Menno Hurenkamp

Joarig

Alle pinautomaten zijn leeg — een eerste aanwijzing dat het wel eens Koninginnedag kan zijn. Zou nu allerlei koopwaar en worstgoed blijven liggen omdat de bezoekers van de hoofdstad geen geld meer in hun zakken kunnen steken? De veiligheidsdiensten die de biljetten bijvullen vinden het, begrijpelijk, onveilig om te midden van de meute met geldkoffers in de weer te gaan en dus blijven ze leeg. (Zelf heb ik eens meer dan anderhalf uur gelopen, op en neer naar een geldautomaat om voor dertig gulden een grijs gestreept pak te kunnen kopen.)

De Hun is in de stad, het móet wel Koninginnedag zijn. Hij is degene die de automaten leeghaalt, met zijn massale oranjehoedige aanwezigheid verhindert dat ze weer gevuld worden, en bovendien hard dialect praat. «Ruimen, die provincialen!» is de voorspelbare reactie van de autochtoon, maar zij hebben hun minderwaardigheidscomplex allang afgeschud, en met recht. Niet alleen Normaal zingt een plat lied, maar de halve top 40 is gedempt met boerse talen. Cabaretiers als Herman Finkers en dichters als Willem Wilmink vermaken het hele land in hun oostelijk idioom. Dus kun je daar ook in Amsterdam mee terecht.

Sinds de wereld door de globalisering behoorlijk onoverzichtelijk is geworden, verlangen mensen naar het «regionale» en het «kleinschalige». De streektaal die buiten de eigen buurt altijd tot een zekere gêne leidde, verleent nu een identiteit waar ze houvast aan hebben. We’re plat and we’re proud. Helemaal sinds met alle boerenstemmen is vastgesteld dat de MKZ-epidemie de schuld is van Den Haag neemt de assertiviteit van het platteland behoorlijk toe. De figuur die in het feestgedruis op grootstedelijke wijze voordringt en dan in het uitheems bier bestelt, beantwoordt mijn staren bepaald zelfverzekerd. Ik herken zijn taaltje. Onwillekeurig denk ik dat ik weer het bedreigende «hie, stadse, moek oew afsmeern» zal horen als ik hem nog langer aankijk.

Het vermoede gevaar roept ene Bernard van Meurs in mijn gedachten, wel heel toevallig op deze Koninginnedag. Deze in volkstaal dichtende jezuïet werd geboren én stierf tachtig jaar later op 30 april. Ik bezorgde ooit De Gelderlander, in de Bernard van Meursstraat veel meer dan in alle andere straten. Het was een vervelende straat, vol met Achterhoekse jongens die een expliciete hekel hebben aan «import» zoals ik. Een Gelders vers van de rijmende pater begint als volgt: «Het is één verrel jaors nog pas/ Da’t brulloft van Geurt Harmzen was/ En nou al hêt ie raozend spiet:/ Went — om wa rejen weet ie niet —/ Z'n vrouw wordt kwaojer alle daogen/ En duut hum niks as sarren, plaogen.» Et cetera. Voor niet-verstaanders wat ABN uit Komrij’s bundel: «De grootste sociale vraag/ betreft de maag// geef elke maag haar kost/ de vraag is opgelost.»

Ik geloof niet dat ooit veel vrijzinnigs, onorthodox of vooruitstrevends viel te beluisteren in gewesttalen — behalve het Fries. Ondertussen zijn alle dialect sprekers, anders dan honderd jaar geleden, wel naar dezelfde scholen geweest als de rest van Nederland. Ze kunnen het best. Zodoende verdenk ik ze in kwaaie buien ervan dat ze onder elkaar gewoon Nederlands praten en alleen in de buitenwereld hun overgrootvaders taoltje inzetten. Uit emancipatie-opzicht goed, maar ik word er schichtig van.