway’s ‘bullshit detector’ in hoe ze het publieke debat onderzocht, om steeds scherper in beeld te brengen hoeveel waarheid er te vinden was en hoeveel zelfbedrog.

Zo keek ze ook naar haar eigen zinnen. Als je haar herleest, zul je haar ongenadig stringent vinden. Misschien is het daarom makkelijker naar foto’s van Didion te kijken dan haar te lezen. Haar pose, haar uiterlijk, is een vibe. Maar haar teksten zijn een ontleding: van onze dierbaarste verlangens en overtuigingen, van onze codewoorden. Om het anders te zeggen, terwijl iedereen Kool-Aid dronk, bleef zij bij Coca-Cola en sigaretten.

Neem dit fragment uit haar essay De vrouwenbeweging uit 1972: ‘“Jij als ouder moet de tolk worden tussen de mythen en je kind”, adviseerde Letty Cottin Pogrebin haar lezeressen in het blad Ms. “Van elk sprookje of kinderverhaal kunnen bepaalde gedeelten tijdens een besprekingssessie van de juiste duiding worden voorzien.” Andere literair-analytische deskundigen wisten ook andere boeken van de juiste duiding te voorzien: Isabel Archer hoefde in The Portrait of a Lady niet langer het slachtoffer van haar eigen idealisme te zijn. In plaats daarvan kon ze ook het slachtoffer van een seksistische maatschappij zijn, een vrouw die “de conventionele definitie van echtgenote had geïnternaliseerd”. De verteller van Mary McCarthy’s The Company She Keeps kon worden gezien als iemand die “een slavin was omdat ze haar identiteit in een man bleef zoeken”.’

Wat heerlijk om haar een stapel ideologische gemeenplaatsen te zien doorklieven die de laatste vijftig jaar alleen maar verhard zijn! Alleen nu deze manieren van lezen voor niemand nog absurd zijn - die niet alleen ingebed zijn op universiteiten en uitgeverijen, maar ook in onze hersens – doet het pijn de giftige toon te horen: ‘Voor degenen onder ons die vooral oog willen houden voor alle fijn- en dubbelzinnigheden op het gebied van de morele oordeelsvorming kan de feministische analyse een behoorlijk bekrompen en enigszins gestoord determinisme hebben geleken.’

Wat zou er met Didion gebeuren als zo’n bekrompen en enigszins gestoord determinisme niet alleen het feminisme opslokt, maar de hele wereld? We misleiden onszelf; we herscheppen Didion in ons eigen aanbeeld. ‘Het is het recht van de onderdrukten om zich te organiseren rond wat zij als hun onderdrukking zien.’ Vandaag de dag zou dit statement, dat de jonge Didion ironisch vond – een poging om vanuit pure emotie politiek te bedrijven – niet alleen als oprecht worden opgevat, maar als juridisch steekhoudend.

Of ze nu schreef over de ontdekking van ‘vrouwen als een klasse’, de hippies in Haight-Ashbury, John Wayne, de dood van haar familie of haar eigen mentale instorting, Didions doelwit was de psychische harde ondergrond. Die vond ze onder de schijnbaar rationele of ideologische zachte bovengrond, die ze gevuld vond met ‘bijgeloof en beleefdheidsvormen, met wensdromen, en zelfwalging en bittere fantasieën’.

Dat ze gezien wordt als een persoonlijk essayist is een van die literaire ironieën: zelfs als haar onderwerp Didion was, deed ze nog steeds verslag en was ze niet sympathieker voor haar eigen gevoelens dan ze was voor Joan Baez, Nancy Reagan of hippies aan de drugs. Zijzelf was simpelweg een van haar onderwerpen, net zo gevoelig voor de kleine waanideeën die we allemaal hebben, maar ze was geïnteresseerd in het graven naar die diepere ondergrond, zonder dat het haar uitmaakte wat ze daar zou aantreffen, zonder dat ze op zoek was naar bevestiging. Ze maalde niet om wat ‘iedereen’ vond, of wat ‘iedereen’ geloofde.

Zo lang als je in een zin van Didion zat, restte je weinig dan je aan die zin te onderwerpen

In haar essay uit 2003, Fixed Opinions, or the Hinge of History, bespeurde ze al overal uitsluitingen in het Amerikaanse denken. In de bewuste on-onderzochte relatie tussen de Verenigde Staten en Israël. In de publieke veroordeling van Susan Sontag, die het aandurfde om de beweegredenen van al-Qaeda te overwegen (‘Onderzoek doen naar de vijand, in andere woorden, werd al snel geïnterpreteerd als sympathie hebben voor de vijand’). Dat essay gaat over de nawerking van 9/11, maar voor de hedendaagse lezer hebben de volgende regels een bredere betekenis:

‘De vraag (…) wordt gezien (…) als onstelbaar, als potentieel levensbedreigend, het conversationele equivalent van een verlaten koffer in een bus. We zoeken dekking. We wachten tot het hele onderwerp is ontmanteld, veilig geïsoleerd achter beschimpingen en tegenbeschimpingen. Veel meningen mogen geuit worden. Weinige mogen zich ontwikkelen. Nog minder mogen veranderen.’

Op een paar uitzonderingen na was Didion een vrouw die niet zozeer meningen uitte, of emoties, maar ze ondervroeg. Het voelde ongekend voor mij toen ik haar voor het eerst las, eind jaren tachtig. Ze was een vrouw die ertoe deed. Wanneer vrouwen van mijn leeftijd het vol ontzag hebben over Didions ‘stijl’, dan denk ik niet aan de jurken of de zonnebrillen, de sigaretten of komma’s of zelfs de liggende streepjes die we aanbidden, hoewel al die dingen geweldig waren. Het was de autoriteit. De autoriteit van haar toon. Er is veel in Didion waar je het persoonlijk mee oneens kunt zijn, politiek, of esthetisch (ik zal nooit van The Doors gaan houden). Maar ik blijf dankbaar voor de dag waarop ik Slouching towards Bethlehem oppakte en me realiseerde dat een vrouw kon spreken zonder zich in te dekken, zonder te huiveren of ergens omheen te schrijven, zonder beleefd te zijn, zonder lief of vriendelijk te zijn, zonder ontzag en zelfs zonder twijfel.

Het moet moeilijk voor te stellen zijn voor een jonge vrouw vandaag wat een hoeveelheid aan dingen vrouwen van mijn generatie dachten dat vrouwen niet konden doen – en geloof me, schrijven met autoriteit was daar een van. Je wilde het geloven. Je wilde er bewijs voor. Didion – net als haar tijdgenoot Toni Morrison – werd bewijsstuk A. Je kon haar dunne boeken bij je steken, als een vlindermes, in je achterzak. Ze gaf je zelfvertrouwen.

En ja, nadat je jezelf had versterkt met haar zelfvertrouwen kon je toegeven dat er ook poëzie in Didions zinnen zat, en exquisiete fictie, flarden van romans, zo scherp als het licht dat opkomt boven de bergen van de Sacramento Sutter Butes… Je hoefde het niet met haar eens te zijn. Zoals bij zoveel literaire schrijvers was haar schijnbaar krachtige logica, bij nader inzien, soms slecht sprankelende retoriek onder de invloed van dezelfde soort emotionele vervorming waaraan ze zo graag zei een hekel te hebben. Nou en? Literaire essays gaan over overtuigingskracht. Zo lang als je in een zin van Didion zat, restte je weinig dan je aan die zin te onderwerpen. En man, dat wist ze:

‘Op veel manieren is schrijven een vorm van “Ik” zeggen, van jezelf opleggen aan anderen, van zeggen luister naar me, zie het zoals ik, verander van gedachten. Het is een agressieve, vijandige daad. Je kunt de agressiviteit zoveel vermommen als je wilt, met sluiers van mitsen en maren, met ondergeschikte bepalingen en tentatieve conjunctieven, met ellipsen en ontwijkingen – maar je komt er niet onderuit dat woorden op papier zetten het gedrag van een pestkop is, een invasie, het opdringen van de sensibiliteit van de schrijver aan de lezers met persoonlijke ruimte.’

Didions bekentenis een pestkop te zijn, om zelfs maar in staat te zijn tot een mentale invasie, was bevrijdend. Ik heb haar er nooit voor kunnen bedanken, behalve dan door haar te imiteren, bewust en onbewust. Ze zou deze uitspraak vast sentimenteel hebben gevonden en nodeloos generaliserend, maar ik behoor tot het grote leger van vrouwelijke schrijvers die bij haar in het krijt staan.

Toen ik 24 en groen als gras was, ging ik naar een feestje op de Upper West Side. Dit was zo ongeveer op het moment waarop iedereen had besloten dat binnenshuis roken barbaars was. Dit was ook de periode van magisch denken voor vrouwen zoals ik, die – hoewel ze overtuigd roker waren – stopten met het kopen van sigaretten, en ervoor kozen hun avonden te besteden aan het opspeuren van die minder misleide zielen van wie we een sigaret konden bietsen.

En daar stond ze: een van de minder misleide. In de hoek te roken – binnen. Ze was klein en oud. Ze gaf me zwijgend een sigaret en pas toen ik op het balkon kwam vroeg een opgewonden Amerikaanse auteur aan me of ik wel wist wie dat was. Op dat moment in mijn leven wist ik erg weinig van schrijvers, van hun mythologieën en hun biografieën, of überhaupt hoe ze eruitzagen. Ik kende alleen hun zinnen.

Ik overwoog me terug naar binnen te haasten en heel snel heel veel heel emotionele dingen te zeggen tegen de grote Amerikaanse schrijver Joan Didion – van wie ik zoveel had geleerd, die zoveel voor me betekende, persoonlijk – maar met haar zinnen in gedachten besloot ik dat toch maar niet te doen.


© Zadie Smith. Dit stuk verscheen eerder in The New Yorker. Vertaling: Joost de Vries