Job cohen

HET HUIS VAN staatssecretaris Job Cohen in Maastricht kijkt uit op de zestiende-eeuwse Cellebroederskapel. De kapel was eigendom van de Broeders van Maastricht maar die moesten het vanwege interne leegloop van de hand doen. Het bouwseltje dreigde opgekocht te worden door een horecaketen. Cohen, die voor zijn uitzicht vreesde, stak er een stokje voor. Hij werd voorzitter van de stichting Cellebroederskapel en timmerde op verzoek van de broeders een vernuftig plan in elkaar. De kapel werd behouden en biedt nu plaats aan culturele activiteiten.

Secretaris L. Beerts van de stichting Cellebroederskapel over de staatssecretaris: ‘Job is een heel sympathieke man. Hij laat iedereen in zijn waarde. Ik volg hem naarstig in zijn nieuwe functie, op televisie en radio. Waar is hij aan begonnen, denk ik wel eens. Tot juli is hij onze voorzitter geweest. Hij vond dat hij te weinig tijd had voor ons in de toekomst. Er zit ook wel een grote restauratie aan te komen, die veel van hem gevergd had. Toch betreuren wij zijn vertrek. Hij was altijd erg zakelijk bij vergaderingen, kreeg alles voor elkaar. Had overal connecties.’
DE CELLEBROEDERSKAPEL is de vaste repetitieruimte van vocaal ensemble Studium Chorale, waarover tot voor kort dirigent Eric Hermans de scepter zwaaide. 'Aan Job bewaar ik allerbeste herinneringen’, zegt Hermans. 'Hij was altijd ontzettend begaan met het culturele leven hier in Maastricht. Een vrolijke en opgewekte man. En een hondstrouwe fan van mijn ensemble. Als voorzitter van de jubileumcommissie heeft hij er zorg voor gedragen dat mijn afscheidsconcert een onvergetelijke happening werd. Als ik eraan terugdenk word ik opnieuw warm van binnen.’
Laatst stond Job onverwacht voor de deur. 'We hebben koffie gedronken. Ik zei: Job wat is dat toch een klotebaan, staatssecretaris van Justitie. Eric, zei hij, dat mag dan wel zo zijn, toch ga ik er het beste van maken. En dat is Job ten voeten uit. Als iemand de klus op dat departement kan klaren, dan is hij het wel. Hij kan het kort en krachtig zeggen. Dat is niet altijd leuk, zeker niet in asielkwesties. Dat met die tenten in Ermelo, persoonlijk vindt hij dat vreselijk.’
Net als Hermans volgt Beerts zijn vriend aandachtig via de media. 'Soms schilderen ze hem af als een rechtse rakker. Ten onrechte. Hij kan er ook niks aan doen. Het zijn de regels die wij als land met z'n allen opstellen. Maar hij kan er tegen. Job heeft een enorm pantser.’
Bij de stichting Intro, het Maastrichtse platform voor hedendaagse muziek, missen ze Cohen ook ontzettend. Secretaris Paul Koenjaars: 'Er zit een Kunstplan aan te komen. Dat betekent voor ons knokken voor subsidie. Toen Job nog voorzitter was hoefden we ons daarover niet druk te maken, hij kreeg het toch wel voor elkaar. Het is een indrukwekkende man, niet iemand waartegen je zegt: ga lekker mee naar de kroeg voor een pilsje. Hij geeft zich niet bloot, hult zich in raadselen. Er hangt een sfinxachtig aureool om hem heen.’
JOB COHEN (50) werd geboren in Haarlem. Daar bezocht hij het Stedelijk Gymnasium. In 1966 ging hij rechten studeren in Groningen. Hij promoveerde in juni 1981 aan de Rijksuniversiteit Leiden.
Ondertussen had hij samen met Hans Kombrink een artikel geschreven over juridische opleidingen, waarin hij een lans brak voor de manier waarop de Universiteit Maastricht het aanpakte. Die waren daar zo vereerd over dat ze hem prompt een baan aanboden.
Glorieuze tijden braken aan. Hij werd benoemd als hoogleraar juridische methoden en technieken, als decaan aan de faculteit Rechtsgeleerdheid en ten slotte tot rector magnificus. Cohen was een fonkelende ster aan het Maastrichtse firmament, in het culturele leven een graag geziene gast.
In 1993 werd Cohen naar Den Haag gehaald. Het staatssecretariaat van Onderwijs was vacant gekomen omdat Roel in ’t Veld betrapt werd met een hele zwik bv’s. In Kok I had Cohen minister van Onderwijs kunnen worden. Hij bedankte, vanwege vrouw en kinderen. In Maastricht wisten ze: hij bedankt met pijn in z'n hart. Dat was ook aan alles te merken toen hij het rectoraat weer opvatte.
Karl Dittrich, voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Maastricht: 'Job was erg veranderd toen hij terugkwam in 1993. Maastricht was een maatje te klein voor hem geworden. Zijn interesse ging duidelijk uit naar wat er zich landelijk afspeelde. Je zou kunnen zeggen: hij vertrok als wetenschapper en kwam terug als politicus.’
'Job is een wikker en een weger. Je zult hem niet betrappen op iets onbezonnens. We hebben er altijd rekening mee gehouden dat hij op een dag gevlogen zou zijn. Toch denk ik dat Maastricht hem gevormd heeft, dat hij hier kansen heeft gekregen. Hij voelt zich hier op z'n gemak. Het is natuurlijk ver weg van het randstedelijke rumoer, mensen gaan normaal met elkaar om. Hij komt hier nog altijd graag. Laatst ben ik met hem naar MVV geweest, iedereen groet hem hartelijk. Dat is het gekke: je kunt geen ruzie met die man krijgen. Hij zal altijd kalm blijven. Daarom vertrouw ik erop dat het goed komt op die post. Ik ben ervan overtuigd: zelfs als er een bom ontploft blijft hij de rust zelve.’
PATRICE JAMIN was Cohens secretaresse aan de Universiteit Maastricht. 'Job is een gesloten man. Hij liet het achterste van zijn tong niet zien. Echt een politicus. Aan een half woord had hij genoeg. Soms verveelde ik me wel. Hij deed ook zo veel zelf. Ik hoefde bijvoorbeeld nooit een brief voor hem op te stellen.’
In januari ging Cohen met sabbatsverlof. Jamin: 'Toen wisten we wel dat hij iets in z'n schild voerde. Het afscheid was moeilijk: we konden niks verzinnen. Totdat iemand te binnen schoot dat hij behalve van klassieke muziek ook een liefhebber is van smartlappen. Van die echte Limburgse. Op het jaarlijkse smartlappenfestival in Maastricht is hij altijd van de partij. Bij zijn afscheid hebben we Tante Annie en de Neefjes uitgenodigd, zo'n hoempapa-band. Hij genoot met volle teugen.’
'Ik mis hem wel. Soms zie ik hem op televisie. Dan zet ik het geluid hard en zeg tegen mijn kinderen: kijk dat is Job, mijn vorige baas. Ik e-mail nog wel eens met hem. Dan vraag ik hoe het met hem is. Het is een lastige rotbaan. Je kunt in die positie geen goed doen, terwijl die mensen in die tenten: ze hadden het slechter kunnen treffen. Job zei altijd dat hij verwachtte minister van Justitie te worden. Of minister van Binnenlandse Zaken.’
MAAR HET WERD dus het staatssecretariaat van Justitie, het departement dat bekend staat als een slangenkuil. Cohen werd geconfronteerd met overvolle asielzoekerscentra waar dit jaar liefst 48.000 asielzoekers binnenkomen en volgend jaar zelfs 67.000. Er moesten tenten opgezet worden. Beelden van vluchtelingen tot hun knieën in de Ermelose blubber schoten de hele wereld over. Cohen werd geconfronteerd met zijn eigen partij. Onder aanvoering van fractievoorzitter Melkert: het moest sneller en sneller met die procedures. Cohen werd geconfronteerd met Vluchtelingenwerk. Dat dropte 123 Bosniërs met een Dublinclaim in een tentenkamp. De bedoeling was dat Cohen de schuld ervan kreeg. Cohen werd met nog veel meer geconfronteerd waarvan eveneens de bedoeling was dat hij er de schuld van kreeg.
TIJDENS EEN debat in de Randstad zit de zaal vol. Wie het weet mag het zeggen. Er zijn een hoop boze mensen, die Cohen kritisch zouden moeten ondervragen. Daar komt helemaal niets van terecht. Want de staatssecretaris kijkt uiterlijk onbewogen de zaal in. Blijft ordentelijk. Degelijk. Hij pareert aanvallen met een simpel antwoord of zet een verpletterend stilzwijgen in. Alle vragen, alle kwesties van de afgelopen maanden - alles ketst af op zijn Limburgse pantser.